202505449/1/A2.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Rotterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 september 2025 in zaak nr. 25/906 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 6 december 2024 heeft de minister het verzoek om schadevergoeding van [appellant] afgewezen.
Bij uitspraak van 2 september 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
[appellant]heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 september 2026, waar [appellant] en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. I.A. Huppertz en mr. M. Baarslag-Clement, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.
Inleiding
2. De minister heeft [appellant] laten weten dat zijn persoonsgegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) waren geregistreerd. [appellant] heeft de minister vervolgens verzocht om schadevergoeding vanwege de onrechtmatige FSV-registratie. Hij stelt daardoor materiële en immateriële schade te hebben geleden.
3. De minister heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen. [appellant]heeft met de door hem overgelegde gegevens onvoldoende onderbouwd dat hij schade heeft geleden en hoe hoog die schade is. Ook heeft hij niet aangetoond dat de gestelde schade het gevolg is van de FSV-registratie.
Uitspraak van de rechtbank
4. Volgens de rechtbank is op het verzoek van [appellant]op grond van artikel V, tweede lid, van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Wns) het recht van toepassing zoals dat voor 1 juli 2013 gold. De door [appellant]gestelde schade is namelijk veroorzaakt door handelen van de Belastingdienst of de Dienst Toeslagen. Onder toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (oud) is de bestuursrechter in een zaak als deze niet bevoegd om een oordeel te geven over het verzoek van [appellant], omdat het een beroep tegen een zuiver schadebesluit betreft. Dit is slechts anders als de rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de gestelde schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. [appellant]heeft echter verzocht om schadevergoeding vanwege de onrechtmatige registratie van zijn persoonsgegevens. Dit is een feitelijke handeling en geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De bestuursrechter is daarom niet bevoegd een oordeel te geven over de rechtmatigheid van beslissingen van de minister over vergoeding van schade veroorzaakt door feitelijk handelen. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd om over het schadeverzoek te oordelen, aldus de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
5. [appellant]betoogt dat de rechtbank niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zij onbevoegd is. Zij is ten onrechte voorbij gegaan aan de door hem in beroep aangevoerde (inhoudelijke) gronden die gaan over het verzoek om schadevergoeding.
5.1. Artikel V, tweede lid, van de Wns bepaalt dat titel 8.4 van de Awb niet van toepassing is op schade, veroorzaakt door besluiten of andere handelingen van de Dienst Toeslagen of andere bestuursorganen, voor zover genomen of verricht in het kader van aan de Belastingdienst opgedragen taken. Dit doet zich in deze procedure voor. De rechtbank heeft dus terecht het verzoek om schadevergoeding onder toepassing van artikel 8:73 van de Awb (oud) beoordeeld. De Afdeling verwijst naar uitspraken van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2891, onder 14-22 en 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5890, onder 5.1). In wat [appellant]verder heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de FSV-registratie een besluit is. De rechtbank heeft zich dus terecht onbevoegd verklaard om over het verzoek om schadevergoeding te oordelen. Dit betekent dat zij niet kon oordelen over de gronden van [appellant]die gaan over gestelde geleden schade door de FSV-registratie. Daartoe is de burgerlijke rechter bevoegd. Het betoog slaagt niet.
5.2. Er is gelet op het voorgaande geen aanleiding de onderliggende stukken bij de minister op te vragen die betrekking hebben op de door [appellant]gestelde schade.
Prejudiciële vraag
6. [appellant]heeft verzocht om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen, maar heeft niet toegelicht waarop een eventuele vraag gericht zou moeten zijn. Ook roept het (hoger)beroepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht. De Afdeling is daarom niet gehouden om zich krachtens artikel 267, derde alinea, VWEU tot het Hof te wenden (arresten van het Hof van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 51 en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 20 en 24).
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
8. De minister hoeft niet de proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.T.J. van de Voort, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Voort
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
1062
BIJLAGE
WETTELIJK KADER
Algemene wet bestuursrecht (oud)
Artikel 1:3
1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
[…].
Artikel 8:73
1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, kan hij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt.
[…].
Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten
Artikel V
[…].
2. Op schade, veroorzaakt door besluiten of andere handelingen van de Dienst Toeslagen of van andere bestuursorganen voor zover genomen of verricht in het kader van aan de Belastingdienst opgedragen taken, met uitzondering van besluiten en andere handelingen ter uitvoering van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, is titel 8.4 van de Algemene wet bestuursrecht eerst van toepassing met ingang van vijf jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdeel A.
[…].