202502741/1/R4.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Utrecht,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 april 2025 in zaak nr. 24/4931 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Utrechtse Heuvelrug.
Procesverloop
Bij besluit van 6 november 2023 heeft het college aan Holland Zorg Beleggingen B.V. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor het verbouwen en uitbreiden van woonzorgcentrum Edelweiss aan de Kortenburglaan 4 in Doorn.
Bij besluit van 5 juni 2024 heeft het college beslist op het door [appellante] tegen het besluit van 6 november 2023 gemaakte bezwaar en dat besluit met aanpassing van de motivering in stand gelaten.
Bij uitspraak van 2 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college en Holland Zorg Beleggingen hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.
[appellante] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 2 september 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.C.H. van de Ven, rechtsbijstandverlener in ’s-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door E.T.E. Kemperman en R. Verschuure, zijn verschenen. Ook is op de zitting Holland Zorg Beleggingen, vertegenwoordigd door [persoon], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 6 oktober 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Woonzorgcentrum Edelweiss, gelegen aan de Kortenburglaan 4 in Doorn, biedt 24-uurs zorg aan ouderen met psychogeriatrische of somatische beperkingen. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor een uitbouw aan de zijkant van het woonzorgcentrum, ten behoeve van het vergroten van één van de bestaande slaapkamers en het realiseren van twee nieuwe badkamers.
[appellante] is eigenaar van het naastgelegen perceel aan de [locatie 1] tot en met [locatie 2]. Zij is het niet eens met de vergunningverlening voor de uitbouw, die aan de kant van haar perceel is voorzien.
Beoordeling hoger beroep
3. [appellante] voert in hoger beroep aan dat de rechtbank haar betoog op de zitting bij de rechtbank dat een evidente privaatrechtelijke belemmering in de weg stond aan verlening van de omgevingsvergunning en de ter onderbouwing daarvan door haar overgelegde tekeningen ten onrechte wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing heeft gelaten. Volgens [appellante] bouwde dit betoog voort op een eerder betoog over de afstand van de uitbouw tot haar perceelsgrens.
Ter onderbouwing van haar betoog dat een evidente privaatrechtelijke belemmering in de weg stond aan verlening van de omgevingsvergunning voert [appellante] aan dat de ramen en deuren van de vergunde uitbouw zich in strijd met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek op minder dan 2 m van haar erfgrens bevinden. Daarbij moet volgens [appellante] in afwijking van de perceelsgrens op de kadastrale kaart de betonnen schutting tussen haar pand en het woonzorgcentrum als gevolg van verjaring worden aangemerkt als de erfgrens.
3.1. De Afdeling stelt vast dat [appellante] in haar beroepschrift weliswaar het standpunt van het college heeft betwist dat de afstand tot haar perceelsgrens na uitbreiding van het woonzorgcentrum met de uitbouw nog altijd circa 2 m is, maar dat standpunt maakte onderdeel uit van de door het college gegeven motivering om ten behoeve van de uitbouw toepassing te geven aan de hardheidsclausule in paragraaf 3.4 van zijn "Beleid planologische afwijkingen". De betwisting van dat standpunt door [appellante] maakte daarmee onderdeel uit van de beroepsgrond dat het college geen deugdelijke motivering heeft gegeven voor toepassing van deze hardheidsclausule. Pas op de zitting bij de rechtbank heeft [appellante] betoogd dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, omdat de uitbouw op minder dan 2 m van de betonnen schutting wordt gebouwd en die schutting inmiddels als gevolg van verjaring de erfgrens vormt. Anders dan [appellante] stelt, bouwde zij met dat betoog niet voort op haar eerdere beroepsgrond over de toepassing van de hardheidsclausule, maar betrof het een nieuwe beroepsgrond. De rechtbank heeft het eerst op zitting naar voren brengen van deze nieuwe beroepsgrond in strijd met de goede procesorde kunnen achten. Het betoog dat de rechtbank deze beroepsgrond ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, faalt dan ook.
3.2. Dit betekent dat de Afdeling niet toekomt aan een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden namelijk niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Dit uitgangspunt geldt ook voor beroepsgronden die door de rechtbank wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing zijn gelaten. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich hier echter niet voor.
3.3. Ook aan een inhoudelijke bespreking van wat [appellante] heeft gesteld over hinder op haar perceel als de uitbouw wordt gerealiseerd en in gebruik genomen, komt de Afdeling niet toe. In de onderbouwing van het hoger beroep is die hinder genoemd, maar enkel als onderdeel van de beroepsgrond over het bestaan van een evidente privaatrechtelijke belemmering.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Grinsven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
462