ECLI:NL:RVS:2026:5794

ECLI:NL:RVS:2026:5794

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 202505942/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 27 maart 2025 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Delft een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellant] woont met zijn partner en kind in een flatwoning op de tweede verdieping. Hij heeft een urgentieverklaring aangevraagd, omdat de huidige woning niet passend is gelet op zijn lichamelijke en psychische klachten. De woning is te klein, waardoor hij wordt beperkt in zijn bewegingsruimte en de woning is alleen bereikbaar door eerst twee trappen op te lopen. Door een zeldzame ziekte die de druk in de hersenen verhoogt, knieproblemen en meerdere medische complicaties bestaat er noodzaak tot verhuizing. In hoger beroep is alleen nog in geschil of het college, in het kader van het toepassen van de hardheidsclausule, nader medisch onderzoek door een onafhankelijke arts had moeten laten doen.

Uitspraak

202505942/1/A2.

Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Delft,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2025 in zaak nr. 25/5197 en 25/5713 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2025 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 14 augustus 2025 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 oktober 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.J. de Kaste, advocaat in Amersfoort, en het college, vertegenwoordigd door V. Chedi zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] woont met zijn partner en kind in een flatwoning op de tweede verdieping. Hij heeft een urgentieverklaring aangevraagd, omdat de huidige woning niet passend is gelet op zijn lichamelijke en psychische klachten. De woning is te klein, waardoor hij wordt beperkt in zijn bewegingsruimte en de woning is alleen bereikbaar door eerst twee trappen op te lopen. Door een zeldzame ziekte die de druk in de hersenen verhoogt, knieproblemen en meerdere medische complicaties bestaat er noodzaak tot verhuizing.

2. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 27 maart 2025 heeft het college de aanvraag van [appellant] afgewezen, op grond van meerdere weigeringsgronden genoemd in artikel 4:5 van de Huisvestingsverordening Delft 2023 (de Verordening). Omdat er meerdere weigeringsgronden van toepassing zijn, is het college niet toegekomen aan de beoordeling van de sociale en medische omstandigheden van [appellant]. Het college heeft de hardheidsclausule van artikel 7:3 van de Verordening niet toegepast, omdat de situatie van [appellant], volgens het college, zich niet zodanig onderscheidt van die van andere woningzoekenden in de regio dat aan hem met voorrang boven deze andere woningzoekenden een urgentieverklaring moet worden toegekend.

3. [appellant] heeft op 11 augustus 2025 verzocht om een voorlopige voorziening, omdat hij een knieoperatie in het verschiet had. Voor het herstel is rust, mobiliteit, en een valveilige woonomgeving vereist. Hij zal ook begeleiding en toezicht nodig hebben. [appellant] heeft de voorzieningenrechter daarom verzocht om onverwijlde toewijzing van een tijdelijke, veilige woonruimte waarin hij kan herstellen en het college te verplichten om een onafhankelijk medisch onderzoek te laten verrichten naar de geschiktheid van de huidige woning voor postoperatief herstel.

Uitspraak van de rechtbank

4. Ondanks het feit dat de knieoperatie is uitgesteld, heeft de voorzieningenrechter voldoende aanknopingspunten gezien voor de stelling dat de medische situatie van [appellant] zodanig is dat redelijkerwijs niet van hem kon worden verwacht dat hij de uitspraak op het door hem ingestelde beroep moest afwachten. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat er spoedeisend belang was en heeft op het beroep beslist.

5. Het college heeft terecht gesteld dat een te kleine woning niet kan worden aangemerkt als een urgent huisvestingsprobleem. De woning was ook al te klein toen [appellant] deze op 17 januari 2022 betrok. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn medische situatie gedurende de tijd dat hij de woning bewoont, is verslechterd. Verder mocht het college [appellant] ook tegenwerpen dat het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of was te voorzien, omdat hij zijn huishouden heeft uitgebreid zonder over daarvoor passende woonruimte te beschikken. Omdat er meerdere weigeringsgronden van toepassing zijn, was het college niet gehouden de urgentieaanvraag op sociale of medische gronden te beoordelen. Verder heeft [appellant] met de overgelegde medische stukken niet onderbouwd dat zijn huisvestingsprobleem dermate schrijnend is dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen en [appellant] in afwijking van het beleid een urgentieverklaring had moeten verlenen. De medische stukken uit 2017 tonen niet aan dat er een causaal verband bestaat tussen de medische problematiek en het huisvestingsprobleem van [appellant]. Het college heeft terecht geen aanleiding hoeven zien om zelf medisch onderzoek in te stellen.

Hoger beroep

6. In hoger beroep is alleen nog in geschil of het college, in het kader van het toepassen van de hardheidsclausule, nader medisch onderzoek door een onafhankelijke arts had moeten laten doen.

6.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er ernstige medische omstandigheden zijn die ten onrechte niet zijn meegewogen door het college. Hij heeft medische stukken overgelegd die aantonen dat een stabiele en veilige woonomgeving medisch gezien noodzakelijk is. Het college heeft zich laten leiden door het advies van een Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)-consulente die wel de noodzaak voor verhuizing heeft erkend, maar niet op korte termijn. Het had op de weg van het college gelegen om zijn medische situatie nader te laten beoordelen door een onafhankelijke arts en bij hem om aanvullende informatie te vragen. Door dit na te laten heeft het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel gehandeld.

6.2. Het college heeft zich op het standpunt gesteld er geen aanleiding bestond om een onafhankelijk medisch onderzoek in te stellen. Daarvoor is namelijk vereist dat [appellant] met medische verklaringen kan aantonen dat er een causaal verband bestaat tussen de medische problematiek en zijn huisvestingsprobleem. Daar is [appellant], volgens het college, niet in geslaagd.

6.3. Uit de medische stukken van het Reinier de Graaf Gasthuis blijkt onder andere dat [appellant] kampt met aanhoudende medische complicaties, waaronder hydrocephalus, wat leidt tot verhoogde intracraniële druk, valneigingen en motorische beperkingen. Omdat hij in het verleden diepveneuze trombose heeft gehad, gebruikt hij structureel antistollingsmedicatie, die het risico op hersenbloedingen bij vallen verhoogt. [appellant] wordt verder beperkt in zijn mobiliteit door een degeneratief knieprobleem, dat bijdraagt aan het risico op vallen. Hij staat op de wachtlijst om aan zijn knie geopereerd te worden. Naast de vele medische complicaties (niet alle hier genoemd) die blijken uit de medische stukken, heeft de begeleider van [appellant] bij KesslerPerspektief de conclusie van de Wmo-consulente - dat er geen noodzaak is om op korte termijn te verhuizen - weerlegd. In het rapport van KesslerPerspektief van 18 januari 2024 wordt de woning als onveilig bestempeld voor [appellant], omdat hij al meerdere keren is gevallen en gestruikeld vanwege de beperkte loopruimte in de woning. Daarnaast is er veel overlast door cannabisgebruik van de buren, waar [appellant] met zijn beperkte longfunctie ziek van wordt.

6.4. Voor toepassing van de hardheidsclausule is niet vereist dat [appellant] zelf aantoont dat een causaal verband bestaat tussen de medische problematiek en het huisvestingsprobleem. Het is voldoende dat hij dat aannemelijk maakt. Het is vervolgens aan het college om zo nodig nader onderzoek te (laten) doen naar de klachten en de impact daarvan op de huisvestingssituatie. De Afdeling is van oordeel dat [appellant] met de overgelegde medische stukken aannemelijk heeft gemaakt dat er een causaal verband bestaat tussen de medische problematiek en het huisvestingsprobleem van [appellant]. Gelet op deze informatie, waarvan de juistheid door het college niet is bestreden, en met name de medische stukken van het Reinier de Graaf Gasthuis en het rapport van KesslerPerspektief, had het college nader medisch onderzoek moeten laten doen om zorgvuldig te kunnen beoordelen of de medische situatie reden is voor toepassing van de hardheidsclausule. Omdat het college dit niet heeft gedaan, is het besluit van 14 augustus 2025 onzorgvuldig tot stand gekomen.

7. Het betoog slaagt.

Conclusie

8. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, verklaart de Afdeling het beroep gegrond en vernietigt zij het besluit van 14 augustus 2025. Het college moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De Afdeling zal daarvoor een termijn stellen.

9. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

10. Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2025 in zaak nr. 25/5197 en 25/5713;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 14 augustus 2025 met kenmerk 6157679;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Delft op om binnen tien weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Delft tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.068,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Delft aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 483,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Borman

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Loon

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

284-1112

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. O. van Loon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand