202404623/1/R3.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak, deels tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:
1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ([appellant sub 1A]), wonend in [woonplaats],
2. het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Kaag en Braassem,
verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 17 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2] Oude Ade" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en het college beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
Het college en [partij A] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 8 juli 2026, waar het college, vertegenwoordigd door A. de Roos en mr. K. Giezeman, advocaat in Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door V. Platteeuw, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij B], vergezeld door [persoon A], en [partij A], vergezeld door [persoon B], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 28 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van drie recreatiewoningen achter de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Oude Ade. [appellant sub 1A] is eigenaar van de woning aan het perceel [locatie 3]. Hij vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Het college stelt dat het plan niet in overeenstemming is met het provinciaal beleid en provinciale regelgeving. [partij A] en [partij B] zijn de initiatiefnemers van de ontwikkeling. Beiden wonen naast het plangebied.
3. De relevante regelgeving staat in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Het beroep van het college
5. De Afdeling zal hierna eerst het betoog van het college bespreken dat betrekking heeft op de vraag of het bestemmingsplan in overeenstemming is met de Omgevingsverordening Zuid-Holland (de Omgevingsverordening). Daarna zal de Afdeling stilstaan bij de vraag of het bestemmingsplan (ook) in strijd is met het provinciaal beleid.
Ruimtelijke kwaliteit
6. Het college betoogt dat het bestemmingsplan niet in overeenstemming is met de instructieregels voor ruimtelijke kwaliteit uit de Omgevingsverordening. Op grond van artikel 6.9 van de Omgevingsverordening kan een bestemmingsplan slechts voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling als is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Dit kan volgens het college op dit moment onvoldoende beoordeeld worden, omdat een duidelijke beschrijving en schets van de beoogde ontwikkeling ontbreken. Daarnaast gelden ter plaatse van het plangebied "Beschermingscategorie 3 Buitengebied", "Beschermingscategorie 2 Groene buffers" en "Beschermingscategorie 1 Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed". In de plantoelichting is onvoldoende gemotiveerd hoe de beoogde recreatiewoningen aansluiten bij de aanwezige gebiedskwaliteiten die met deze beschermingscategorieën worden beschermd. Ten aanzien van "Beschermingscategorie 3 Buitengebied" bevat de plantoelichting zelfs geheel geen motivering. Ook voert het college aan dat de raad de recreatiewoningen ten onrechte heeft aangemerkt als een ontwikkeling die onder de noemer "inpassen" als bedoeld in artikel 6.9, vijfde lid, van de Omgevingsverordening valt. Van inpassen is sprake wanneer de ontwikkeling geen wijziging op structuurniveau met zich brengt en past bij de aard en schaal van het gebied. Volgens het college moeten de recreatiewoningen onder de noemer "aanpassen" vallen, omdat de omgeving van de beschermde Kagerplassen worden gekenmerkt door een blokvormige kavelstructuur in het open veenweidelandschap. De agrarische gronden krijgen nu een recreatieve bestemming en het bestaande blok wordt in drie delen opgesplitst en bebouwd. De raad heeft ten onrechte alleen op kavelniveau naar de ontwikkeling gekeken in plaats van naar het hele gebied. Hierdoor zou de beoogde ontwikkeling onder "aanpassen" moeten vallen. Voor deze categorie zijn aanvullende maatregelen vereist om te waarborgen dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Deze maatregelen zijn nu niet in het bestemmingsplan opgenomen. Daarnaast is een ontwikkeling die onder de noemer "aanpassen" valt niet toegestaan in de "Beschermingscategorie 1 Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed". Ook ontbreekt een duidelijke beschrijving en schets van de recreatiewoningen, waardoor de ruimtelijke kwaliteit lastig te beoordelen is. Het bestemmingsplan is daarom in strijd met de Omgevingsverordening.
6.1. Volgens artikel 6.9, eerste lid, van de Omgevingsverordening kan een bestemmingsplan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
Volgens artikel 6.9, derde lid, moet bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren worden gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid.
Volgens artikel 6.9, vijfde lid, aanhef en onder a, kan een bestemmingsplan voorzien in een ruimtelijk ontwikkeling wanneer de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, niet voorziet in een wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen.
Volgens artikel 6.9, vijfde lid, aanhef en onder b, kan een bestemmingsplan ook voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling wanneer de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar een wijziging veroorzaakt op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen.
Volgens de artikelen 6.9a, 6.9d en 6.9g van de Omgevingsverordening, die zien op de drie beschermingscategorieën die in het betoog van het college zijn genoemd, moeten in de motivering van een besluit dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling per beschermingscategorie de in de artikelen genoemde kwaliteiten worden betrokken.
6.2. De Afdeling overweegt dat de raad het plan heeft mogen aanmerken als een ontwikkeling die onder de noemer "inpassen" valt. Voor het verschil tussen "inpassen" en "aanpassen" speelt de vraag of er sprake is van een verandering op structuurniveau. In de toelichting bij de Omgevingsverordening wordt als voorbeeld van "aanpassen" het aanleggen of verbreden van een provinciale weg gegeven. De omgeving wordt gekenmerkt door een open veenweidegebied met blokvormige kavelstructuur. In dit geval is zowel ten noorden als ten zuiden van het plangebied al sprake van verhard gebied van ter plaatse aanwezige restaurant en de parkeerplaatsen. Circa 29 m ten zuiden van het plangebied zijn eveneens recreatiewoningen aanwezig. Verder staat er ten westen van het plangebied een rij woningen, waardoor het plangebied aan drie kanten in de bestaande situatie is omsloten met bebouwing en verharding. Hierdoor was er in dit geval al sprake van een onderbreking van het veenweidegebied. De raad heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat de recreatiewoningen geen verdere wijziging op structuurniveau met zich mee brengen.
In zoverre slaagt het betoog niet.
6.3. Verder overweegt de Afdeling dat op het plangebied "Beschermingscategorie 3 Buitengebied", "Beschermingscategorie 2 Groene Buffers" en "Beschermingscategorie 1 Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed" van toepassing zijn. In paragraaf 3.2.1 van de plantoelichting heeft de raad weliswaar een omschrijving gegeven van "Beschermingscategorie 1 Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed" en "Beschermingscategorie 2 Groene Buffers", maar heeft hierbij onvoldoende toegelicht hoe de recreatiewoningen daadwerkelijk op de beschermingscategorieën aansluiten. Ook heeft de raad nagelaten om "Beschermingsgebied categorie 3 Buitengebied" in de plantoelichting te betrekken. Een toelichting waarin staat dat de ontwikkeling kleinschalig is en aansluit op de recreatieve omgeving, is hiervoor onvoldoende, omdat in de artikelen 6.9a, 6.9d en 6.9g van de Omgevingsverordening veel meer kwaliteiten genoemd worden die in de motivering dienen te worden betrokken. De raad heeft in zijn verweerschrift eveneens nagelaten om een nadere toelichting te geven. Gelet op deze omstandigheden is het besluit in strijd met artikel 6.9 van de Omgevingsverordening genomen. Hierbij merkt de Afdeling op dat zolang er weinig bekend is over de uiterlijke verschijning van de ontwikkeling, het lastig zal worden om een deugdelijke motivering te geven over hoe de recreatiewoningen aansluiten op de beschermingscategorieën.
In zoverre slaagt het betoog.
Strijd met provinciaal beleid
7. Het college betoogt dat het bestemmingsplan in strijd is met de beleidskeuze "Buitenstedelijke recreatieve ontwikkelingen" die onderdeel uitmaakt van de Omgevingsvisie Zuid-Holland (de Beleidskeuze). In de Beleidskeuze staat dat nieuwe recreatiewoningen uitsluitend zijn toegestaan binnen een bestaand of nieuw verblijfsrecreatiepark om zo permanente bewoning van recreatiewoningen tegen te gaan. Gelet op de voorzieningen die aanwezig zijn in de recreatiewoningen en de omvang kunnen de met dit plan voorziene drie recreatiewoningen qua aard gebruikt worden voor permanente bewoning, waardoor zij ook niet onder de uitzonderingsbepaling uit de Beleidskeuze kunnen vallen. Het college ziet ook geen mogelijkheid waarop het bestemmingsplan alsnog kan worden vastgesteld met een motivering die recht doet aan het provinciaal belang.
Gelet op het bovenstaande voldoet het bestemmingsplan niet aan een goede ruimtelijke ordening.
7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat hij beoogd heeft af te wijken van de Beleidskeuze. De afwijking is volgens de raad aanvaardbaar, omdat de recreatiewoningen zich onderscheiden van andere gevallen. Hoewel de recreatiewoningen niet in een verblijfsrecreatiepark zullen staan, is er wel sprake van een aantrekkelijke locatie. Het plangebied is namelijk gelegen aan het [locatie 5] en een jachthaven, waardoor sprake is van een aantrekkelijke locatie. Ook andere woningen naast het plangebied worden recreatief verhuurd. Doordat er veel vraag naar recreatiewoningen op deze locatie is, zal het risico op permanente bewoning klein zijn. Daarnaast is het risico dat recreatiewoningen zullen leiden tot permanente bewoning ook planologisch ondervangen in artikel 8.1, aanhef en onder g, van de planregels. Gelet hierop is een afwijking van de Beleidskeuze in dit geval volgens de raad aanvaardbaar.
7.2. In de Beleidskeuze, zoals die gold vanaf 1 april 2023 tot en met 1 mei 2024, staat dat nieuwe recreatiewoningen alleen zijn toegestaan in bestaande of in nieuwe verblijfsrecreatieparken, om permanente bewoning tegen te gaan.
7.3. Artikel 8.1, aanhef en onder g, van de planregels bepaalt dat tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, in ieder geval het gebruik van recreatieve onderkomens voor permanente doeleinden wordt gerekend.
7.4. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan provinciaal beleid. Wel dient de raad daar rekening mee te houden, wat betekent dat de raad dit beleid in de belangenafweging dient te betrekken. Volgens de Beleidskeuze zijn nieuwe recreatiewoningen alleen toegestaan in bestaande of in nieuwe verblijfsrecreatieparken. Dit bestemmingsplan maakt juist nieuwe recreatiewoningen buiten een verblijfsrecreatiepark mogelijk, wat betekent dat hiermee wordt afgeweken van de Beleidskeuze. De raad heeft toegelicht deze afwijking aanvaardbaar is, omdat de recreatiewoningen zich onderscheiden van andere recreatiewoningen doordat zij in een aantrekkelijke omgeving buiten een verblijfsrecreatiepark staan en het risico op permanente bewoning planologisch is ondervangen. De Afdeling is van oordeel dat de raad rekening heeft gehouden met provinciaal beleid en voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom er is gekozen om daarvan af te wijken.
Het betoog slaagt niet.
Het beroep van [appellant sub 1A]
Bespreking zienswijzen
8. Over het betoog van [appellant sub 1A] dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb, overweegt de Afdeling als volgt. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft, wat betekent dat voor een voldoende motivering het niet nodig is dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.
Het betoog slaagt niet.
Naam van het bestemmingsplan
9. [appellant sub 1A] betoogt dat ten onrechte niet duidelijk is gemaakt dat het bestemmingsplan voorziet in de bouw van recreatiewoningen achter zijn woning. De naam van het bestemmingsplan wekt het vertrouwen op dat alleen achter de percelen [locatie 1] en [locatie 2] recreatiewoningen zullen worden gebouwd, terwijl het bestemmingsplan ook voorziet in de bouw van een recreatiewoning achter [locatie 3]. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Verder heeft de raad hem ten onrechte niet persoonlijk op de hoogte gesteld over het voornemen om recreatiewoningen achter zijn woning te realiseren.
9.1. De Afdeling overweegt dat het niet verplicht is dat de naam van een bestemmingsplan direct de volledige inhoud en locatie van het plan duidelijk maakt. Dat [locatie 3] niet is benoemd in de naam van het bestemmingsplan maakt het plan niet onrechtmatig. Verder is er voldaan aan de wettelijke vereisten voor de kennisgeving van de terinzagelegging. In de Wro of in een ander wettelijk voorschrift valt geen bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerpplan dan wel de inhoud daarvan.
Het betoog slaagt niet.
Verlies van uitzicht en verminderde lichtinval
10. [appellant sub 1A] betoogt dat het uitzicht vanuit zijn woning ten onrechte door de recreatiewoningen zal worden beperkt. Ook leidt het plan tot een onaanvaardbare vermindering van de lichtinval op zijn perceel. Daarbij komt dat de bouwvlakken groter zijn dan de recreatiewoningen, waardoor het onduidelijk is waar de recreatiewoningen precies binnen de bouwvlakken zullen komen te staan. Dit betekent dat het ook onduidelijk is wat de exacte afstand van de recreatiewoningen tot de woning van [appellant sub 1A] zal worden. Hierbij heeft de raad onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de woning van [appellant sub 1A] geen recreatiewoning, maar een reguliere woning is. Voor reguliere woningen gelden andere voorschriften ten aanzien van de onderlinge afstand dan voor recreatiewoningen.
10.1. De Afdeling overweegt dat de afstand tot de woning van [appellant sub 1A] tot het plangebied ongeveer 14,5 m is en de afstand tot het bouwvlak ongeveer 19,4 m is. De maximale bouwhoogte voor de recreatiewoningen is 4 m, wat betekent dat de hoogte van de recreatiewoningen beperkt zal zijn. Het uitgangspunt is dat er geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht. Dit betekent niet dat het belang van [appellant sub 1A] geen gewicht toekomt. Maar wel dat de raad andere belangen belangrijker heeft mogen vinden. De raad heeft in dit geval een groter gewicht mogen toekennen aan de met het plan gediende belangen dan het belang van [appellant sub 1A] bij handhaving van hun uitzicht. Verder acht de Afdeling, gelet op de afstand tot de woning en de beperkte maximale bouwhoogte, het niet aannemelijk dat er sprake zal zijn van een onaanvaardbare vermindering van lichtinval.
Het betoog slaagt niet.
Parkeren
11. [appellant sub 1A] betoogt dat de afstand tussen de beoogde recreatiewoningen en het omliggende parkeerterrein onjuist is berekend. De raad stelt zonder enige onderbouwing dat wordt voldaan aan de richtafstand van 10 m.
Verder betoogt [appellant sub 1A] dat door de realisatie van de recreatiewoningen de parkeerdruk zal toenemen, waar de raad ten onrechte geen onderzoek naar heeft verricht.
11.1. In artikel 8:69a van de Awb staat: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
11.2. De Afdeling overweegt dat de norm van een goede ruimtelijke ordening, voor zover deze ziet op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een recreatiewoning, ook de belangen beschermt van toekomstige gebruikers van de recreatiewoningen bij een verblijf zonder onaanvaardbare hinder. [appellant sub 1A] is echter geen gebruiker van de recreatiewoningen. Voor zover de norm van een goede ruimtelijke ordening wordt ingevuld met de richtafstanden uit de VNG-brochure, strekt die norm daarom kennelijk niet tot bescherming van het belangen van [appellant sub 1A]. Het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan vernietiging van het besluit vanwege deze beroepsgrond. Daarom bespreekt de Afdeling deze beroepsgrond niet inhoudelijk. Wat betreft het betoog dat er ten onrechte geen parkeeronderzoek is uitgevoerd, overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat de parkeerbehoefte is berekend aan de hand van "Nota parkeernormen 2018" en op eigen terrein zal worden opgevangen en dat dit ook is geborgd in artikel 10 van de planregels. Doordat in de parkeerbehoefte op eigen terrein wordt voorzien, zal geen sprake zijn van een toename van de parkeerdruk in de omgeving. De raad had hier geen onderzoek naar hoeven doen.
Het betoog slaagt niet.
Kwetsbare natuurwaarden
12. [appellant sub 1A] betoogt dat er onvoldoende rekening is gehouden met de kwetsbare natuurwaarden. Het voorleggen van het bestemmingsplan aan de Omgevingsdienst zegt volgens hem weinig over hoe het gebied wordt aangetast. Doordat telkens een paar gebouwen in omgeving worden bijgebouwd, waarbij ieder individueel geval de natuurwaarden niet aantast, worden de natuurwaarden door al deze gebouwen bij elkaar wel degelijk aangetast. Dit leidt ook tot aantasting van de leefgebieden van diverse diersoorten. De raad heeft ook geen beoordeling gemaakt in hoeverre het bestemmingsplan gevolgen heeft voor het nabijgelegen Polderlab [locatie 6].
12.1. Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.
Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat [appellant sub 1A] over het advies heeft aangevoerd.
12.2. De Afdeling overweegt dat aan het bestemmingsplan de "Quickscan Wet natuurbescherming [locatie 1] & [locatie 2] te Oude Ade" van Blom Ecologie van 8 juni 2023 (de Quickscan) ten grondslag ligt. Hierin staat dat de nieuwe recreatiewoningen niet zullen leiden tot aantasting van beschermde natuurwaarden. Ook staat hierin dat de planlocatie geen essentiële betekenis heeft voor beschermde diersoorten. De Omgevingsdienst West-Holland heeft in een advies van 30 oktober 2023 goedkeuring gegeven aan de Quickscan. [appellant sub 1A] heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd op basis waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de conclusie van de Quickscan. Verder is niet gebleken dat het Polderlab een kwetsbaar natuurgebied is dat op basis van wet- of regelgeving extra zou moeten worden beschermd. Voor zover wordt betoogd dat rekening moet worden gehouden met andere ontwikkelingen in de omgeving, wat daar ook van zij, is niet gebleken van dergelijke ontwikkelingen. Alleen het plan zoals dit nu voorligt kan worden beoordeeld.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
13. Het beroep van [appellant sub 1A] is ongegrond. Voor zijn beroep is deze uitspraak de einduitspraak en daarmee is voor hem een einde gekomen aan deze procedure.
14. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden aan [appellant sub 1A].
15. Gelet op wat de Afdeling onder 5.3 heeft overwogen, is het besluit tot vaststellen van het bestemmingsplan ondeugdelijk gemotiveerd, waardoor het in strijd met artikel 3:46 van de Awb is genomen. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil, zal de Afdeling op grond van artikel 8:51d van de Awb de raad opdragen om binnen 18 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen het in overweging 5.3 geconstateerde gebrek in het besluit van 17 juni 2024 te herstellen.
16. De raad dient de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en een nieuw of gewijzigd besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Bij de voorbereiding van een nieuw of gewijzigd besluit hoeft afdeling 3.4 van de Awb niet te worden toegepast.
17. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1154, blijft op een gewijzigd of nieuw besluit het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, van toepassing.
18. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van het college.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
Einduitspraak
I. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ongegrond.
Tussenuitspraak
II. draagt de raad van de gemeente Kaag en Braassem op om:
- binnen 18 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen de in overweging 15 geconstateerde gebreken in het besluit van 15 juni 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie 1] en [locatie 2] Oude Ade" te herstellen en;
- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
884-1176
BIJLAGE
Omgevingsverordening Zuid-Holland
Artikel 6.9
1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft.
2. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap.
3. Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid.
4. Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij:
a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of
b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid.
5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden:
a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen;
b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen;
c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.
[…]
Artikel 6.9a
1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied waarvan de plaats geometrisch is verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering die tevens ingaat op de keuze voor een locatie buiten bestaand stads- en dorps gebied.
2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:
a. de openheid en de structuur van het landschap en de vergezichten daarin;
b. de relatie tussen stad en buitengebied en het onderscheid daartussen;
c. het groene karakter, het type functie en de kenmerkende verschijningsvormen van het landschap;
d. de herkenbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.
[...]
Artikel 6.9d
1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen groene buffers waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover dit geen grootschalige ontwikkelingen behelzen en de bufferfunctie blijkens een afdoende motivering niet onevenredig wordt verstoord.
2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:
a. de functie van het gebied als tegenhanger van de stedelijke verdichting en stedelijke dynamiek;
b. de identiteit die het gebied verleent aan de nabij gelegen stedelijke omgeving;
c. de bescherming die het gebied biedt tegen grootschalige stedelijke ontwikkeling;
d. de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde en de contrastkwaliteit met het stedelijk gebied.
Artikel 6.9g
1. Een bestemmingsplan voor een locatie binnen Kroonjuwelen Cultureel Erfgoed waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 14 in bijlage II kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft en de ontwikkeling het behoud en de versterking van het betreffende cultureel erfgoed ondersteunt en overwegend meerwaarde heeft voor kwaliteiten en de gebruikswaarde ervan.
2. In de motivering worden de volgende kwaliteiten betrokken:
a. de herkenbaarheid van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed;
b. de historische context van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed;
c. de uniciteit van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed;
d. de kwetsbaarheid van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed;
e. de gaafheid van het Kroonjuweel Cultureel Erfgoed;
f. de samenhang van de kwaliteiten van het Cultureel Erfgoed;
g. de richtpunten die zijn opgesteld voor het specifieke kroonjuweel (zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap).
Bestemmingsplan "Achter [locatie 1] en [locatie 2], Oude Ade"
Artikel 8.1
Tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wabo, wordt in ieder geval gerekend:
[…]
g. het gebruik van recreatieve onderkomens voor permanente woondoeleinden.