ECLI:NL:RVS:2026:5797

ECLI:NL:RVS:2026:5797

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 202501380/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 25 november 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning voor het verbouwen van de woning op het perceel [locatie] in Haarlem buiten behandeling gesteld. [appellant] wil zijn woning verbouwen om daarvan twee woningen te maken. Het bouwplan bestaat uit het bouwen van een dakopbouw in het achterdakvlak van de woning en een dakopbouw op het dakterras, zodat daarop een nieuwe woning komt ter hoogte van de tweede verdieping. Het is de bedoeling dat de dochter van [appellant], die hem mantelzorg verleent, in de nieuwe woning komt wonen. [appellant] heeft twee keer een omgevingsvergunning voor het bouwplan aangevraagd. De eerste keer heeft het college de aanvraag buiten behandeling gelaten, omdat de aanvraag volgens het college niet compleet was. De tweede keer heeft het college een inhoudelijk besluit op de aanvraag genomen. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd, omdat de gewijzigde goothoogte van het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en vanwege het ontbreken van een parkeerplaats en verdere afspraken daarover. Ook is het college niet bereid om van het bestemmingsplan af te wijken om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen.

Uitspraak

202501380/1/R1.

Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Haarlem,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 7 februari 2025 in zaak nrs. 23/5520 en 24/665 in het geding tussen:

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2022 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning voor het verbouwen van de woning op het perceel [locatie] in Haarlem buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 18 juli 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit in stand gelaten.

Bij besluit van 5 mei 2023 heeft het college geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het verbouwen van de woning op het perceel [locatie] in Haarlem.

Bij besluit van 17 januari 2024 heeft het college naar aanleiding van het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar het besluit van 5 mei 2023 in stand gelaten en de motivering daarvan aangepast.

Bij uitspraak van 7 februari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 18 juli 2023 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 17 januari 2024 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 september 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.E. van Gilst, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvragen om een omgevingsvergunning zijn ingediend op 5 oktober 2022 en 23 februari 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. [appellant] wil zijn woning verbouwen om daarvan twee woningen te maken. Het bouwplan bestaat uit het bouwen van een dakopbouw in het achterdakvlak van de woning en een dakopbouw op het dakterras, zodat daarop een nieuwe woning komt ter hoogte van de tweede verdieping. Het is de bedoeling dat de dochter van [appellant], die hem mantelzorg verleent, in de nieuwe woning komt wonen. [appellant] heeft twee keer een omgevingsvergunning voor het bouwplan aangevraagd. De eerste keer heeft het college de aanvraag buiten behandeling gelaten, omdat de aanvraag volgens het college niet compleet was. De tweede keer heeft het college een inhoudelijk besluit op de aanvraag genomen. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd, omdat de gewijzigde goothoogte van het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en vanwege het ontbreken van een parkeerplaats en verdere afspraken daarover. Ook is het college niet bereid om van het bestemmingsplan af te wijken om de omgevingsvergunning te kunnen verlenen. [appellant] vindt dat het college de eerste aanvraag inhoudelijk had moeten behandelen en dat de rechtbank daarover ten onrechte geen oordeel heeft gegeven. Bovendien is er volgens [appellant] geen strijd met het bestemmingsplan, zodat er een omgevingsvergunning verleend had moeten worden. De rechtbank deelt de conclusie van het college dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. [appellant] is het daarmee niet eens.

3. Tussen partijen is niet in geschil dat beide aanvragen voor de omgevingsvergunning gelijk zijn. De aanvraag ziet op de activiteit "bouwen".

4. Ter plaatse geldt, voor zover hier van belang, het bestemmingsplan "Van Tubergen". Daarin heeft het perceel, voor zover hier van belang, de bestemmingen "Wonen" en "Waarde - Beschermd stadsgezicht" met de aanduidingen "maximum bouwhoogte" en "maximum goothoogte". Ook geldt het bestemmingsplan "Parapluplan parkeernormen Haarlem 2018".

Beoordeling van de buitenbehandelingstelling

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens [appellant] heeft hij er recht op om een oordeel te krijgen over de vraag of het college zijn aanvraag buiten behandeling mocht laten. [appellant] stelt dat zijn aanvraag compleet was en in overeenstemming was met het bestemmingsplan, zodat de omgevingsvergunning verleend moest worden.

5.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. Alleen de eventueel principiële betekenis van een uitspraak is geen reden om toch inhoudelijk uitspraak te doen. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] geen procesbelang heeft bij een oordeel over het besluit van 18 juli 2023. De Afdeling kan zich in dat oordeel vinden en zoals de rechtbank dat in overweging 3.4 van de uitspraak heeft overwogen. Anders dan [appellant] stelt, is er geen rechtsregel die bepaalt dat het college geen informatie over het bouwplan mag opvragen voordat de toets aan het bestemmingsplan is afgerond.

Het betoog slaagt niet.

Beoordeling van de weigering van de omgevingsvergunning

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan in strijd is met de planregels. Volgens hem hebben zowel de rechtbank als het college de planregels onjuist uitgelegd en toegepast. De goothoogte wijzigt namelijk niet door realisering van het bouwplan. Het platte dak wordt slechts uitgebreid. De rechtbank heeft volgens [appellant] niet onderkend dat de dakrand van het platte dak niet kan worden aangeduid als goot. Volgens hem moet de aansluiting van de opgetrokken voorgevel met het platte dak als bouwhoogte gekwalificeerd worden. Volgens [appellant] onderschrijven verschillende deskundigen dat de gewijzigde gevel in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Ook wijst hij op verschillende dakkapellen in de omgeving die immers ook niet in strijd zijn met het bestemmingsplan.

6.1. Artikel 15.2, aanhef en onder l, van de planregels bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding "maximale goothoogte - maximale bouwhoogte" binnen de aangegeven maximale goot- en bouwhoogte moet worden gebouwd, waarbij de maximale bouwhoogte grenst aan openbaar gebied.

6.2. Op de verbeelding van het bestemmingsplan staat dat de maximum goothoogte 3 m is. In de planregels is niet nader gedefinieerd wat onder "goothoogte" wordt verstaan. Wel volgt uit artikel 2.1, aanhef en onder d, van de planregels op welke wijze de goothoogte moet worden gemeten. Artikel 2.1, aanhef en onder e, van de planregels bepaalt verder hoe de goothoogte bij gedeeltelijke geveloptrekkingen wordt gemeten. Deze regels luiden als volgt:

In artikel 2.1, aanhef en onder d, van de planregels staat dat de goothoogte van een bouwwerk wordt gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

Artikel 2.1, aanhef en onder e, bepaalt dat indien zich op enige zijde van een gebouw één of meer dakkapellen of gedeeltelijke geveloptrekkingen bevinden waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de gevelbreedte, de hoogte vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel van de dakkapel of geveloptrekking als goothoogte wordt aangemerkt.

6.3. Het bouwplan voorziet erin dat een deel van het schuine dakvlak aan de achterzijde van de woning wordt vervangen door een plat dak. De bestaande regengoot aan de achterzijde blijft ongewijzigd. De bouwhoogte van het platte dak aan de voorzijde van de woning blijft ook ongewijzigd. De totale oppervlakte van het platte dak neemt toe, omdat de beoogde opbouw zal aansluiten op het bestaande platte dak.

6.4. Het college heeft zich in het besluit van 17 januari 2024 op het standpunt gesteld dat de goothoogte door realisering van het bouwplan ter hoogte van de bovenkant van de voorziene dakopbouw komt te liggen. Dat betekent dat de nieuwe goothoogte 8,38 m is, hetgeen aanzienlijk hoger is dan de 3 m die ter plaatse is toegestaan. De rechtbank heeft die lezing van het college gevolgd, zoals uiteengezet onder 7.2.2 van de uitspraak. De Afdeling sluit zich daarbij aan en onderschrijft hetgeen de rechtbank onder 7.2.2 heeft overwogen. Kort en goed komt dat op het volgende neer. Uit artikel 2.1, aanhef en onder d, van de planregels volgt hoe de goothoogte moet worden gemeten. De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018, (ECLI:NL:RVS:2018:3032) terecht overwogen dat daaruit volgt dat niet de plaats waar de goot is aangebracht bepalend is voor de goothoogte, maar de plaats waar het water vanaf druipt of waar een boeiboord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel is aangebracht. In dit geval betekent het dat de goothoogte niet op de plaats van de regengoot onderaan het schuine dak blijft. Vanwege het toegenomen oppervlak van het platte dak in verhouding tot het resterende schuine dakvlak, komt de goothoogte op de plaats van de druiplijn van het platte dak te liggen. Anders dan [appellant] stelt, betekent de aanwezigheid van dakkapellen in de omgeving niet dat de voorgaande uitleg van de planregels onjuist is. In dat verband is relevant dat dakkapellen in het achterdakvlak van een woning onder bepaalde voorwaarden vergunningvrij kunnen worden gerealiseerd. Verder hebben de door [appellant] ingebrachte adviezen niet de waarde die [appellant] daaraan hecht, alleen al omdat daarin niet wordt ingegaan op de door de rechtbank gevolgde redenering.

Het betoog slaagt niet.

7. Op de zitting is gebleken dat er geen grond is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het standpunt van het college dat het niet bereid is om van het bestemmingsplan af te wijken.

Slot en conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.

w.g. Meijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Wijgerde

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

672

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.C.M. Wijgerde

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand