ECLI:NL:RVS:2026:5789

ECLI:NL:RVS:2026:5789

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 202404720/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Wijchen het bestemmingsplan "Balgoij-West" vastgesteld. Het plan maakt de bouw van maximaal 37 woningen mogelijk. Het plangebied grenst aan de noord- en oostzijde aan de bestaande bebouwing van de wijk Balgoij. De gronden van het plangebied hadden voorheen een agrarische bestemming. In de nabijheid van het plangebied stroomt de Maas. [appellant A] en [appellant B] wonen op korte afstand ten oosten van het plangebied. Zij vrezen onder meer voor wateroverlast als gevolg van de realisatie van het plan. Qubus Vastgoed B.V. is de projectontwikkelaar van de voorziene ontwikkeling. Het voornemen is om 17 vrije sector woningen en 20 betaalbare woningen te realiseren. Daarbij zijn 12 kavels in het sociale segment bestemd zijn voor de Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) groep Balgoij en wordt een deel van de woningen gebouwd voor senioren.

Uitspraak

202404720/1/R4.

Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Balgoij, gemeente Wijchen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Wijchen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Balgoij-West" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) heeft een deskundigenbericht uitgebracht, voor zover het gaat om de gevolgen van het plan op de waterhuishouding. [appellant A] en [appellant B] en de raad hebben zienswijzen daarop naar voren gebracht.

Bij besluit van 16 december 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Balgoij-West" opnieuw en gewijzigd vastgesteld (het herstelbesluit).

[appellant A] en [appellant B] hebben over dit besluit een zienswijze naar voren gebracht.

[appellant A] en [appellant B] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 augustus 2026, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. F.K. van den Akker, advocaat in Eindhoven, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. van Vulpen, advocaat in Nijmegen, H. Weemstra en T. van Zonsbeek, zijn verschenen.

Voorts is op de zitting Qubus Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 19 oktober 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan maakt de bouw van maximaal 37 woningen mogelijk. Het plangebied grenst aan de noord- en oostzijde aan de bestaande bebouwing van de wijk Balgoij. De gronden van het plangebied hadden voorheen een agrarische bestemming. In de nabijheid van het plangebied stroomt de Maas.

3. [appellant A] en [appellant B] wonen op korte afstand ten oosten van het plangebied. Zij vrezen onder meer voor wateroverlast als gevolg van de realisatie van het plan.

4. Qubus Vastgoed B.V. is de projectontwikkelaar van de voorziene ontwikkeling. Het voornemen is om 17 vrije sector woningen en 20 betaalbare woningen te realiseren. Daarbij zijn 12 kavels in het sociale segment bestemd zijn voor de Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) groep Balgoij en wordt een deel van de woningen gebouwd voor senioren.

Betekenis herstelbesluit

5. Bij uitspraak van 16 april 2025 heeft de voorzieningenrechter het bestemmingsplan van 20 juni 2024 geschorst. Naar aanleiding van deze uitspraak en het deskundigenbericht van de STAB heeft de raad een herstelbesluit genomen. Met het herstelbesluit is het bestemmingsplan "Balgoij-West" opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Daarom is met dit besluit het besluit van 20 juni 2024, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Balgoij-West", vervangen als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Aangezien het herstelbesluit niet geheel aan het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegemoetkomt, heeft het beroep van rechtswege ook betrekking op dit herstelbesluit.

De Afdeling zal bij de bespreking van de beroepsgronden eerst uitgaan van het herstelbesluit.

Ingetrokken beroepsgronden

6. Op de zitting hebben [appellant A] en [appellant B] hun beroepsgronden over de vrees voor aantasting van hun privacy en vermindering van lichtinval als gevolg van de voorziene ontwikkeling en de vrees dat als gevolg van watertoename door het plan overbelasting van het bestaande rioolstelsel ontstaat, ingetrokken.

Toetsingskader

7. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Strijd met gemeentelijk beleid

8. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat het plan in strijd is met de op 8 juni 2017 vastgestelde Woonvisie 2025 en het op 20 oktober 2022 door de raad vastgestelde "Strategisch kompas: Wijchen 2035" (het Strategisch kompas). De raad heeft volgens hen onvoldoende gemotiveerd waarom er wordt afgeweken van deze beleidsstukken.

Zo staat volgens hen in de Woonvisie 2025 als speerpunt het "versterken van het thuisgevoel", waarbij "wijken en dorpen met identiteit" en de "bestaande woningvoorraad" belangrijke aspecten zijn. Een uitbreiding buiten het dorp past hier niet bij.

Daarnaast volgt volgens hen uit het Strategisch kompas dat een uitbreiding van het aantal woningen vooral in de kern van Wijchen plaats moet vinden, vanwege het behoud van een leefbare en vitale kern.

8.1. In het verweerschrift staat dat de raad kort vóór vaststelling van het bestemmingsplan op 30 mei 2024 de woonvisie "Wonen in Wijchen, Woonvisie gemeente Wijchen 2024-2028" (Woonvisie 2024-2028) heeft vastgesteld. In het verweerschrift is uitvoerig toegelicht waarom het plan volgens de raad past in de Woonvisie 2024-2028. Kort samengevat omdat het een bijdrage levert aan het terugdringen van het woningtekort, er gebouwd wordt voor diverse doelgroepen (jongeren en senioren) en de woningen duurzaam worden gerealiseerd. De raad wijst erop dat, gelet op het grote woningtekort in de regio en in de gemeente Wijchen, in dit geval is gekozen voor een uitbreiding van het dorp en dat niet valt in te zien dat dit is in strijd zou zijn met de Woonvisie 2024-2028.

In wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het plan in strijd is met de Woonvisie 2024-2028.

8.2. Voor zover [appellant A] en [appellant B] wijzen op het Strategisch kompas, overweegt de Afdeling als volgt. In de inleiding van het Strategisch kompas staat over het document: "Het geeft de richting weer waaraan we de komende periode werken. Het vormt een toetsingskader voor toekomstig beleid. […] Wat dit precies betekent, wordt concreet als het kompas verder wordt uitgewerkt. Dit vindt later plaats: in verschillende beleidsnotities of uitvoeringsplannen".

In paragraaf 3.4.4 van de plantoelichting is getoetst aan het Strategisch kompas. De conclusie in de plantoelichting is dat de voorziene ontwikkeling voorziet in de behoefte aan woningen in de gemeente Wijchen en in verschillende woningtype met verschillende prijssegmenten, wat aansluit op de ambities uit het Strategisch kompas. In het verweerschrift stelt de raad dat [appellant A] en [appellant B] wijzen op een korte passage in het Strategisch kompas over het dorpse karakter van bouwen, maar dat bij de uitwerking van dit speerpunt met name de nadruk wordt gelegd op voldoende woningbouw in de gemeente Wijchen voor alle inwoners en nieuwe woonvormen, waarbij jongeren en senioren als doelgroep worden genoemd. De raad wijst erop dat het plan juist ook woningen mogelijk maakt voor jongeren en senioren en overigens ook geen afbreuk doet aan het dorpse karakter van Balgoij.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanknopingspunten dat het plan in strijd is met het Strategisch kompas.

8.3. De betogen slagen niet.

Waterhuishouding

9. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat de gevolgen van het plan op de waterhuishouding onvoldoende zijn onderzocht. Zij verwijzen in dit kader naar contra-expertises van Landslide; het rapport "Toekomstige waterhuishoudkundige situatie nieuwbouwplan Balgoij-West (gemeente Wijchen)" van 2 oktober 2024, de reactie op het verweerschrift van Landslide van 19 maart 2025 en het rapport "Controle opmerkingen STAB op waterhuishoudkundig rapport Balgoij- West en praktische oplossingen" van 29 juni 2026.

Allereerst is volgens [appellant A] en [appellant B] de berekende waterbergingsopgave en het gereserveerde ruimtebeslag gebaseerd op te lage neerslagnormen.

Daarnaast voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat er ten onrechte nog altijd geen grondwaterpeilingen op locatie zijn uitgevoerd en dat de variatie in grondwaterpeilen slechts is bepaald aan de hand van niet-locatiespecifieke gegevens. Zeker bij een voor wateroverlast gevoelige locatie als deze, levert dat geen voldoende betrouwbaar beeld op. Daarbij is onvoldoende rekening gehouden met de gevolgen van de periodiek sterk verhoogde waterstanden in de Maas, aldus [appellant A] en [appellant B].

Verder wijzen [appellant A] en [appellant B] erop dat de STAB in haar deskundigenrapport heeft geconstateerd dat voor de uitgevoerde kwelberekeningen geen betrouwbare uitgangspunten zijn gehanteerd. Volgens [appellant A] en [appellant B] hadden deze kwelberekeningen in het herstelbesluit herzien moeten worden. De werkelijke hoeveelheid kwel en de veranderingen daarin zijn niet alleen relevant voor de beoogde ondergrondse bouwwerken, maar ook voor het functioneren van de wadi’s.

Voorts is er volgens [appellant A] en [appellant B] onvoldoende rekening gehouden met de effecten op de waterhuishouding door de vrijwel zeker aanwezige breuk in de ondergrond van de gronden van het plangebied.

Tot slot voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat niet wordt onderbouwd waarom de gevolgen van het ophogen van het maaiveld acceptabel is voor hun woningen. Onduidelijk is hoe voorkomen kan en zal worden dat water vanuit het plangebied naar hun achtertuinen gaat afstromen.

10. Aan het besluit van 20 juni 2024 heeft de raad de volgende waterhuishoudkundige rapporten ten grondslag gelegd: het "Waterhuishoudingsplan Maasakkers te Balgoij" van 26 april 2023 van Stantec (bijlage 8 bij de plantoelichting) en het "Geohydrologische onderzoek naar kwel in plangebied Maasakkers te Balgoij-West" van 1 mei 2024 van Stantec (bijlage 9 bij de plantoelichting).

In het waterhuishoudingsplan staat, kort samengevat, dat door de (her)ontwikkeling 11.940 m² aan extra verhard oppervlak zal ontstaan. Uitgaande van deze toename aan extra verhard oppervlak en gelet op het beleid van Waterschap Rivierenland, is er een watercompensatie nodig van 793 m³. In het plangebied is het mogelijk om dit volume te bergen door de watergangen te verbreden en nieuwe watergangen aan te leggen. Ook staat in het waterhuishoudingsplan dat het maaiveld moet worden verhoogd zodat er voldoende dekking op de rioolbuis is. Het maaiveld zal door het oplopende vuilwaterriool richting het zuiden en noorden hoger worden aangebracht dan in het midden van het plangebied. Het waterschap heeft aangegeven dat afstroming naar omliggende percelen niet is toegestaan. Dit is een randvoorwaarde voor het ophogen van het maaiveld. Het plangebied wordt grotendeels omringd door oppervlaktewater. Hierdoor wordt afstroming naar de omliggende percelen voorkomen. Waar geen oppervlaktewater is, moet afstroming worden voorkomen door een waterkering, bijvoorbeeld een grondrug.

In het geohydrologische onderzoek naar kwel staat dat, alles overziend, er in theorie een zeer beperkte toename van de kwel mogelijk is als gevolg van het plan. Deze toename is echter zo beperkt, ook qua duur, dat dit niet tot wateroverlast kan leiden ter plaatse van het plangebied of de directe omgeving.

11. De Afdeling heeft de STAB verzocht om onderzoek te doen naar de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. De STAB concludeert in haar deskundigenrapport dat er, gelet op de aspecten waterberging en kwel, nog een aantal aspecten onvoldoende onderzocht is. Zo concludeert de STAB dat de hoeveelheid waterberging die met de aanleg van drie wadi-systemen in het plangebied wordt gerealiseerd, niet volstaat om aan de waterbergingsopgave te voldoen. Daarnaast concludeert de STAB dat in het geohydrologische onderzoek onvoldoende rekening is gehouden met de maximale invulling van het plan wat betreft de mogelijkheid om in tenminste 40% van het te ontwikkelen stedelijk gebied ondergrondse bouwwerken aan te brengen tot een diepte van 5 m.

12. In het herstelbesluit heeft de raad onder meer naar aanleiding van het deskundigenrapport van de STAB de verbeelding, de planregels en de plantoelichting in het kader van de waterhuishouding aangepast. Zo is een extra waterberging opgenomen en heeft de raad in het plan vastgelegd dat geen kelders gerealiseerd kunnen worden behalve bij drie boerderijwoningen binnen het plangebied.

13. Ten aanzien van de voorziene waterberging als gevolg van de voorziene ontwikkeling zijn daartoe in het herstelplan verschillende wijzigingen in de planregels doorgevoerd. De planregels van de gewijzigde of toegevoegde artikelen luiden als volgt:

Artikel 4.1 van de planregels luidt:

"De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

f. voorzieningen voor waterberging- en infiltratie (waaronder wadi's);"

Artikel 4.3 van de planregels luidt:

"Speelvoorzieningen zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van speelplaatsen met de hierbij behorende voorzieningen, met een oppervlakte niet groter dan 100 m², met dien verstande dat speelvoorzieningen niet zijn toegestaan in de groen waterbergingen;"

Artikel 5.1 van de planregels luidt:

"De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

e. voorzieningen voor waterberging- en infiltratie (waaronder wadi's);"

Artikel 6.2.1 van de planregels luidt: "Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

[…]

j. uitsluitend ter plaatse van de (drie) bouwvlakken waarop zowel de bouwaanduiding 'vrijstaand' als de aanduiding 'maatvoering, maximum bouwhoogte: 9 m, maximum goothoogte 3,5 m' gelden, is ondergronds bouwen ten behoeve van kelders toegestaan binnen en beperkt tot de bouwvlakken ter plaatse van het hoofdgebouw"

Artikel 10.1 van de planregels luidt: "Ondergronds bouwen is niet toegestaan, met uitzondering van ondergronds bouwen in verband met de aanleg van een kelder als bedoeld in lid 6.2.1, aanhef en onder j, van de planregels en met dien verstande dat:

a. de verticale diepte ten hoogste 3,0 m mag bedragen gemeten vanaf het peil;

b. de buitenzijden van de keldermuren worden afgedicht door het terugplaatsen van klei of het gebruiken van bentoniet."

Artikel 11.3 van de planregels luidt: "Het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen is niet toegestaan, tenzij een minimale waterberging van 978,3 m3 in het plangebied is gerealiseerd en in stand wordt gehouden."

Artikel 11.4 van de planregels luidt: "Het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen is niet toegestaan, tenzij

a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - waterberging Hoeveweg 15 - greppel' een greppel met een minimale waterberging van 7,3 m3 is gerealiseerd en in stand wordt gehouden en;

b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - waterberging Hoeveweg 15 - laagte' een laagte met een minimale waterberging van 43 m3 is gerealiseerd en in stand wordt gehouden en;

c. de onder lid a en b genoemde waterbergingsvoorzieningen na realisatie in stand worden gehouden."

- Waterberging

14. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat er op de gronden van het plangebied onvoldoende ruimte is voor een berging van hemelwater en dat bij de berekeningen ten onrechte uit is gegaan van te lage neerslagnormen. In de contra-expertise van Landslide van 29 juni 2026 staat dat bij de berekeningen ten onrechte is uitgegaan van een bui van 66,4 mm in plaats van 70 mm op grond van het Omgevingsprogramma Water en Riolering 2026-2029.

14.1. De raad heeft toegelicht dat de gemeente Wijchen geen beleid heeft waarin een waterbergingseis is opgenomen voor een maatgevende bui en dat de beleidsregeling waar Landslide naar verwijst, is vastgesteld door de gemeente Nijmegen. In paragraaf 6.1 van het waterhuishoudingsplan (bijlage 8 bij de plantoelichting) staat dat bij de berekeningen als uitgangspunt een maatgevende bui van 66,4 mm is gehanteerd omdat dit strookt met het waterbeleid van het Waterschap Rivierenland.

14.2. In het herstelbesluit heeft de raad onder meer extra waterberging mogelijk gemaakt. Zo is artikel 11.3 toegevoegd aan de planregels. In dat artikel staat dat het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de woonbestemming niet is toegestaan, tenzij een minimale waterberging van 978,3 m3 in het plangebied is gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

Daarnaast staat in paragraaf 6.2.4 van de plantoelichting bij het herstelbesluit dat de bestaande sloot van 135 m3 aan de noordzijde van het plangebied dienst doet als waterberging ter compensatie van de verharding als gevolg van de voorziene woningen. Deze sloot zal vergroot worden en daardoor zal de groenbestemming in het noorden van het plangebied enigszins worden vergroot en de woonbestemming daar iets worden verkleind.

Verder is ten behoeve van het perceel Hoeveweg 15 ook een voorwaardelijke verplichting voor extra waterberging toegevoegd (artikel 11.4 van de planregels).

14.3. De Afdeling ziet in het aangevoerde en de overgelegde stukken geen aanknopingspunten waarom de raad zich bij de berekeningen voor de waterberging niet mocht baseren op een maatgevende bui van 66,4 mm conform het beleid van Waterschap Rivierenland. Daarom is er ook geen reden om aan te nemen dat de berekende omvang van de waterverberging ten behoeve van het plan te klein is. Gelet op de aanpassingen in de planregels door het herstelbesluit is de berekende noodzakelijke waterberging voldoende geborgd in het plan.

Het betoog slaagt niet.

- Locatiespecifieke gegevens

15. [appellant A] en [appellant B] voeren verder aan dat er ten onrechte geen locatiespecifieke gegevens zijn gebruikt bij het bepalen van de grondwaterpeilingen. In de contra-expertise van Landslide van 29 juni 2026 staat dat in dat kader ook gekeken had moeten worden naar het peil van de Maas, omdat hoge Maaspeilen kunnen leiden tot verhoogde grondwaterstanden in het plangebied.

15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de gebruikte meetgegevens voor het bepalen van de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en de invloed van de Maas op het GHG op de gronden van het plangebied voldoende zijn. Op de zitting heeft de heer Weemstra namens de raad nader toegelicht dat de GHG wordt bepaald door een matrix van minimaal 8 jaar. Op de 14de en 28ste van elke maand wordt er gemeten en per hydrologisch jaar worden de drie hoogste waarden geselecteerd en daarvan wordt het gemiddelde berekend. Er wordt daarbij gekeken naar verschillende bronnen, zoals peilbuizen in de omgeving, het hydrologische systeem, grondwatertrappen en isohypen. In dit geval waren er voldoende verschillende bronnen beschikbaar om de GHG te bepalen. Op de zitting heeft de heer Weemstra ook toegelicht dat het niet nodig was om zelf peilbuizen te plaatsen voor lokale metingen, omdat de gronden van het plangebied een deklaag van klei hebben. De freatische grondwaterstand is dan vaak van beperkte omvang en kan goed worden ingeschat als gekeken wordt naar de beschikbare data uit verschillende bronnen. Verder wordt in het rapport "Reactie op geohydrologische beoordeling Landslide" van bureau Weemstra Projectmanagement van 15 juli 2026 geconcludeerd dat de lokale grondwatermetingen van [appellant A] en [appellant B] bevestigen dat de freatische GHG en de stijghoogte conservatief zijn ingeschat. Daarmee zitten de berekeningen van de raad dus aan de veilige kant.

Voor zover [appellant A] en [appellant B] in dat kader ook wijzen op de invloed van het waterpeil in de Maas op de gronden van het plangebied, staat in het rapport "Reactie op geohydrologische beoordeling Landslide" van bureau Weemstra Projectmanagement van 15 juli 2026 dat een hoge waterstand in de Maas betekent dat er veel neerslag is gevallen in Noord-Frankrijk en België en dan valt er vaak ook veel neerslag in Nederland met als gevolg een stijging van de freatische grondwaterstand. De diepere peilbuis reageert, zoals verwacht, op de gestegen waterstand in de Maas. De tussenliggende kleilaag heeft hier een flinke weerstand want het drukverschil loopt op tot ongeveer 0,8 m in februari-maart 2025. De stijghoogte onder de kleilaag neemt toe als gevolg van een hogere waterstand in de Maas, maar dit zorgt voor een zeer beperkte stroming door de kleilaag heen, waardoor er een groot drukverschil tussen de freatische grondwaterstand en de stijghoogte ontstaat dat intact blijft. Daarnaast heeft Weemstra namens de raad op de zitting toegelicht dat de invloed van de Maas op de freatische grondwaterstand enkel kan worden aangetoond met een tijdreeksanalyse waarbij alle factoren die van invloed kunnen zijn op de grondwaterstand, waaronder dus de invloed van neerslag, apart van elkaar in kaart worden gebracht. In dit geval is daar niet voor gekozen, omdat door de ophoging van de gronden in het plangebied er geen sprake zal zijn van kwel in het maaiveld.

15.2. De Afdeling ziet in het aangevoerde en de overgelegde stukken geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat de gebruikte meetgegevens voor het bepalen van de GHG en de invloed van de Maas op het GHG op de gronden van het plangebied voldoende zijn. Dit wordt ook bevestigd in het rapport van Weemstra Projectmanagment van 15 juli 2026. Daarbij betrekt de Afdeling dat het Waterschap Rivierenland, zoals blijkt uit de door de raad overgelegde e-mail van 8 juli 2026, positief heeft geadviseerd over de ruimtelijke onderbouwing en het waterhuishoudkundig plan behorende bij het bestemmingsplan.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde onvoldoende reden om te oordelen dat er specifieke peilbuizen binnen het plangebied geplaatst hadden moeten worden en deze bij de berekeningen hadden moeten worden betrokken.

Het betoog slaagt niet.

- Kwelverandering

16. Voorts voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat de berekeningen in het geohydrologische onderzoek naar kwel onvoldoende zijn, omdat de raad naar aanleiding van het deskundigenrapport van de STAB de kwelberekeningen in het herstelbesluit had moeten herzien. Zij wijzen daarbij op de hoeveelheid kwel als gevolg van ondergrondse bouwwerken.

16.1. In het geohydrologische onderzoek naar kwel is de kwelflux berekend met de formule van Mazure. De formule van Mazure is ontwikkeld voor kwelberekeningen tussen twee watervoerende lagen met een slecht doorlatende laag hiertussen. Deze slecht doorlatende laag is in dit scenario altijd volledig verzadigd, waardoor de weerstand van de volledige laag gehanteerd dient te worden en er bij een hoge stijghoogte direct kwel uit de slecht doorlatende laag optreedt. Ter plaatse van de gronden van het plan gaat het echter om een deklaag die niet volledig verzadigd is. Bij een hoge stijghoogte zal de grondwaterstand in de deklaag daarom eerst stijgen voordat er kwel optreedt aan het maaiveld, zo staat in het geohydrologische onderzoek naar kwel.

16.2. In haar deskundigenrapport heeft de STAB geconcludeerd dat in het geohydrologisch onderzoek naar kwel onvoldoende rekening is gehouden met de maximale invulling van het plan wat betreft de mogelijkheid om in tenminste 40% van het te ontwikkelen stedelijk gebied ondergrondse bouwwerken aan te brengen tot een diepte van 5 m. De gevolgen van de maximale invulling van het plan op de kwelstromen zijn daarom meer omvattend en complex dan in het geohydrologisch onderzoek naar kwel als uitgangspunt is genomen. Dit betekent dat de kwalitatieve beoordeling van de gevolgen voor de kwelflux op grond van een berekening met de formule van Mazure en aan de hand van geëxtrapoleerde gegevens niet volstaat.

16.3. Uit de verbeelding in samenhang bezien met artikel 6.2.1, aanhef en lid j, en artikel 10.1 van de planregels van het herstelbesluit volgt dat er in het plangebied niet meer ondergronds mag worden gebouwd, met uitzondering van de drie bouwvlakken voor de woonboerderijen waar een maximale verticale diepte van 3,0 m wordt toegestaan, gemeten vanaf het peil. In het besluit van 20 juni 2024, waarop het deskundigenrapport van de STAB betrekking had, was geen beperking opgenomen voor het ondergronds bouwen op de gronden van het plangebied. De Afdeling stelt vast dat in het herstelplan het ondergronds bouwen dus is beperkt van 40% van het plangebied tot drie bouwvlakken met een beperkte omvang.

16.4. De raad stelt in een nader stuk dat met deze beperking van het ondergronds bouwen in het herstelplan sprake is van een kleine lokale ingreep zoals ook in het deskundigenrapport van de STAB is bedoeld. In het rapport "Reactie op geohydrologische beoordeling Landslide" van bureau Weemstra Projectmanagement van 15 juli 2026 wordt dit bevestigd met de conclusie dat nu het plan is gewijzigd, de uitgangspunten van het onderzoek naar kwel volledig in lijn zijn met de bedoeling van het plan zoals dat volgt uit de plantoelichting. Daarnaast leiden de aanvullende zakgreppel met een diepte van 0,3 m en de verbreding van de wadi met een gelijkblijvende diepte niet tot een grotere diepte en vallen deze daarmee in dezelfde categorie als de andere wadi's, waarvoor al geconcludeerd is dat deze niet leiden tot een toename van de kwelflux omdat deze zich bevinden in het onverzadigde deel van de deklaag. Dit alles maakt dat een actualisatie van het geohydrologisch onderzoek naar kwel neer zou komen op het toevoegen van enkele regels beschrijvende tekst en op het toevoegen van lokale meetreeksen, waardoor de GHG en de gemiddelde hoogste stijghoogte nog iets naar beneden bijgesteld zouden worden. Dit heeft een positief effect, want de theoretisch zeer beperkte toename van kwel zou dan nog kleiner worden. De conclusie dat de toename van kwel zo beperkt is dat deze niet kan leiden tot wateroverlast blijft daarmee overeind, zo staat in het rapport van 15 juli 2026, aldus Weemstra.

16.5. De Afdeling ziet in het aangevoerde en de overgelegde stukken geen concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat er geen aanleiding is de kwelberekeningen aan te passen. De conclusies in het rapport van Weemstra Projectmanagment van 15 juli 2026 bevestigen dit standpunt. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat niet voor onaanvaardbare wateroverlast op de percelen van [appellant A] en [appellant B] als gevolg van kwel bij realisatie van het plan behoeft te worden gevreesd.

Het betoog slaagt niet.

- Tegelenbreuk

17. Voor zover [appellant A] en [appellant B] aanvoeren dat er onvoldoende rekening is gehouden met de vrijwel zeker aanwezige breuk in de ondergrond (de zogenoemde Tegelenbreuk), overweegt de Afdeling het volgende.

De raad stelt zich op het standpunt dat uit het rapport "Reactie op geohydrologische beoordeling Landslide" van bureau Weemstra Projectmanagement van 15 juli 2026 blijkt dat het onzeker is of de breuk zich op de gronden van het plangebied bevindt. Als er al een breuk zou zijn, dan begint deze ongeveer vanaf 18 m onder het maaiveld en is deze voor dit plan ruimtelijk niet relevant. Zelfs als de breuk ondieper aanwezig is en versmeerd zou zijn, dan is het hoogst onzeker dat de grondwaterstroming negatief beïnvloed wordt, zonder dat dit in de uitgangspunten en informatie die ten grondslag liggen aan de onderzoeken terecht is gekomen. Dat geen sprake is van een ruimtelijk relevante breuk volgt temeer uit het tot op heden onbekend zijn van een geohydrologische invloed op het watersysteem door een ondiepe versmeerde breuk. Dat zou dan al lang en breed bekend zijn, zo staat in het rapport van 15 juli 2026.

17.1. De Afdeling ziet in het aangevoerde en de overgelegde stukken geen concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat geen sprake is van een ruimtelijk relevante breuk voor het plangebied.

Het betoog slaagt niet.

- Gevolgen ophogen maaiveld

18. [appellant A] en [appellant B] voeren verder aan dat de raad niet heeft onderbouwd waarom de gevolgen van het ophogen van het maaiveld acceptabel zijn voor hun woningen. Op de zitting hebben zij nog verwezen naar het deskundigenrapport van de STAB waarin het volgende is opgenomen: "Wel zorgt het hogere maaiveld ervoor dat in natte perioden meer water in de onverzadigde zone en in de wadi's kan worden geborgen. Dit resulteert mogelijk in natte perioden in een hogere freatische grondwaterstand in het plangebied dan in de omliggende gronden. Het uitstralingseffect hiervan en de mogelijke gevolgen voor de gronden van appellanten is niet onderzocht."

18.1. De raad heeft op de zitting toegelicht dat de aangehaalde passage uit het deskundigenrapport van de STAB juist in samenhang met de rest van de conclusies van de STAB gelezen moet worden. Zo concludeert de STAB dat het grootste probleem met betrekking tot het ophogen van het maaiveld ziet op de ondergrondse bouwwerken die mogelijk worden gemaakt binnen het plangebied, omdat er dan door de kleilaag heen wordt gebouwd. De raad stelt dat hij in het herstelbesluit juist de mogelijkheid om ondergronds te bouwen heeft beperkt tot slechts drie boerderijwoningen. Op die manier is tegemoetgekomen aan het kritiekpunt van de STAB.

Daarnaast heeft Weemstra namens de raad op de zitting toegelicht dat als de gronden van het plangebied worden opgehoogd met 1 m, dat niet direct wil zeggen dat de grondwaterstand ook met 1 m stijgt. De grondwaterstand blijft in principe gelijk. Als er neerslag valt, valt dat op de onverzadigde zone van de verhoogde gronden en zal de neerslag er een tijd over doen om door de onverzadigde zone te trekken. Als gevolg hiervan kan de grondwaterstand in theorie met 5 of 10 cm stijgen in periodes dat het veel heeft geregend. Weemstra heeft verder toegelicht dat het extra water in dat geval in de sloot naast het plangebied terecht zal komen, waardoor er geen effecten zullen zijn op de percelen van [appellant A] en [appellant B].

18.2. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de raad voldoende heeft onderbouwd dat het ophogen van het maaiveld niet zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor de waterhuishouding op de percelen van [appellant A] en [appellant B].

Het betoog slaagt niet.

- Conclusie waterhuishouding

19. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de gevolgen van het plan op de waterhuishouding onvoldoende heeft onderzocht. Daarnaast heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het plan geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor de waterhuishouding op de percelen van [appellant A] en [appellant B].

Verkeer

20. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat het plan zal leiden tot verkeersoverlast en verkeersonveilige situaties, vanwege de voorziene ontsluiting via de straat Den Bogerd, die dwars door een bestaande woonwijk gaat en waarbij zich direct na de doorsteek vanuit het plangebied een speeltuin voor kinderen bevindt. Volgens hen moet planologisch geborgd worden dat de ontsluiting bij Den Bogerd niet voor gemotoriseerd verkeer toegankelijk is.

20.1. Uit de verbeelding volgt dat de gronden van het plangebied worden ontsloten via de Maasakkers (in het noorden van het plangebied) en via Den Bogerd (in het oosten van het plangebied). De Afdeling stelt vast dat aan de gronden van de ontsluiting aan Den Bogerd onder meer een verkeersbestemming is toegekend. Op grond van artikel 5.1 van de planregels zijn deze gronden bestemd voor ontsluitingen met hoofdzakelijk een verkeersfunctie, te weten voor onder andere wegen en (fiets)paden.

In paragraaf 3.2 van de plantoelichting staat dat de ontsluiting op Den Bogerd wordt afgesloten voor gemotoriseerd verkeer en enkel wordt ingericht voor calamiteiten, dit naar aanleiding van zienswijzen van bewoners van Den Bogerd.

20.2. Uit het verweerschrift, in samenhang gelezen met de notitie "Verkeer en parkeren" (bijlage 10 bij de plantoelichting), volgt dat de wegen rondom het plangebied, waaronder de Maasakkers en Den Bogerd, de verwachte verkeersgeneratie als gevolg van het plan aan kunnen. De raad heeft in zijn verweerschrift en op de zitting toegelicht dat de voorgenomen gebruiksbeperking van de ontsluiting op Den Bogerd voor alleen fietsers, voetgangers en calamiteiten is afgesproken met de ontwikkelaar om tegemoet te komen aan de bezwaren in de zienswijzen, maar niet ruimtelijk noodzakelijk is en daarom ook niet in het plan zelf hoeft te worden geborgd.

20.3. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor de vrees van [appellant A] en [appellant B] voor verkeersoverlast en verkeersonveilige situaties. Nu de gebruiksbeperking van de ontsluiting op Den Bogerd niet noodzakelijk is om een goede ruimtelijke ordening te waarborgen, maar uitsluitend het gevolg is van de uitdrukkelijke wens van omwonenden, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad een voorwaardelijke verplichting in het plan had moeten opnemen om die beoogde gebruiksbeperking te borgen.

Het betoog slaagt niet.

Parkeren

21. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat niet inzichtelijk is gemaakt dat kan worden voorzien in de berekende parkeerbehoefte van 92 parkeerplaatsen. Daarnaast is ook onvoldoende in de planregels geborgd dat er voldoende parkeerplaatsen in openbaar gebied worden aangelegd en in stand worden gehouden.

21.1. De Afdeling is van oordeel dat in dit geval kan worden uitgesloten dat het plan zal leiden tot parkeeroverlast bij de percelen van [appellant A] en [appellant B]. [appellant A] en [appellant B] beschikken over ruime percelen met parkeergelegenheid op eigen terrein. Bovendien liggen de percelen van [appellant A] en [appellant B] ten zuidoosten van het plangebied, terwijl de voorziene in- en uitritten van het plangebied zich bevinden aan de noord- en oostzijde van het plangebied, waarbij de voorziene in- en uitrit aan de oostzijde van het plangebied, zoals onder 20.2 is uiteengezet, alleen zal worden gebruikt voor langzaam verkeer en calamiteiten. De Veldsestraat waaraan [appellant A] en [appellant B] wonen is een smalle weg die niet is voorzien van belijning en waar geen openbare parkeerplaatsen zijn aangelegd, zodat parkeren alleen in de onverharde berm van deze weg mogelijk is en daardoor niet voor de hand ligt. Het is dan ook zeer onwaarschijnlijk dat toekomstige bewoners of hun bezoekers hun auto’s zullen parkeren in de berm van de Veldsestraat nabij de percelen van [appellant A] en [appellant B] en zich vervolgens te voet naar de gronden van het plangebied zullen begeven. Om deze redenen kan worden uitgesloten dat ter plaatse van de percelen van [appellant A] en [appellant B] parkeeroverlast zal ontstaan. Het betoog over borging van de aanleg en instandhouding van voldoende parkeerplaatsen behoeft gelet hierop geen inhoudelijke bespreking.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie beroep tegen het herstelplan

22. Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het herstelplan ongegrond.

Conclusie beroep tegen het besluit van 20 juni 2024

23. Zoals onder 5 is overwogen, is het besluit van 20 juni 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Balgoij-West", bij het herstelbesluit van 16 december 2025 vervangen. Omdat het beroep tegen het herstelplan ongegrond is en dit herstelplan het bestemmingsplan vervangt, leidt dit ertoe dat het oorspronkelijk vastgestelde plan geen betekenis meer heeft. Onder deze omstandigheden en nu ook overigens niet anders is gebleken, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant A] en [appellant B] geen belang meer hebben bij een inhoudelijke bespreking van hun beroep tegen het plan. In verband hiermee is het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 20 juni 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Balgoij-West" niet-ontvankelijk.

Proceskosten

24. Gebleken is dat de raad in het herstelbesluit naar aanleiding van het ingediende beroep van [appellant A] en [appellant B] wijzigingen in het plan heeft doorgevoerd waarmee is beoogd om deels aan dat beroep tegemoet te komen. Onder omstandigheden kan dit aanleiding geven om de raad te veroordelen tot vergoeding van de bij [appellant A] en [appellant B] opgekomen proceskosten. Dat is hier ook aan de orde.

25. [appellant A] en [appellant B] hebben daarnaast een proceskostenformulier overgelegd waarin zij vragen om vergoeding van deskundigenkosten.

De Afdeling is van oordeel dat de deskundigenkosten zullen moeten worden vergoed, met uitzondering van de kosten voor het opstellen van het rapport "Controle opmerkingen STAB op waterhuishoudkundig rapport Balgoij- West en praktische oplossingen" van Landslide van 29 juni 2026. Dit rapport is besproken in de overwegingen 14 en verder en de Afdeling heeft geconcludeerd dat de betogen met betrekking tot de waterhuishouding waarop dit rapport van 29 juni 2026 ziet, niet slagen. Er bestaat daarom geen aanleiding om de raad op te dragen deze kosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Wijchen van 20 juni 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Balgoij-West" niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Wijchen van 16 december 2025, waarbij het bestemmingsplan "Balgoij-West" op onderdelen is gewijzigd, ongegrond;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Wijchen tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 9.245,15, waarvan € 2.335,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en

€ 6.847,50 is toe te rekenen aan een deskundige, waarbij dit bedrag moet worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Wijchen aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.

w.g. Kaajan

voorzitter

w.g. Van Ewijk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

867

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M.M. Kaajan
  • mr. P.H.A. Knol
  • mr. N.H. van den Biggelaar

Griffier

  • mr. S.M.W. van Ewijk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand