202506150/1/R4.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Dama dama B.V., gevestigd in Molenlanden,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 november 2025 in zaak nr. 25/2257 in het geding tussen:
Dama dama
en
het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden.
Procesverloop
Dama dama heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college.
Bij uitspraak van 20 november 2025 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van dat beroep kennis te nemen.
Tegen deze uitspraak heeft Dama dama hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Dama dama heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 2 september 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.J. Brakenhoff, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Dama dama heeft op 13 december 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een veldschuur en schuilstal voor schapen op een perceel nabij de Zouwendijk 5 in Ameide, gemeente Vijfheerenlanden. Op 27 maart 2025 heeft Dama dama bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag door het college. De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen, omdat volgens de rechtbank geen sprake is van een met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat Dama dama de aanvraag van 13 december 2022 met een e-mail van 2 februari 2023 heeft ingetrokken en dat Dama dama zich wat die intrekking betreft niet kan beroepen op dwaling.
Dama dama is het hiermee niet eens en heeft daarom hoger beroep ingesteld.
Bespreking hoger beroep
2. Dama dama voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de aanvraag met de e-mail van 2 februari 2023 is ingetrokken. Volgens Dama dama kon een aanvraag om omgevingsvergunning onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) alleen worden ingediend op de wijze als beschreven in artikel 4.2 of artikel 4.3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en geldt datzelfde voor het intrekken van zo’n aanvraag. Een e-mail voldoet niet aan die artikelen, aldus Dama dama. Ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat er volgens haar aan in de weg dat de e-mail van 2 februari 2023 als een (rechtsgeldige) intrekking van de aanvraag wordt aangemerkt, aangezien een elektronische handtekening als bedoeld in artikel 2:18 van de Awb ontbreekt. Verder bevat de e-mail volgens Dama dama te weinig gegevens om als intrekking van de aanvraag te kunnen worden aangemerkt.
2.1. De tekst van de e-mail van 2 februari 2023 luidt als volgt:
"Geachte heer [persoon A],
Op deze wijze zit er niets anders op dan de aanvraag in te trekken. Het geschilpunt of het wegbestemmen via bestemmingsplan kernen wel mogelijk is zal zo nooit beantwoord worden helaas. Bij deze trek ik de aanvraag in.
Met vriendelijke groet,
[persoon B]"
2.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de aanvraag met deze e-mail is ingetrokken.
De rechtbank is er daarbij terecht van uitgegaan dat de Wabo niet in de weg stond aan het intrekken van een aanvraag om omgevingsvergunning door middel van een e-mail. Het klopt allereerst niet, zoals Dama dama stelt, dat een aanvraag onder de Wabo slechts kon worden ingediend op de wijze als beschreven in artikel 4.2 of artikel 4.3 van het Bor. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 20 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:829 (ov. 3.5), waarnaar ook de rechtbank heeft verwezen, waren dat weliswaar de gebruikelijke indieningswijzen, maar kon een aanvraag ook op andere wijze worden gedaan. Het gaat in deze zaak bovendien niet om het indienen van een aanvraag om omgevingsvergunning, maar om het intrekken daarvan. De Wabo noch het Bor bevatten bepalingen over het intrekken van een aanvraag om omgevingsvergunning.
Ook het betoog van Dama dama over het ontbreken van een elektronische handtekening kan niet leiden tot het oordeel dat de e-mail van 2 februari 2023 geen (rechtsgeldige) intrekking van de aanvraag inhoudt. De e-mail van 2 februari 2023 is afkomstig van [persoon B], die in het aanvraagformulier is genoemd als contactpersoon van Dama dama, en gericht aan een ambtenaar van het Team Vergunningen waarmee [persoon B] zowel voor als na de e-mail van 2 februari 2023 heeft gemaild in deze zaak. Er was voor het college geen enkele reden om te betwijfelen dat [persoon B] de e-mail van 2 februari 2023 bevoegdelijk namens Dama dama heeft verstuurd. Overigens blijkt de bevoegdheid van [persoon B] om Dama dama in rechte te vertegenwoordigen expliciet uit de statuten en het KvK-uittreksel die in beroep bij de rechtbank zijn overgelegd.
Op basis van de tekst van de e-mail is ten slotte volstrekt duidelijk dat de e-mail strekt tot intrekking van de aanvraag. Daarvoor behoefde de e-mail geen andere gegevens te bevatten.
Het betoog faalt.
3. Dama dama betoogt subsidiair dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de intrekking van de aanvraag niet het gevolg is geweest van dwaling. Volgens Dama dama heeft het college haar in de brief van 1 februari 2023 die de aanleiding is geweest voor de intrekking onjuist voorgelicht, door zich op het standpunt te stellen dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan en daarvoor slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder º3, van de Wabo omgevingsvergunning kan worden verleend. Volgens Dama dama is het college daarbij uitgegaan van de verkeerde (combinatie van) planregels en verbeelding en is de rechtbank het college daarin ten onrechte gevolgd. Zij bestrijdt het oordeel in overweging 15 van de uitspraak van de rechtbank over de op het perceel toepasselijke planregels en verbeelding.
3.1. In de brief van 1 februari 2023 heeft het college medegedeeld dat uit een nadere beoordeling is gebleken dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan en dat voor afwijking van het bestemmingsplan slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder º3, van de Wabo en de daarbij behorende uitgebreide voorbereidingsprocedure omgevingsvergunning kan worden verleend. Het college heeft in de brief ook aangegeven niet bereid te zijn om mee te werken aan verlening van de omgevingsvergunning en erop gewezen dat voor het volgen van de uitgebreide voorbereidingsprocedure op grond van de legesverordening extra leges verschuldigd zijn. In de brief is verder vermeld dat bij intrekking van de aanvraag vóór 14 februari 2023 geen leges in rekening zullen worden gebracht en na die datum de leges conform de legesverordening.
3.2. Geen van deze mededelingen kan leiden tot een geslaagd beroep op dwaling door Dama dama. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan bij de beoordeling van dit beroep, is daarbij niet van belang of de mededelingen in de brief dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan en dat voor afwijking van het bestemmingsplan slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder º3, van de Wabo omgevingsvergunning kan worden verleend, juist waren. De mededelingen in die brief gaven de inschatting van het college weer over de ingediende aanvraag. Dama dama mocht hier niet zomaar op afgaan. Het was de eigen verantwoordelijkheid van Dama dama om, als zij twijfelde aan de juistheid van die mededelingen en daarover een definitief oordeel had willen krijgen, de vergunningprocedure voort te zetten. Het had voor Dama dama duidelijk moeten zijn dat de consequentie van intrekking van de aanvraag was dat zij dat oordeel niet meer zou krijgen. Uit de zin in de e-mail van 2 februari 2023 "Het geschilpunt of het wegbestemmen via bestemmingsplan kernen wel mogelijk is zal zo nooit beantwoord worden helaas." blijkt dat die consequentie haar ook daadwerkelijk duidelijk was toen zij de aanvraag introk.
Het betoog faalt.
Conclusie
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van de gronden waarop zij rust.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Grinsven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
462