202504490/1/R4.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Dama dama B.V., gevestigd in Molenlanden,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 juni 2025 in zaak nr. 24/3961 in het geding tussen:
Dama dama
en
het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden.
Procesverloop
Dama dama heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het tijdelijk plaatsen van een zogeheten tiny house, voor gebruik als bedrijfswoning, op een perceel nabij de Zouwendijk 5 in Ameide, gemeente Vijfheerenlanden.
Bij besluit van 10 juni 2024 heeft het college beslist op de aanvraag en de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd.
Bij besluit van 15 juli 2024 heeft het college opnieuw beslist op de aanvraag en de gevraagde omgevingsvergunning opnieuw geweigerd.
Bij uitspraak van 26 juni 2025 heeft de rechtbank het beroep van Dama dama tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard, de door het college wegens het niet tijdig nemen van een besluit verschuldigde dwangsom vastgesteld op € 322,00 en het beroep van Dama dama tegen het besluit van 15 juli 2024 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Dama dama hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Dama dama heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 2 september 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.J. Brakenhoff, is verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 20 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Dama dama heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het tijdelijk plaatsen van een tiny house, voor gebruik als bedrijfswoning, op een perceel nabij de Zouwendijk 5 in Ameide. Het college heeft geweigerd om deze omgevingsvergunning te verlenen, omdat een bedrijfswoning volgens het college in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en het college niet bereid is om van het bestemmingsplan af te wijken. De rechtbank heeft deze weigering in stand gelaten, maar wel vastgesteld dat het college niet tijdig op de aanvraag van Dama dama heeft beslist.
Dama dama heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Zij vindt onder meer dat de rechtbank bij de beoordeling of de aanvraag in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan is uitgegaan van de verkeerde (combinatie van) planregels en verbeelding.
3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Bespreking gronden hoger beroep
4. Dama dama betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bouwplan getoetst moet worden aan de regels van het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" voor de bestemming "Agrarisch", in samenhang met de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik". Volgens Dama dama biedt artikel 41 van de regels van het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" geen ruimte om bij de toepassing van die regels uit te gaan van de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik". Volgens Dama dama moet worden uitgegaan van de regels van het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik", in samenhang met de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Zederik". Op die verbeelding is, anders dan op de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik", op de locatie van het bouwplan een bouwvlak opgenomen.
Subsidiair betoogt Dama dama dat, als toch zou moeten worden uitgegaan van de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik", dan ook zou moeten worden uitgegaan van de regels van dat bestemmingsplan.
4.1. De locatie van het bouwplan ligt binnen de plangebieden van alle drie de onder 4 genoemde bestemmingsplannen. Het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" uit 2018, dat onder meer herziene regels voor de ter plaatse geldende bestemming "Agrarisch" bevat, is het meest recente bestemmingsplan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat daarom bij de toetsing van het bouwplan moet worden uitgegaan van de regels van dat bestemmingsplan. Het subsidiaire betoog kan, gelet hierop, in ieder geval niet slagen.
4.2. Voor de vraag welke verbeelding bij de regels van het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" hoort, is artikel 41 van die regels bepalend.
Anders dan waarvan Dama dama uitgaat, volgt uit de tekst van dat artikel niet dat in dit geval moet worden uitgegaan van de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Zederik" uit 2013. Het tweede lid van artikel 41 moet zo worden uitgelegd dat in dit geval moet worden uitgegaan van de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik" uit 2017. De hoofdregel van artikel 41, tweede lid, is weliswaar dat de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Zederik" van toepassing is, maar daarop wordt een uitzondering gemaakt met de zinsnede "voor zover daarin binnen het plangebied van het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’ geen wijziging is aangebracht". Daar staat niet dat de daar bedoelde wijziging in de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Zederik" moet zijn aangebracht in het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" zelf. Er staat enkel dat een wijziging moet zijn aangebracht binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik". De zinsnede moet zo worden gelezen dat de wijziging in de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Zederik" ook kan zijn aangebracht in een tussen dat bestemmingsplan en het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" vastgesteld bestemmingsplan, zoals in dit geval het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik".
4.3. Een uitleg van het tweede lid van artikel 41 waarbij voor de locatie van het bouwplan de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik" geldt, is ook een redelijke uitleg. Op de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Zederik" was op de locatie van het bouwplan nog een bouwvlak opgenomen, maar dat bouwvlak is op de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik" welbewust verwijderd. Vaststaat dat het niet de bedoeling is geweest om met het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" weer te voorzien in een bouwvlak op deze locatie.
Dit betekent dat ook het primaire betoog niet slaagt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bouwplan getoetst moet worden aan de regels van het bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik" voor de bestemming "Agrarisch", in samenhang met de verbeelding van het bestemmingsplan "Herziening Kernen Zederik".
5. Dama dama voert aan dat de rechtbank de door het college op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschuldigde dwangsom onjuist heeft vastgesteld, door ervan uit te gaan dat de periode waarbinnen de dwangsom is verbeurd liep tot het besluit van 10 juni 2024. Volgens Dama dama liep deze periode tot het besluit van 15 juli 2024.
5.1. Dit betoog slaagt niet. Met het besluit van 10 juni 2024 heeft het college alsnog beslist op de aanvraag en vanaf dat moment kon er op grond van artikel 4:17 van de Awb geen dwangsom meer worden verbeurd. Dat het college het besluit van 10 juni 2024 daarna heeft vervangen door het besluit van 15 juli 2024 maakt niet dat in de periode tussen beide besluiten weer een dwangsom is verbeurd. Artikel 4:17 biedt geen ruimte voor een dergelijke berekening van de daarin geregelde dwangsom.
6. Dama dama voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat twee door Dama dama in beroep voorgestelde wijzigingen van het bouwplan niet van ondergeschikte aard zijn. Volgens Dama dama gaat het wel om wijzigingen van ondergeschikte aard en had het college haar in de gelegenheid moeten stellen om de aanvraag in zoverre aan te passen.
6.1. Het college mag en moet zelfs in bepaalde gevallen de indiener van een aanvraag in de gelegenheid stellen om zijn aanvraag te wijzigen. Het doel daarvan is dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van de omgevingsvergunning worden weggenomen. Dat moet beperkt blijven tot wijzigingen van ondergeschikte aard, want daarvoor is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling geen nieuwe aanvraag vereist. De vraag of een wijziging van ondergeschikte aard is, moet per concreet geval worden beantwoord. Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zo ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, dan moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend.
6.2. Dama dama heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning volgens haar wel verleend kan worden als de locatie van het bouwplan wordt verplaatst en in plaats van een bedrijfswoning een recreatiewoning wordt gebouwd. De rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat deze verplaatsing en verandering van de aard van de woning niet kunnen worden aangemerkt als wijziging van ondergeschikte aard. Dit betekent dat Dama dama voor dit gewijzigde bouwplan een nieuwe aanvraag om omgevingsvergunning moet indienen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.
w.g. Van Gastel
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Grinsven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
462
Bijlage
Algemene wet bestuursrecht
4:17
1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.
3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.
4. Beroep tegen het niet tijdig geven van de beschikking schort de dwangsom niet op.
[…]
Bestemmingsplan "Reparatieplan Buitengebied Zederik"
Artikel 41 Overige regels
41.1 Wijzigen van de verbeelding
Dit bestemmingsplan, zoals vervat in het GML bestand NL.IMRO.0707.BPZDRREPBUITENGEB-VG01 wijzigt op onderdelen de verbeelding van: het bestemmingsplan Buitengebied Zederik, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Zederik op 24 juni 2013 en zoals vervat in het gml bestand NL.IMRO.0707.BPBuitengebiedZDR-VG01.
41.2 Verbeelding bestemmingsplan Buitengebied van toepassing
De verbeelding van het bestemmingsplan Buitengebied Zederik, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Zederik op 24 juni 2013 en zoals vervat in het gml bestand NL.IMRO.0707.BPBuitengebiedZDR-VG01 is onverkort van toepassing, voor zover daarin binnen het plangebied van het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’ geen wijziging is aangebracht, de wijzigingen die betrekking hebben op het toekennen van een dubbelbestemming Waarde - Archeologie, de dubbelbestemming Waterstaat - Waterhuishoudkundige en waterstaatkundige functie en de aanduidingsvlakken ‘veiligheidszone - bevi en ‘veiligheidszone - lpg’ buiten beschouwing gehouden.
41.3 Reparatieplan van toepassing
Het Reparatieplan is niet alleen van kracht als aanvulling op het vigerende bestemmingsplan Buitengebied, maar ook voor alle wijzigingsplannen en herzieningen in dit plangebied.