ECLI:NL:RVS:2026:5790

ECLI:NL:RVS:2026:5790

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 202502157/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 26 februari 2025 heeft de raad van de gemeente Westerwolde het "TAM-omgevingsplan Westerwolde, Jan Westerlaan 1" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Westerwolde vastgesteld (het besluit tot wijziging). In de motivering van het besluit tot wijziging staat dat de gemeente Westerwolde een woningbouwopgave heeft. De gemeente Westerwolde wil daarom negen eigen grondposities ontwikkelen voor woningbouw. Op grond van het omgevingsplan zijn deze woningbouwplannen niet toegestaan. [appellant] betoogt dat de participatie rondom het besluit tot wijziging niet overeenkomstig de wettelijke vereisten heeft plaatsgevonden. [appellant] voert aan dat de gemeente heeft aangegeven bewoners actief bij de besluitvorming te betrekken door gesprekken, bewonersavonden en straatinterviews te houden en de uitkomsten daarvan mee te nemen in de besluitvorming. Volgens hem is hiervan geen sprake te geweest. Er heeft slechts één gesprek plaatsgevonden en daarbij was het besluit tot wijziging al uitgewerkt, zodat van daadwerkelijke inbreng geen sprake was.

Uitspraak

202502157/1/R3.

Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Ter Apel, gemeente Westerwolde,

appellant,

en

de raad van de gemeente Westerwolde,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2025 heeft de raad het "TAM-omgevingsplan Westerwolde, Jan Westerlaan 1" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Westerwolde vastgesteld (het besluit tot wijziging).

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 augustus 2026, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. S.J. Zoer en drs. R. Meendering, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. In de motivering van het besluit tot wijziging staat dat de gemeente Westerwolde een woningbouwopgave heeft. De gemeente Westerwolde wil daarom negen eigen grondposities ontwikkelen voor woningbouw. Op grond van het omgevingsplan zijn deze woningbouwplannen niet toegestaan. Daarom heeft de raad op 26 februari 2025 negen besluiten tot wijziging van het omgevingsplan vastgesteld.

Deze procedure gaat over één van deze negen besluiten. Het besluit tot wijziging dat in deze procedure voorligt, voorziet in de realisatie van vier rijtjeswoningen en een parkeerplaats op het perceel Jan Westerlaan 1 in Ter Apel.

[appellant] woont aan de [locatie] in Ter Apel. Zijn achtertuin grenst aan het gebied waar het besluit tot wijziging op ziet. [appellant] kan zich niet verenigen met het besluit tot wijziging en heeft daarom beroep ingesteld.

Toetsingskader

2. De raad neemt een besluit tot wijziging van het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of met het besluit tot wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Participatie

3. [appellant] betoogt dat de participatie rondom het besluit tot wijziging niet overeenkomstig de wettelijke vereisten heeft plaatsgevonden. [appellant] voert aan dat de gemeente heeft aangegeven bewoners actief bij de besluitvorming te betrekken door gesprekken, bewonersavonden en straatinterviews te houden en de uitkomsten daarvan mee te nemen in de besluitvorming. Volgens hem is hiervan geen sprake te geweest. Er heeft slechts één gesprek plaatsgevonden en daarbij was het besluit tot wijziging al uitgewerkt, zodat van daadwerkelijke inbreng geen sprake was.

3.1. Artikel 10.2, tweede lid, van het Omgevingsbesluit (Ob) luidt:

"2. Bij het vaststellen van een omgevingsplan wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid."

3.2. Om aan te geven op welke wijze invulling is gegeven aan participatie bij de wijziging van het omgevingsplan, heeft de raad een participatieverslag opgesteld. Dit participatieverslag is als bijlage bij de motivering van het besluit tot wijziging gevoegd.

Samengevat en voor zover van belang voor deze procedure blijkt uit het participatieverslag dat het participatieproces als volgt is ingericht. Het participatieproces is gestart door bij alle negen locaties in beeld te brengen welke omwonenden benaderd moeten worden. Deze omwonenden hebben vervolgens een brief ontvangen waarin de gemeente hen van de woningbouwplannen op de hoogte heeft gesteld. Op deze brieven zijn meerdere reacties binnengekomen. Om te beoordelen hoe verder gevolg moest worden gegeven aan participatie, is een verdeling gemaakt tussen locaties met geen tot weinig bezwaren/zorgen, locaties met gemengde reacties door een aantal omwonenden en locaties met bezwaren/zorgen onder groot aandeel omwonenden. De locatie aan de Jan Westerlaan 1 valt onder de categorie "locaties met gemengde reacties door een aantal omwonenden". Voor deze locaties is verder invulling geven aan participatie door telefonisch contact op te nemen met de betrokkenen. In het telefoongesprek is toegelicht waarom ervoor is gekozen op deze locatie woningbouw te ontwikkelen en, voor zover daar al wat over gezegd kon worden, besproken welke reacties betrokken konden worden bij het uiteindelijke besluit en welke waarschijnlijk niet. Daarnaast heeft naar aanleiding van een aanvullende reactie over de Jan Westerlaan 1 een gesprek met de wethouder plaatsgevonden.

Tot slot staat in hoofdstuk 3 van het participatieverslag wat de opbrengst is van het participatieproject en hoe dit is verwerkt in het besluit tot wijziging. In paragraaf 3.8 wordt de locatie aan de Jan Westerlaan 1 besproken. Daaruit blijkt dat het niet nodig is geacht de opmerkingen over parkeren, bomen en woningbouw in het besluit tot wijziging te verwerken. Wel is naar aanleiding van de opmerkingen over privacy in het besluit tot wijziging verwerkt dat de nieuwe woningen dichter op de Jan Westerlaan worden gesitueerd. Daardoor worden deze woningen op ruimere afstand van de woningen aan de Bentlagestraat gerealiseerd.

3.3. In wat [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad het besluit tot wijziging in strijd met artikel 10.2, tweede lid, van het Ob heeft vastgesteld. Uit het participatieverslag blijkt dat voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbesluit contact is geweest met [appellant] over zijn ingebrachte reacties op het voornemen woningbouw mogelijk te maken op de locatie aan de Jan Westerlaan 1. Dit contact is zowel schriftelijk als telefonisch geweest. Ook heeft een gesprek plaatsgevonden met de wethouder. De stelling van [appellant] dat hij in een laat stadium bij de besluitvorming is betrokken, volgt de Afdeling dan ook niet. Dat [appellant] zich niet kan vinden in de wijze waarop participatie heeft plaatsgevonden, omdat er geen bewonersavonden en straatinterviews zijn georganiseerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Uit paragraaf 2.2 en 2.3 van het participatieverslag blijkt dat de locatie Jan Westerlaan 1 is ingedeeld in de categorie "locaties met gemengde reacties door een aantal omwonenden". Voor deze categorie is gekozen voor (telefonisch) contact met betrokkenen en niet voor bewonersavonden of straatinterviews. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad deze keuze kunnen maken. Bovendien volgt uit artikel 10.2, tweede lid, van het Ob ook geen verplichting om bewonersavonden of straatinterviews te houden. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd op welke wijze invulling is gegeven aan de participatieverplichting.

Het betoog slaagt niet.

Parkeren en verkeersveiligheid

4. [appellant] betoogt dat het besluit tot wijziging ervoor zorgt dat er meer parkeeroverlast ontstaat en daardoor ook verkeersonveilige situaties zullen ontstaan. [appellant] wijst er in dat kader op dat vlakbij de Jan Westerlaan 1 een basisschool is gevestigd. Door de woningbouw zullen 10 parkeerplaatsen die nu worden gebruikt door de basisschool, verdwijnen. [appellant] stelt dat er nu al te weinig parkeerplaatsen zijn. Daarnaast is in het besluit tot wijziging geen rekening gehouden met laadvoorzieningen voor elektrische auto’s. Volgens hem zullen extra parkeerplaatsen nodig zijn voor dergelijke voorzieningen, waardoor de parkeerdruk verder zal toenemen. [appellant] vreest dat het tekort aan parkeerplaatsen dat hierdoor ontstaat ervoor zal zorgen dat er verkeersonveilige situaties bij de basisschool ontstaan. Ook vreest [appellant] dat het tekort aan parkeerplaatsen ervoor zal zorgen dat de verkeersdrukte en parkeeroverlast aan de Bentlagestraat toenemen. [appellant] wijst erop dat de problemen omtrent verkeersveiligheid door de gemeente worden erkend. Er is namelijk een werkgroep opgestart die zich bezig houdt met de herstructurering van verkeersveilige situaties. Maar deze werkgroep is van plan groenstroken en het voetgangerspad aan de Bentlagestraat te laten wijken voor parkeergelegenheid. Daar kan [appellant] zich niet in vinden.

4.1. De raad heeft toegelicht dat de parkeerbehoefte voor de vier woningen is berekend op basis van de parkeercijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw (het CROW). De parkeerbehoefte bedraagt 6 parkeerplaatsen. Het bestaande parkeerterrein bij de basisschool wordt uitgebreid van 12 parkeerplaatsen naar 16 parkeerplaatsen en iedere woning krijgt daarnaast een parkeerplaats op eigen terrein. De raad heeft verder toegelicht dat de afdeling Ruimtelijk Beheer bezig is met een bredere analyse van de verkeers- en parkeersituatie in de omgeving. Maar dat staat los van de beoordeling die in het kader van dit besluit tot wijziging is gemaakt.

4.2. In paragraaf 6.6.2 van de motivering van het besluit tot wijziging wordt door de raad toegelicht hoe rekening is gehouden met de verkeersgeneratie van de voorziene ontwikkeling. De raad heeft de verkeersgeneratie als gevolg van de nieuwe situatie berekend. De verwachte verkeersgeneratie bedraagt 22,4 extra verkeersbewegingen per weekdag. De raad licht toe dat de toevoeging van deze verkeersbewegingen nauwelijks waarneembaar is, en dat de Jan Westerlaan deze verkeersbewegingen kan verwerken op een veilige manier.

4.3. De Afdeling overweegt dat bij het mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling door het wijzigen van een omgevingsplan bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening hoeft te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte door de komst van die ruimtelijke ontwikkeling. Dat betekent dat een bestaand tekort aan parkeerplaatsen, als dat er al zou zijn, niet door het besluit tot wijziging hoeft te worden opgelost. De Afdeling overweegt verder dat het besluit tot wijziging in meer parkeerplaatsen voorziet dan de parkeerbehoefte van de woningen. Dat is door [appellant] ook niet betwist. Daarnaast verdwijnen er, anders dan [appellant] betoogt, geen parkeerplaatsen door de beoogde ontwikkeling. De Afdeling ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de parkeerdruk zal toenemen door het besluit tot wijziging. Mochten de toekomstige bewoners laadvoorzieningen bij hun woning plaatsen of mochten enkele openbare parkeerplaatsen gereserveerd worden voor laadvoorzieningen, zal dat, gelet op het ruime aantal parkeerplaatsen dat mogelijk wordt gemaakt, ook niet leiden tot een tekort aan parkeerplaatsen.

Ook ziet de Afdeling geen aanknopingspunten dat het besluit tot wijziging zal leiden tot verkeersonveilige situaties. Zoals blijkt uit de motivering van het besluit tot wijziging, zorgt de komst van de vier woningen voor een nauwelijks waarneembare toename van verkeersbewegingen. [appellant] heeft verder niet geconcretiseerd waarom dit leidt tot verkeersonveilige situaties. Dat de verkeersveiligheid rondom de basisschool in ruime zin de aandacht heeft, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat de verkeersgeneratie die ontstaat door de vier woningen daar geen waarneembare invloed op heeft. Voor zover [appellant] nog heeft gewezen op de mogelijkheid dat groenstroken en een voetgangerspad aan de Bentlagestraat zullen verdwijnen, stelt de Afdeling vast dat het besluit tot wijziging niet daarop ziet. Daarom kan dit niet de rechtmatigheid van het besluit tot wijziging aantasten.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het besluit tot wijziging voorziet in voldoende parkeergelegenheid en dat geen onaanvaardbare verkeerssituatie zal ontstaan als gevolg van het besluit tot wijziging.

Het betoog slaagt niet.

Afzonderlijk beoordeeld?

5. [appellant] betoogt dat de locatie Jan Westerlaan 1 ten onrechte onderdeel is gemaakt van het raadsbesluit waarbij voor negen verschillende locaties besluiten tot wijziging zijn vastgesteld. Volgens hem verschilt deze locatie van de overige locaties die in dat besluit zijn opgenomen en had de wijziging voor deze locatie afzonderlijk beoordeeld moeten worden.

5.1. De Afdeling stelt vast dat voor alle negen locaties waar de raad woningbouw mogelijk maakt een besluit tot wijziging van het omgevingsplan is vastgesteld. Zoals de raad ook heeft toegelicht, heeft voor elke locatie afzonderlijk een planologische beoordeling plaatsgevonden en is voor elke locatie afzonderlijk een besluit tot wijziging van het omgevingsplan genomen. Dat tijdens de raadsvergadering van 26 februari 2025 over alle negen besluiten tot wijziging is gestemd, maakt niet dat het besluit tot wijziging niet afzonderlijk is beoordeeld.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond.

7. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Perlot, griffier.

w.g. Besselink

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Perlot

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

952-1195

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.S. Perlot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand