202500321/1/A2.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
[appellant], wonend in Barendrecht, naar hij stelt ook handelend namens [partij],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 december 2024 in zaak nr. 23/118 in het geding tussen:
[partij] en [appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 10 mei 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aanvraag van [partij] om overname van zijn private schuld bij [appellant] van € 18.847,00 afgewezen.
Bij besluit van 5 december 2022 heeft de minister het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de schuld bij [appellant] tot een bedrag van € 4.718,00 overgenomen.
Bij uitspraak van 4 december 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant], naar hij stelt ook handelend namens [partij], hoger beroep ingesteld. Ook heeft [appellant] verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 september 2026, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. A. Divis-Stein en mr. A.R. Kanhai, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2. [partij] is erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft de minister onder meer verzocht om overname van een schuld bij [appellant] van € 18.847,00, bestaande uit achterstallige huurbetalingen, een boetebeding en schade aan een voordeur.
Besluitvorming
3. De minister heeft de schuld uit achterstallige huurbetalingen van € 4.718,00 overgenomen. De schuld uit het boetebeding en de schade aan een voordeur heeft de minister niet overgenomen. Deze kosten hebben betrekking op een onrechtmatige daad en komen op grond van artikel 4.1, vierde lid, onder c, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) niet voor overname in aanmerking.
Hoger beroep namens [partij]
4. De Afdeling beoordeelt eerst of het hoger beroep dat [appellant] namens [partij] heeft ingesteld ontvankelijk is. Zij komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. [appellant] heeft geen schriftelijke machtiging overgelegd waaruit blijkt dat hij door [partij] is gemachtigd om hoger beroep in te stellen. De e-mail van [partij] aan [appellant] van 17 september 2022 volstaat daartoe niet. Daargelaten dat deze niet ziet op de procedure in hoger beroep, is dit geen schriftelijke machtiging die door [partij] is ondertekend. [appellant] is bij brief van 10 juni 2026 door de Afdeling in de gelegenheid gesteld een schriftelijke machtiging te overleggen. Daarin is hij erop gewezen dat als hij geen schriftelijke machtiging overlegt, het hoger beroep namens [partij] niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Niet is gebleken dat het verzuim om een machtiging in te dienen verschoonbaar is. De Afdeling kan er daarom niet van uitgaan dat [partij] hoger beroep heeft willen instellen. Het hoger beroep voor zover ingesteld namens [partij] is daarom niet-ontvankelijk.
Hoger beroep van [appellant]
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank het beroep, voor zover hij dat voor zichzelf heeft ingesteld, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij heeft een zelfstandig belang bij het verzoek om overname van de private schulden. De enkele vaststelling van de rechtbank dat hij geen (derde) belanghebbende is, is onjuist, onvolledig en onzorgvuldig gemotiveerd. Zij heeft alleen gekeken naar de contractuele relatie en is niet ingegaan op de onderdelen objectief, persoonlijk, eigen en rechtsreeks belang.
5.1. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn (groten)deels een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Daarop is de rechtbank gemotiveerd ingegaan. In de redenen die hij heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. Zij kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 2.4 opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling verwijst voorts naar haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3244. Het belang van [appellant] komt voort uit zijn contractuele relatie met [partij]. Hij was verhuurder van de woning en is schuldeiser van de schuld waarvan [partij] om overname heeft verzocht. [appellant] behoort daarmee niet tot de doelgroep die aan de Wht rechtstreeks rechten kan ontlenen dan wel ten aanzien van wie de minister gehouden kan zijn tot (gedeeltelijke) schuldovername, of (gedeeltelijke) betaling van een schuld. Dat [appellant] naar hij betoogt is getroffen in zijn eigendomsrecht dat door artikel 1 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens wordt beschermd, doet niet af aan het oordeel dat hij in het kader van de private schuldovername in de Wht een afgeleid belang heeft van de schuldenaar, en dus geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Conclusie
6. Het hoger beroep voor zover ingesteld namens [partij] is niet-ontvankelijk.
7. Het hoger beroep voor zover ingesteld door [appellant] is ongegrond. De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Verzoek om schadevergoeding
8. [appellant] verzoekt om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
8.1. De redelijke termijn bedraagt in zaken als deze in beginsel vier jaar. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep.
8.2. De redelijke termijn is begonnen met de ontvangst van het bezwaarschrift op 17 mei 2022. Uitgaande van een redelijke termijn van vier jaar had in deze procedure uiterlijk op 16 mei 2026 uitspraak in hoger beroep moeten worden gedaan. De procedure is met de uitspraak van de Afdeling geëindigd. De redelijke termijn is daarmee met een periode van afgerond vijf maanden overschreven. De overschrijding moet voor 1/5e deel aan de minister, en voor 4/5e deel aan de rechtbank worden toegerekend.
8.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 500,00.
Proceskosten
9. De minister en de Staat der Nederlanden moeten de proceskosten voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding vergoeden, waarvoor een wegingsfactor van 0,5 geldt.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van [partij] niet-ontvankelijk;
II. verklaart het hoger beroep van [appellant] ongegrond;
III. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
V. veroordeelt de minister van Financiën om aan [appellant] een schadevergoeding van € 100,00 te betalen;
VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 400,00 te betalen;
VII. veroordeelt de minister van Financiën tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 16,12, toe te rekenen aan reis- en verletkosten;
VIII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 16,12, toe te rekenen aan reis- en verletkosten.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 1:2
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
[…].
Artikel 6:6
Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of
b. het bezwaar- of beroepschrift geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15,
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Artikel 8:24
1. Partijen kunnen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.
2. De bestuursrechter kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.
[…].
Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
[…].
4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn:
[…].
c. een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad;
[…].