202505115/1/A2.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 21 augustus 2025 in zaak nr. 25/359 in het geding tussen:
[appellante]
en
Dienst Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 13 september 2024 heeft de Dienst Toeslagen het kindgebonden budget van [appellante] over 2023 definitief berekend, vastgesteld op nihil en het betaalde voorschot inclusief rente van € 2.487,00 teruggevorderd.
Bij besluit van 24 december 2024 heeft de Dienst Toeslagen het daartegen door [appellante] ingestelde bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 21 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door Q. Eijkman, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. De Dienst Toeslagen heeft aan [appellante] voor het jaar 2023 een voorschot kindgebonden budget verleend van € 2.468,00. Bij het vaststellen van het voorschot is de Dienst Toeslagen uitgegaan van een geschat inkomen van € 70.000,00 en een vermogen van nihil.
2. De Dienst Toeslagen heeft op 3 juni 2024 een melding ontvangen vanuit de Basisregistratie Inkomen dat de inspecteur van de Belastingdienst het toetsingsinkomen van [appellante] over 2023 heeft vastgesteld op € 90.444,00 en de rendementsgrondslag op € 235.129,00. Op basis van deze gegevens heeft de Dienst Toeslagen het kindgebonden budget voor het jaar 2023 definitief bepaald op nihil en van [appellante] een bedrag van € 2.487,00 inclusief € 19,00 rente aan teveel ontvangen voorschot teruggevorderd. De Dienst Toeslagen heeft dit besluit in bezwaar gehandhaafd.
3. Nadat [appellante] daartegen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank, heeft zij de rechtbank verzocht om het geschil via mediation op te lossen. De rechtbank heeft deze zaak verwezen naar het mediationbureau van de rechtbank. Omdat het aanbod tot mediation door de Dienst Toeslagen niet is geaccepteerd, heeft de mediationfunctionaris de rechtbank meegedeeld dat het mediationtraject niet is gestart. De rechtbank heeft partijen daarna geïnformeerd dat het onderzoek op de zitting doorgang zou vinden.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen het door [appellante] voor het jaar 2023 teveel ontvangen voorschot kindgebonden budget terecht heeft teruggevorderd. Dat de Dienst Toeslagen het aanbod tot mediation niet heeft geaccepteerd, betekent niet dat de Dienst Toeslagen het fair-playbeginsel heeft geschonden. Hoewel de rechtbank begrijpt dat [appellante] betreurt dat het mediationtraject niet is opgestart, is de Dienst Toeslagen niet verplicht om een aanbod tot mediation te accepteren.
Hoger beroep en oordeel van de Afdeling
5. [appellante] betoogt in hoger beroep alleen nog dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op haar betoog dat de Dienst Toeslagen niet heeft gemotiveerd waarom hij het aanbod tot mediation niet heeft geaccepteerd. De Dienst Toeslagen had inzichtelijk moeten maken waarom in dit geval mediation niet passend of wenselijk was, aldus [appellante].
5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Dienst Toeslagen niet verplicht is om aan mediation mee te werken. Mediation kenmerkt zich door de vrijwillige basis waarop partijen aan een mediationtraject deelnemen. Het niet accepteren van mediation is bovendien geen besluit, als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat dient te berusten op een deugdelijke motivering. De mededeling van de Dienst Toeslagen dat het de uitnodiging voor het mediationtraject niet accepteert, is een mededeling van informatieve aard en heeft geen rechtsgevolg. Gelet hierop hoeft de Dienst Toeslagen niet te motiveren waarom mediation in een voorkomend geval niet passend of wenselijk is.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J.Q. Oskam, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Oskam
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
1067