202505709/1/A2.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats]
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 1 oktober 2025 in zaak nr. 24/3171 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.
Procesverloop
Bij besluit van 1 maart 2024 heeft het CBR [appellant] verplicht om medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid.
Bij besluit van 9 april 2024 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 oktober 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 juni 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. K.E.J. Dohmen, advocaat in Venlo, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Bij besluit van 1 maart 2024 heeft het CBR [appellant] verplicht om medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid.
2. De beoordeling door het CBR van die feiten en omstandigheden heeft tot de conclusie geleid dat een vermoeden van ongeschiktheid gerechtvaardigd is. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 1 maart 2024 heeft het CBR [appellant] verplicht om medewerking te verlenen aan een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid. Dit besluit is opgelegd op grond van artikel 23, derde lid, sub b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (de Regeling). Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Regeling komen de kosten van het onderzoek voor rekening van [appellant].
Uitspraak van de rechtbank
3. Volgens vaste rechtspraak hoeft voor het opleggen van een onderzoek naar de geschiktheid slechts het vermoeden van ongeschiktheid te worden vastgesteld. Juist het opgelegde onderzoek dient ertoe tot een definitief oordeel te komen over de geschiktheid om een motorrijtuig te besturen. Uit de mededeling en het daarbij behorende proces-verbaal volgt dat het CBR in redelijkheid het vermoeden heeft mogen hebben dat [appellant] niet langer beschikte over de geestelijke geschiktheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen. Het CBR heeft terecht aan [appellant] een onderzoek naar zijn rijgeschiktheid opgelegd. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat de lat bij het aannemen van een vermoeden heel laag ligt, aangezien het gaat om de bescherming van de algemene verkeersveiligheid. Dat het onderzoek inmiddels is afgerond en dat daaruit is gebleken dat [appellant] geschikt is om te rijden, maakt die conclusie niet anders.
Hoger beroep
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het CBR niet zonder meer mocht uitgaan van het vermoeden van geestelijke ongeschiktheid op basis van het proces-verbaal, omdat hij voldoende heeft betwist een psychiatrisch probleem te hebben. Deze betwisting had tot twijfel aan het vermoeden moeten leiden. Het vermoeden is namelijk ontleend aan een momentopname direct na het incident, waarbij hij nat, koud en geschrokken was en niet goed kon communiceren door een taalbarrière. Dat hij op dat moment verward gedrag vertoonde, is dan ook verklaarbaar. Nu achteraf blijkt dat hij wel rijgeschikt is en het vermoeden dus ongegrond was, dienen de kosten van het onderzoek naar de rijgeschiktheid vergoed te worden.
4.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen volgt uit vaste rechtspraak dat voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid slechts het vermoeden van ongeschiktheid hoeft te worden vastgesteld. Dat [appellant] nadat alle onderzoeken zijn verricht geschikt is bevonden om te rijden, betekent dan ook niet dat het vermoeden van ongeschiktheid toen het bestreden besluit werd genomen niet gerechtvaardigd was (zie onder andere de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1462, onder 4.1). [appellant] heeft weliswaar betwist dat hij een psychiatrisch probleem heeft, maar dat neemt niet weg dat het gaat om de vraag of er destijds duidelijke aanwijzingen waren dat hij geestelijk ongeschikt was voor het besturen van een motorrijvoertuig. Dat [appellant] direct na het incident verward gedrag vertoonde, doordat hij geschrokken was en nat en koud, is voorstelbaar, maar doet geen afbreuk aan de inhoud van het proces-verbaal. Deze omstandigheden waren voor de verbalisanten waarneembaar en moeten daarom worden geacht te zijn betrokken bij het proces-verbaal. Daar komt bij dat [appellant] tijdens het verhoor met behulp van een tolk heeft bevestigd dat hij medicatie gebruikt voor de behandeling van zijn psychische klachten. De verklaring van de dochter dat die medicatie geen belemmering vormt voor de rijgeschiktheid van [appellant] is onvoldoende om te twijfelen aan de bevindingen van de verbalisanten.
4.2. De Afdeling is daarom met de rechtbank van oordeel dat er in dit geval geen ruimte was voor zodanige twijfel aan de bevindingen van de verbalisanten dat deze niet of niet volledig aan het vermoeden als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw ten grondslag konden worden gelegd. Het CBR heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de feiten en omstandigheden zoals deze blijken uit de mededeling en het daarbij behorende proces-verbaal een vermoeden van ongeschiktheid rechtvaardigen, welk vermoeden in het kader van de verkeersveiligheid onderzocht diende te worden.
4.3. Voor zover [appellant] betoogt dat de kosten vergoed zouden moeten worden, geldt dat ingevolge artikel 25, tweede lid, van de Regeling de kosten van het opleggen en het uitvoeren van een onderzoek voor rekening van de betrokken rijbewijshouder komt.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Verzoek om schadevergoeding
7. [appellant] heeft ook in hoger beroep een verzoek gedaan om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
7.1. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 12 maart 2024 tegen het besluit van 1 maart 2024 tot aan de uitspraak van de Afdeling op 30 september 2026 zijn in het totaal ongeveer 31 maanden verstreken. De redelijke termijn van ten hoogste vier jaar is daarmee niet overschreden. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
284-1112