202201923/6/R3.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend in Schiermonnikoog,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Schiermonnikoog,
3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend in Schiermonnikoog,
4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], beiden wonend in Schiermonnikoog,
5. [appellant sub 5], wonend in Schiermonnikoog,
6. [appellant sub 6], wonend in [woonplaats], en anderen,
7. [appellant sub 7A], wonend in [woonplaats], en [appellant sub 7B], wonend in Schiermonnikoog,
8. [appellant sub 8], wonend in Schiermonnikoog, en anderen,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Schiermonnikoog,
verweerder.
Procesverloop
Bij uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5623, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van die uitspraak de daarin genoemde gebreken in het besluit van 16 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" te herstellen.
Bij besluit van 21 april 2026 heeft de raad het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" gewijzigd vastgesteld. [appellanten sub 1], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 5] en [appellanten sub 7] hebben een zienswijze over dit gewijzigde bestemmingsplan naar voren gebracht.
[appellant sub 8] en anderen hebben beroep ingesteld tegen het op 21 april 2026 vastgestelde bestemmingsplan.
De raad heeft naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 8] en anderen en de zienswijze van [appellanten sub 1] een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) (de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak op een nadere zitting behandeld op 8 september 2026, waar zijn verschenen [appellant sub 1A], mede als gemachtigde van [appellant sub 8] en anderen, namens wie ook [appellant sub 6] is verschenen, en de raad, vertegenwoordigd door H. de Muinck.
Overwegingen
Opmerking vooraf
1. Op de zitting heeft [appellant sub 1A] twijfels geuit over de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog en de heer De Muinck, werkzaam bij de gemeente Schiermonnikoog, tot het voeren van verweer namens de raad. Op dit punt wijst de Afdeling erop dat het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder e, van de Gemeentewet bevoegd is om namens de raad beroepsprocedures te voeren, tenzij de raad, voor zover het de raad aangaat, anders beslist. Hiervan is niet gebleken. De Muinck heeft daarnaast op de zitting een machtiging overgelegd, waarin het college van burgemeester en wethouders hem heeft gemachtigd om op de zitting het woord te voeren. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat in deze procedure onbevoegd zou zijn gehandeld.
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
2. Zoals in de tussenuitspraak onder 6 is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.
De tussenuitspraak en het herstelbesluit van 21 april 2026
3. Bij besluit van 15 februari 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" voor het eerst vastgesteld. Terwijl daartegen beroep was ingesteld bij de Afdeling, heeft de raad op 16 juli 2024 het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" opnieuw gewijzigd vastgesteld. Onder 9.10.1, 10.4.2, 11.4, 15.5 en 21.2 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling verschillende gebreken geconstateerd in het besluit van 16 juli 2024. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen deze gebreken te herstellen.
4. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" bij besluit van 21 april 2026 opnieuw gewijzigd vastgesteld.
Hierna zal de Afdeling per appellant ingaan op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, de wijze waarop de raad deze gebreken heeft beoogd te herstellen en de eventuele zienswijzen die naar aanleiding van het herstelbesluit zijn ingediend.
[appellanten sub 1]
De gebreken die zijn geconstateerd in de tussenuitspraak
5. In de tussenuitspraak zijn onder 21 en verder de beroepsgronden van [appellanten sub 1] beoordeeld over de vraag of hun woning op de locatie [locatie 1] als zodanig was bestemd.
De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 21.2 vastgesteld dat in zowel het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan als in het herstelbesluit van 16 juli 2024 sprake was van een gebrek, omdat het hoofdgebouw van de woning van [appellanten sub 1] niet geheel binnen het bouwvlak lag, terwijl de planregels voor de aan deze woning toegekende bestemming "Wonen" wel vereisten dat hoofdgebouwen binnen het bouwvlak dienden te worden gebouwd.
Ook heeft de Afdeling een gebrek geconstateerd wat betreft de aanbouw bij de woning van [appellanten sub 1], die ook buiten het bouwvlak was gesitueerd. De planregels vereisten dat bijbehorende bouwwerken in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt dienden te zijn aan het hoofdgebouw. Van deze functionele ondergeschiktheid was wat betreft de aanbouw bij de woning van [appellanten sub 1] echter geen sprake, zo is in de tussenuitspraak overwogen.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van [appellanten sub 1] gericht tegen de op 15 februari 2022 en op 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplannen "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" gegrond is. Deze besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de locatie [locatie 1] in Schiermonnikoog.
De aanpassingen in het herstelbesluit van 21 april 2026
6. Met het herstelbesluit van 21 april 2026 heeft de raad naar aanleiding van het beroep van [appellanten sub 1] de volgende aanpassingen in het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" doorgevoerd:
1. de begripsomschrijving van aangebouwd bijbehorend bouwwerk zoals dat was opgenomen in artikel 1.6 van de planregels van het op 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplan is vervallen;
2. de begripsomschrijving van bijbehorend bouwwerk in artikel 1.21 van de planregels is als volgt gewijzigd:
oude begripsomschrijving van bijbehorend bouwwerk opgenomen in artikel 1.21 van de planregels van het op 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplan:
"a. indien sprake van een bijbehorend bouwwerk in de bestemming Tuin - Overtuin: een functioneel met een hoofdgebouw verbonden gebouw dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw behorende bij de door middel van de figuur 'relatie' gekoppelde percelen, zoals weergeven in Bijlage 5 bij de regels opgenomen kaart Overtuinen;
b. indien sprake van een bijbehorend bouwwerk in overige bestemmingen: een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden gebouw dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw";
nieuwe begripsomschrijving van bijbehorend bouwwerk opgenomen in artikel 1.21 van de planregels van het op 21 april 2026 vastgestelde bestemmingsplan:
"a. indien sprake van een bijbehorend bouwwerk in de bestemming Tuin - Overtuin: een functioneel met een hoofdgebouw verbonden gebouw dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw behorende bij de door middel van de figuur 'relatie' gekoppelde percelen, zoals weergeven in Bijlage 5 bij de regels opgenomen kaart Overtuinen;
b. indien sprake van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk in overige bestemmingen: een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden gebouw dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
c. indien sprake van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk in de bestemming Wonen: een functioneel met een hoofdgebouw verbonden en daaraan aangebouwd gebouw dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;
d. indien sprake van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk in overige bestemmingen: een functioneel met een hoofdgebouw verbonden en daaraan aangebouwd gebouw dat in architectonisch en functioneel opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw";
3. de begripsomschrijving van hoofdgebouw opgenomen in artikel 1.44 van de planregels is als volgt gewijzigd:
oude begripsomschrijving van hoofdgebouw opgenomen in artikel 1.44 van de planregels van het op 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplan:
"een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is";
nieuwe begripsomschrijving van hoofdgebouw opgenomen in artikel 1.44 van de planregels van het op 21 april 2026 vastgestelde bestemmingsplan:
"een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is, met dien verstande dat binnen de bestemming Wonen een gebouw uitsluitend als hoofdgebouw wordt aangemerkt voor zover dit gelegen is binnen een bouwvlak";
4. tot slot is de begrenzing van het bouwvlak ter plaatse van de locatie [locatie 1] in Schiermonnikoog op de verbeelding bij het op het 21 april 2026 vastgestelde bestemmingsplan aangepast.
De zienswijze van [appellanten sub 1]
7. De Afdeling stelt voorop dat zij, zoals hiervoor onder 5 is overwogen, de raad in de tussenuitspraak opdracht heeft gegeven de volgende twee aanpassingen in het bestemmingsplan door te voeren:
- aanpassing van het bouwvlak ter plaatse van de woning van [appellanten sub 1];
- aanpassing van de planregels in die zin dat wat betreft het aangebouwde bijbehorende bouwwerk bij de woning van [appellanten sub 1] niet langer is vereist dat het gebruik hiervan functioneel ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw.
8. Zoals hiervoor onder 6 is overwogen, heeft de raad met het herstelbesluit van 21 april 2026 naar aanleiding van het beroep van [appellanten sub 1] verschillende aanpassingen doorgevoerd in het bestemmingsplan.
Zo is het bouwvlak ter plaatse van de woning van [appellanten sub 1] aangepast. Op de zitting heeft [appellant sub 1A] bevestigd dat deze aanpassing voor zijn woning correct heeft plaatsgevonden.
Ook is in artikel 1.44 van de planregels de omschrijving van bijbehorend bouwwerk gewijzigd. Deze wijziging heeft tot gevolg dat een binnen de bestemming "Wonen" aan het hoofdgebouw aangebouwd bijbehorend bouwwerk dat architectonisch ondergeschikt is aan het hoofdgebouw ook voor woonfuncties mag worden gebruikt, omdat niet langer is vereist dat het gebruik van dit aangebouwd bijbehorend bouwwerk functioneel ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw. [appellant sub 1A] heeft op de zitting bevestigd dat daarmee het in de tussenuitspraak op dit punt voor zijn woning geconstateerde gebrek is hersteld.
Dit betekent dat de raad de twee in de tussenuitspraak voor het beroep van [appellanten sub 1] geconstateerde gebreken met het herstelbesluit van 21 april 2026 heeft hersteld.
9. [appellanten sub 1] hebben in hun zienswijze weliswaar kritiek geuit op de redactie van de met het herstelbesluit van 21 april 2026 gewijzigde planregels, maar die kritiek ziet op andere woningen in het plangebied, zo blijkt uit wat is besproken op de zitting. [appellant sub 1A] heeft namens verschillende eigenaren van deze andere woningen beroep ingesteld tegen het herstelbesluit van 21 april 2026. Dit beroep wordt in deze uitspraak aangeduid als het beroep van [appellant sub 8] en anderen en wordt hierna vanaf 10 en verder besproken. [appellanten sub 1] kunnen in hun zienswijze gericht tegen het herstelbesluit van 21 april 2026 uitsluitend beroepsgronden naar voren brengen die betrekking hebben op hun eigen woning. Op de zitting is vastgesteld dat voor hun eigen woning de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld. Om die reden moet de Afdeling het op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege ontstane beroep van [appellanten sub 1] gericht tegen het herstelbesluit van 21 april 2026 ongegrond verklaren. Dit betekent dat dit bestemmingsplan wat betreft de aan de woning van [appellanten sub 1] toegekende bestemming "Wonen" met de daarbij behorende planregels in stand blijft.
[appellant sub 8] en anderen
10. [appellant sub 8] en anderen hebben voor het eerst beroep ingesteld tegen het herstelbesluit van 21 april 2026. Hun beroep is ingediend door [appellant sub 1A] als gemachtigde en heeft betrekking op de hiervoor onder 6 bij het beroep van [appellanten sub 1] genoemde wijzigingen in de planregels.
10.1. De Afdeling stelt voorop dat vanwege het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van andere partijen niet kan worden aanvaard dat tegen een herstelbesluit dat hangende de procedure wordt genomen, beroep wordt ingesteld door een belanghebbende die geen beroep heeft ingesteld tegen het eerdere besluit. Dit geldt niet als die belanghebbende door het nieuwe besluit in een nadeliger positie is komen te verkeren of als door gewijzigde feiten of omstandigheden de belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen dat eerdere besluit.
10.2. Op de zitting heeft de Afdeling [appellant sub 1A], als gemachtigde van [appellant sub 8] en anderen, in de gelegenheid gesteld om toe te lichten waarom [appellant sub 8] en anderen door het herstelbesluit van 21 april 2026 in een nadeliger positie zijn gekomen. Op de zitting is gebleken dat [appellant sub 8] en anderen in de kern voor hun woningen een aanpassing van het bouwvlak wensen, net zoals dat is gebeurd voor de woning van [appellanten sub 1]. Op dit punt geldt echter dat, als zij die wens hadden, zij net als [appellanten sub 1] al beroep hadden kunnen en moeten instellen tegen het oorspronkelijk op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp", waarin de bouwvlakken voor hun woningen al waren verkleind in vergelijking met het daarvoor geldende bestemmingsplan. Dat zij dit hebben nagelaten moet voor hun rekening en risico komen. Zoals hiervoor onder 10.1 is toegelicht, kan niet worden aanvaard dat zij deze wens pas voor het eerst naar voren brengen in hun beroep gericht tegen het herstelbesluit van 21 april 2026.
Op de zitting heeft [appellant sub 1A] namens [appellant sub 8] en anderen ook gewezen op de begripsomschrijving van hoofdgebouw, zoals opgenomen in artikel 1.44 van de planregels van het op 21 april 2026 vastgestelde herstelbesluit. In vergelijking met de definitie van hoofdgebouw zoals opgenomen in het daarvoor geldende herstelbesluit van 16 juli 2024, is aan deze definitie de volgende zinssnede toegevoegd: "met dien verstande dat binnen de bestemming Wonen een gebouw uitsluitend als hoofdgebouw wordt aangemerkt voor zover dit gelegen is binnen een bouwvlak". Anders dan [appellant sub 1A] namens [appellant sub 8] en anderen heeft gesteld, is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 8] en anderen door deze wijziging niet zijn benadeeld. Dezelfde zinsnede was ook al opgenomen in de definitie van hoofdgebouw, zoals opgenomen in artikel 1.40 van de planregels van het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp". Die zinssnede was abusievelijk vervallen in het herstelbesluit van 16 juli 2024 en is om die reden weer toegevoegd aan de definitie van hoofdgebouw in de planregels van het herstelbesluit van 21 april 2026. Omdat [appellant sub 8] en anderen destijds geen aanleiding hebben gezien beroep in te stellen naar aanleiding van de definitie van hoofdgebouw, zoals opgenomen in de planregels van het op 15 februari 2022 vastgestelde bestemmingsplan, kunnen zij dit nu niet alsnog doen naar aanleiding van het herstelbesluit van 21 april 2026. Daarbij wijst de Afdeling er ook nog op dat in de eerdere bestemmingsplannen van 15 februari 2022 en 16 juli 2024 in de bouwregels voor de bestemming "Wonen" ook al was bepaald dat hoofdgebouwen binnen het bouwvlak dienen te worden gebouwd. Dit is ongewijzigd met het laatste herstelbesluit van 21 april 2026.
De Afdeling ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 8] en anderen door de overige wijzigingen in de planregels van het herstelbesluit van 21 april 2026 zijn benadeeld. [appellant sub 1A] heeft namens [appellant sub 8] en anderen weliswaar gewezen op de wijzigingen in de definitie van bijbehorend bouwwerk, maar die wijzigingen zijn niet in het nadeel van [appellant sub 8] en anderen. De wijzigingen hebben juist een verruiming van de gebruiksmogelijkheden voor [appellant sub 8] en anderen tot gevolg. Waar in de planregels van het op 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplan immers voor zowel vrijstaande als ook voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming "Wonen" was vereist dat het gebruik hiervan functioneel ondergeschikt moest zijn aan het hoofdgebouw, is deze gebruiksbeperking in de planregels van het herstelbesluit van 21 april 2026 alleen nog gehandhaafd voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming "Wonen". Voor aan het hoofdgebouw aangebouwde en architectonisch ondergeschikte bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming "Wonen" is met het herstelbesluit van 21 april 2026 de gebruiksmogelijkheid verruimd door niet langer te vereisen dat het gebruik daarvan functioneel ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw. Daarmee zijn in deze aangebouwde bijbehorende bouwwerken ook niet functioneel ondergeschikte woonfuncties toegestaan, zoals een keuken of slaapkamer. Dit is een verruiming in het voordeel van [appellant sub 8] en anderen. Niet is gebleken dat zij van deze verruiming ook nadeel kunnen ondervinden.
10.3. De Afdeling concludeert dat zij geen aanknopingspunten ziet om te kunnen oordelen dat [appellant sub 8] en anderen door het herstelbesluit van 21 april 2026 in een nadeliger positie zijn gekomen in vergelijking met wat was geregeld in de daarvoor op 15 februari 2022 en 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplannen "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp". Omdat ook niet is gebleken dat [appellant sub 8] en anderen als gevolg van gewijzigde feiten of omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten niet eerder beroep te hebben ingesteld, concludeert de Afdeling dat [appellant sub 8] en anderen niet pas voor het eerst beroep kunnen instellen tegen het herstelbesluit van 21 april 2026. Hun beroep gericht tegen dit herstelbesluit is daarom niet-ontvankelijk.
[appellant sub 6] en anderen, [appellanten sub 4], [appellanten sub 7] en [appellanten sub 3]: mogelijkheden voor recreatieve bewoning
De gebreken in de tussenuitspraak over de mogelijkheden voor reactieve bewoning
11. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 9.4 en 9.5, 9.10.1, 10.4.2 en 11.4 gebreken geconstateerd die betrekking hebben op de mogelijkheden voor recreatieve bewoning van de volgende woningen:
- [locatie 2], eigendom van [appellant sub 6A], onderdeel van de groep [appellant sub 6] en anderen;
- [locatie 3], eigendom van [appellant sub 6B], onderdeel van de groep [appellant sub 6] en anderen;
- [locatie 4], eigendom van [appellant sub 6C], onderdeel van de groep [appellant sub 6] en anderen;
- [locatie 5], eigendom van [appellant sub 6D], onderdeel van de groep [appellant sub 6] en anderen;
- [locatie 6], eigendom van [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B];
- [locatie 7], eigendom van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B];
- [locatie 8] en [locatie 9] van [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B].
Deze gebreken hebben zowel betrekking op het bestemmingsplan dat op 15 februari 2022 is vastgesteld als ook op het op 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplan. Dit betekent dat de beroepen van [appellant sub 6] en anderen, voor zover ingediend namens [appellant sub 6A], [appellant sub 6B], [appellant sub 6C] en [appellant sub 6D], als ook de beroepen van [appellanten sub 4], [appellanten sub 7] en [appellanten sub 3] gericht tegen de op 15 februari 2022 en 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplannen "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" gegrond zijn. Deze besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de locaties [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 5], [locatie 4], [locatie 6] en [locatie 9], [locatie 7] en [locatie 8]. Daarbij geldt dat voor [locatie 8] deze vernietiging alleen ziet op het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" dat op 15 februari 2022 is vastgesteld. De Afdeling verwijst hierbij terug naar overweging 9.5 van de tussenuitspraak.
De aanpassingen in het herstelbesluit van 21 april 2026
12. Met het herstelbesluit van 21 april 2026 heeft de raad naar aanleiding van de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken met betrekking tot recreatieve bewoning de volgende aanpassingen in het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" doorgevoerd:
1. artikel 28.5.3 van de planregels is aangepast. Dit is gedaan naar aanleiding van overweging 9.10.1 van de tussenuitspraak met als doel dat er één peilmoment geldt wanneer recreatieve bewoning ter plaatse van de aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik 2" niet meer is toegestaan;
2. aan de locatie [locatie 5] is alsnog de aanduiding "overige zone - voorwaardelijke recreatief gebruik" toegekend. Dit is gedaan naar aanleiding van overweging 10.4.2 van de tussenuitspraak;
3. wat betreft de locatie [locatie 9] zijn wijzigingen doorgevoerd op de verbeelding en de planregels, waarmee het toegestane percentage ondergeschikte recreatieve bewoning voor deze locatie is verhoogd naar 48% van het bruto-vloeroppervlak. Dit is gedaan naar aanleiding van overweging 11.4 van de tussenuitspraak.
De ingekomen zienswijzen
13. Van de groep [appellant sub 6] en anderen heeft niemand een zienswijze over het herstelbesluit van 21 april 2026 naar voren gebracht. De Afdeling acht het niet aannemelijk dat zij nog belang hebben bij een vernietiging van dit herstelbesluit, omdat niet is gebleken dat met dat besluit de voor hen in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken niet zouden zijn hersteld. Voor hen is dus geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan tegen het herstelbesluit van 21 april 2026.
14. [appellanten sub 4] hebben wel een zienswijze over het herstelbesluit van 21 april 2026 naar voren gebracht. Zij vermelden in hun zienswijze weliswaar in algemene zin dat zij het niet eens zijn met overwegingen in de tussenuitspraak, maar vermelden daarbij ook te constateren dat de raad met het herstelbesluit van 21 april 2026 in voldoende mate aan de door de Afdeling in de tussenuitspraak gegeven opdracht heeft voldaan en dat zij daarover geen verdere opmerkingen hebben. Zij geven daarmee in feite aan zich met het herstelbesluit van 21 april 2026 te kunnen verenigen, waardoor daartegen voor hen geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is ontstaan.
Daarbij merkt de Afdeling nog op dat de Afdeling behalve in uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, reeds omdat [appellanten sub 4] hun opmerking dat zij het niet eens zijn met de overwegingen uit de tussenuitspraak niet hebben onderbouwd. De Afdeling gaat dan ook uit van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.
15. Ook [appellanten sub 3] hebben een zienswijze naar voren gebracht waarin zij te kennen gegeven dat zij zich met het herstelbesluit van 21 april 2026 kunnen verenigen. Gelet hierop is ook voor hen geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan waarop nog moet worden beslist.
16. [appellanten sub 7] hebben in hun zienswijze die zij naar aanleiding van het herstelbesluit van 21 april 2026 naar voren hebben gebracht, de opmerking geplaatst dat zij bevestigd willen zien dat de regeling die geldt voor gronden met de aanduiding "overige zone - voorwaardelijk recreatief gebruik 2" van toepassing is op hun locatie [locatie 7]. De in artikel 28.5.3 van de planregels opgenomen regeling voor de aanduiding "overige zone - voorwaardelijke recreatief gebruik 2" is van toepassing wanneer aan de desbetreffende locatie de aanduiding "overige zone - voorwaardelijke recreatief gebruik 2" is toegekend. Die aanduiding is toegekend aan de locatie van [appellanten sub 7] aan de [locatie 7], waarmee de in artikel 28.5.3 van de planregels opgenomen regeling voor die locatie van toepassing is. Dit volgt onder meer ook uit overweging 9.47 van de tussenuitspraak.
Omdat [appellanten sub 7] in hun zienswijze verder niet te kennen hebben gegeven zich niet met herstelbesluit van 21 april 2026 te kunnen verenigen, is voor hen tegen dit herstelbesluit geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan waarop nog moet worden beslist.
Conclusie
17. Samengevat geldt dat het beroep van [appellant sub 6] en anderen, voor zover het betreft [appellant sub 6A], [appellant sub 6B], [appellant sub 6C] en [appellant sub 6D], en de beroepen van [appellanten sub 4], [appellanten sub 7] en tot slot [appellanten sub 3] gericht tegen de op 15 februari 2022 en 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplannen "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" gegrond zijn. Voor hen zijn geen beroepen van rechtswege ontstaan tegen het herstelbesluit van 21 april 2026, omdat met dit herstelbesluit aan hun beroepen tegemoet is gekomen. Dat betekent dat het op 21 april 2026 vastgestelde bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" wat betreft de aan hun locaties toegekende bestemming(en) met de daarbij behorende planregels in stand blijft.
Daarbij merkt de Afdeling nog op dat het beroep van [appellant sub 6] en anderen is ingediend namens een groep personen. Van deze personen zijn in deze einduitspraak de beroepen van [appellant sub 6A], [appellant sub 6B], [appellant sub 6C] en [appellant sub 6D] gericht tegen de besluiten van 15 februari 2022 en 16 juli 2024 gegrond verklaard. In de tussenuitspraak is deze gegrondverklaring al uitgesproken voor de tot de groep [appellant sub 6] en anderen behorende personen [appellant sub 6E] en [appellant sub 6F]. Het beroep van [appellant sub 6] en anderen, voor zover ingediend namens andere personen, gericht tegen de besluiten van 15 februari 2022 en 16 juli 2024 is ongegrond.
[appellanten sub 2], [appellant sub 5] en [appellanten sub 4]: terras
Het gebrek in de tussenuitspraak
18. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 15.5 een gebrek geconstateerd wat betreft het terras dat in de op 15 februari 2022 en 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplannen aan de achterzijde van de aan de locatie [locatie 10] toegekende horecabestemming was toegestaan. Dit gebrek is in de tussenuitspraak geconstateerd naar aanleiding van de beroepen van [appellanten sub 2], [appellant sub 5] en [appellanten sub 4].
Hoewel [appellanten sub 2] als eigenaren van de locatie [locatie 3] belang hebben bij de realisatie van het terras, welk belang tegengesteld is aan het belang van [appellant sub 5] en [appellanten sub 4] om in hun woonomgeving gevrijwaard te blijven van de hinder van dit terras, geldt dat het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek naar aanleiding van de beroepen van [appellanten sub 2], [appellant sub 5] en [appellanten sub 4] hetzelfde is. Zo hebben zij allen betoogd dat de mogelijkheid voor het exploiteren van het terras in de planregels ten onrechte is gekoppeld aan een nader afwegingsmoment. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 15.5 deze betogen gevolgd en geconcludeerd dat op dit punt sprake is van een gebrek in de planregels. Om die reden zijn ook de beroepen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 5] gericht tegen de op 15 februari 2022 en op 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplannen "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" gegrond. Dat ook voor [appellanten sub 4] sprake is van een gegrond beroep, is hiervoor onder 11 al overwogen. De besluiten van 15 februari 2022 en 16 juli 2024 dienen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover het betreft de aanduiding "terras" op de gronden bij de locatie [locatie 10].
De aanpassingen in het herstelbesluit van 21 april 2026
19. Met het herstelbesluit van 21 april 2026 heeft de raad naar aanleiding van het in de tussenuitspraak onder 15.5 geconstateerde gebrek de aanduiding terras op de gronden bij de locatie [locatie 10] verwijderd. Ook heeft de raad de oorspronkelijk voor die aanduiding opgenomen planregels verwijderd.
De ingekomen zienswijzen
20. [appellant sub 5] heeft in zijn zienswijze te kennen gegeven dat hij zich met het herstelbesluit van 21 april 2026 kan verenigen. Gelet hierop is ook voor [appellant sub 5] wat betreft dit herstelbesluit geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan waarop nog moet worden beslist.
21. [appellanten sub 2] hebben naar aanleiding van het herstelbesluit van 21 april 2026 geen zienswijze ingediend en dus niet te kennen gegeven dat zij zich niet met het herstelbesluit van 21 april 2026 kunnen verenigen. Dit betekent dat zij geen beroepsgronden tegen dit besluit hebben aangevoerd. Het op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb voor [appellanten sub 2] van rechtswege ontstane beroep tegen het herstelbesluit van 21 april 2026 is ongegrond.
22. Voor [appellanten sub 4] verwijst de Afdeling terug naar wat hiervoor onder 14 over hun zienswijze is overwogen.
Eindconclusie
23. Samengevat geldt wat betreft het herstelbesluit van 21 april 2026 dat het beroep van [appellant sub 8] en anderen tegen dit besluit niet-ontvankelijk is. Voor de overige op het voorblad vermelde appellanten geldt dat tegen het herstelbesluit van 21 april 2026 alleen een beroep van rechtswege is ontstaan voor [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2]. Hun van rechtswege ontstane beroepen zijn, gelet op wat hiervoor onder 7-9 en 21 is overwogen, ongegrond. Voor de andere appellanten is tegen het herstelbesluit geen beroep van rechtswege ontstaan, ofwel omdat zij in de zienswijze te kennen hebben gegeven zich met het herstelbesluit te kunnen verenigen, of wel omdat niet is gebleken dat met het herstelbesluit de in de tussenuitspraak voor desbetreffende appellant geconstateerde gebreken niet zouden zijn hersteld.
Omdat de van rechtswege ontstane beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] gericht tegen het herstelbesluit ongegrond zijn, blijft dit herstelbesluit volledig in stand. Daarmee is dit bestemmingsplan, dat een integraal nieuwe vaststelling vormt en daarmee de eerdere bestemmingsplannen van 5 februari 2022 en 16 juli 2024 heeft vervangen, voor alle appellanten bepalend voor de vraag welke planregels en bestemmingen gelden voor hun gronden.
Proceskosten en griffierecht
24. Voor alle appellanten, met uitzondering van [appellant sub 8] en anderen, geldt dat hun beroepen tegen de op 15 februari 2022 en 16 juli 2024 vastgestelde bestemmingsplannen "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" gegrond zijn. Zij hebben om die reden recht op terugbetaling van het betaalde griffierecht. De Afdeling zal de raad daar in de beslissing van deze uitspraak toe opdragen.
25. Wat betreft de proceskosten geldt dat [appellanten sub 2], [appellanten sub 3], [appellanten sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 6] en anderen zijn bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Om die reden moet de raad de proceskosten van deze appellanten vergoeden. De Afdeling zal de raad daar in de beslissing van deze uitspraak toe opdragen.
[appellanten sub 1] zijn niet bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Zij hebben tijdens de eerste zitting op 22 september 2025 wel een proceskostenformulier overlegd, waarin zij vragen om vergoeding van reis- en overnachtingskosten. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen deze kosten te vergoeden, omdat deze kosten noodzakelijk waren gezien de duur van de zitting op 22 september 2025 en de beperkte mogelijkheid voor [appellanten sub 1] om daarna terug te reizen naar Schiermonnikoog. De Afdeling zal de raad echter opdragen niet het volledige door [appellanten sub 1] gevraagde bedrag aan reis- en overnachtingskosten van € 414,96 te vergoeden. De reden daarvoor is dat de reis- en overnachtingskosten zijn gevraagd voor twee personen, terwijl in geval meerdere personen gezamenlijk één beroepschrift hebben ingediend, in dit geval [appellanten sub 1] gezamenlijk, ten behoeve van maar één van de gezamenlijk procederende appellanten reis- en overnachtingskosten worden toegekend. Van de gevraagde kosten van € 414,96 zijn de hotelkosten van € 173,48 ongeacht het aantal personen. Die kosten komen daarom volledig voor vergoeding in aanmerking. De overige kosten van € 241,48 komen voor de helft voor vergoeding in aanmerking, omdat die kosten zijn gebaseerd op twee personen en maar voor één persoon de kosten worden vergoed, wat neerkomt op € 120,74, namelijk de helft van € 241,48. De totaal aan [appellanten sub 1] te vergoeden reis- en verblijfskosten bedraagt daarmee € 173,48 + € 120,74 = € 294,22.
[appellanten sub 1] hebben ook een proceskostenformulier overgelegd tijdens de tweede zitting, waarin zij vragen om vergoeding van hun reiskosten. De Afdeling kent hiervoor geen vergoeding toe, omdat hun beroep gericht tegen het herstelbesluit van 21 april 2026 ongegrond is.
[appellanten sub 7] hebben geen recht op een proceskostenvergoeding, omdat zij niet zijn bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener en op de zitting ook geen proceskostenformulier hebben overgelegd.
26. [appellant sub 8] en anderen hebben geen recht op terugbetaling van het griffierecht en eventueel gemaakte proceskosten, omdat hun beroep gericht tegen het herstelbesluit van 21 april 2026 niet-ontvankelijk is.
Verzoek om schadevergoeding van [appellant sub 5] vanwege overschrijding van de redelijke termijn
27. [appellant sub 5] heeft in een nader stuk voorafgaand aan de zitting van 22 september 2025 verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Zoals de Afdeling in de tussenuitspraak onder 29 heeft overwogen, wordt op dit verzoek in deze einduitspraak beslist.
27.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellant sub 5], dat door zijn gemachtigde is ingediend, ontvangen op 14 april 2022. Om een overschrijding van de redelijke termijn te voorkomen, had de Afdeling uiterlijk twee jaar later einduitspraak moeten doen. Die termijn is niet gehaald, waarmee [appellant sub 5], overeenkomstig zijn verzoek, recht heeft op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
27.2. Over de hoogte en de toerekening van de schadevergoeding overweegt de Afdeling als volgt.
De tussenuitspraak is gedaan op 19 november 2025. Op dat moment was de redelijke termijn 19 maanden overschreden. Van deze overschrijding moeten 6 maanden worden toegerekend aan de raad. De reden daarvoor is dat de raad voorafgaand aan de zitting die plaatsvond op 22 september 2025 een herstelbesluit heeft genomen op 16 juli 2024, wat een spoedige behandeling van de zaak heeft bemoeilijkt. De overige overschrijding van 13 maanden tot aan de tussenuitspraak moet worden toegerekend aan de Afdeling.
In de tussenuitspraak van 19 november 2025 zijn door de Afdeling verschillende gebreken geconstateerd in de vastgestelde bestemmingsplannen "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp". Daarop heeft de Afdeling een bestuurlijke lus toegepast om de raad de gelegenheid te geven de gebreken te herstellen. Hierdoor is de redelijke termijn met nog meer maanden overschreden dan al het geval was. De overschrijding van de redelijke termijn voor zover die het gevolg is van het toepassen van een bestuurlijke lus om gebreken te herstellen, moet aan het bestuursorgaan worden toegerekend, mits de Afdeling binnen één jaar na ontvangst van het herstelbesluit einduitspraak doet. Dat is het geval, aangezien de Afdeling binnen één jaar na de ontvangst van het herstelbesluit van 21 april 2026 einduitspraak doet. In de periode vanaf de tussenuitspraak tot aan de einduitspraak is de redelijke termijn met nog eens 10 maanden overschreden, welke termijn gelet op voorgaande toelichting volledig aan de raad moet worden toegerekend.
28. Het voorgaande betekent dat de totale termijnoverschrijding 29 maanden bedraagt, namelijk 19 maanden in de periode tot aan de tussenuitspraak en 10 maanden in de periode vanaf de tussenuitspraak tot aan de einduitspraak. Hiervan worden, gelet op wat hiervoor onder 27.2 is overwogen, 16 maanden toegerekend aan de raad, namelijk 6 maanden in de periode voor de tussenuitspraak en 10 maanden in de periode na de tussenuitspraak. De overige 13 maanden overschrijding van voor de tussenuitspraak worden toegerekend aan de Afdeling.
De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Dat betekent dat [appellant sub 5], uitgaande van de hiervoor genoemde overschrijding van 29 maanden, recht heeft op een schadevergoeding voor een overschrijding van de termijn van vijfmaal een halfjaar van steeds € 500, dus € 2.500.
Omdat de overschrijding deels aan de raad en deels aan de Afdeling is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de raad en de Staat. De raad wordt veroordeeld tot betaling aan [appellant sub 5] van 16/29e deel van € 2.500, dus € 1.379,31, en de Staat tot 13/29e deel van € 2.500, dus € 1.120,69.
29. De raad en de Staat worden ieder veroordeeld tot vergoeding van de helft van de proceskosten die [appellant sub 5] heeft gemaakt in verband met de behandeling van zijn verzoek om schadevergoeding.
30. Ten overvloede overweegt de Afdeling nog dat de overige appellanten geen verzoek hebben ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl zij die mogelijkheid wel hadden. Omdat zij geen verzoek om schadevergoeding hebben ingediend, kan aan hen geen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn worden toegekend.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de volgende beroepen tegen de besluiten van de raad van de gemeente Schiermonnikoog van 15 februari 2022 en 16 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" gegrond:
- [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B];
- [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B],
- [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B],
- [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B],
- [appellant sub 5],
- [appellant sub 6] en anderen, voor zover ingediend namens [appellant sub 6A], [appellant sub 6B], [appellant sub 6C] en [appellant sub 6D],
- [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B],
II. vernietigt de onder I. genoemde besluiten, voor zover het betreft:
- het plandeel met de bestemming "Wonen" ter plaatse van de locaties [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 5], [locatie 4], [locatie 6] en [locatie 9], [locatie 7] en [locatie 1] en [locatie 8]. Daarbij geldt dat voor [locatie 8] deze vernietiging alleen ziet op het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" dat op 15 februari 2022 is vastgesteld;
- de aanduiding "terras" op de gronden bij de locatie [locatie 10];
III. verklaart het beroep van [appellant sub 6] en anderen, voor zover ingediend namens andere personen dan [appellant sub 6A], [appellant sub 6B], [appellant sub 6C], [appellant sub 6D], [appellant sub 6E] en [appellant sub 6F], gericht tegen de besluiten van de raad van de gemeente Schiermonnikoog van 15 februari 2022 en 16 juli 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Verbrede reikwijdte Schiermonnikoog - Dorp" ongegrond;
IV. verklaart de van rechtswege ontstane beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Schiermonnikoog van 21 april 2026 ongegrond;
V. verklaart het beroep van [appellant sub 8] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Schiermonnikoog van 21 april 2026 niet-ontvankelijk;
VI. veroordeelt de raad van de gemeente Schiermonnikoog tot vergoeding van bij de hierna vermelde appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten ten bedrage van:
a. € 294,22 aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan,
b. € 1.401,00 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan,
c. 2.802,00 aan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan,
d. € 2.802,00 aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan,
e. € 2.802,00 aan [appellant sub 5], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
f. € 2.335,00 aan [appellant sub 6] en anderen, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan;
VII. gelast dat de raad van de gemeente Schiermonnikoog aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:
a. € 184,00 aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan,
b. € 365,00 aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan,
c. € 184,00 aan [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan,
d. € 184,00 aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan,
e. € 184,00 aan [appellant sub 5],
f. € 184,00 aan [appellant sub 6] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan,
g. € 184,00 aan [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn verplichting heeft voldaan,
VIII. wijst het verzoek om schadevergoeding van [appellant sub 5] toe;
IX. veroordeelt de raad van de gemeente Schiermonnikoog tot betaling aan [appellant sub 5] van een schadevergoeding van € 1.379,31;
X. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling aan [appellant sub 5] van een schadevergoeding € 1.120,69;
XI. veroordeelt de raad van de gemeente Schiermonnikoog tot vergoeding van bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
XII. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellant sub 5] in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.
w.g. Hoekstra
voorzitter
w.g. Van Zuijlen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
810