ECLI:NL:RVS:2026:5804

ECLI:NL:RVS:2026:5804

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 202405005/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 19 juli 2022 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap een verzoek van [appellant sub 1] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) afgewezen. [appellant sub 1] heeft op 24 juni 2022 een verzoek gedaan op grond van de Woo. Het verzoek ziet op de openbaarmaking van de inventarislijst en de ‘Verklaring van Overbrenging’ bij de archieven van de persoonsdossiers van de voormalige Centrale Veiligheidsdienst (CVD) en Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) over de jaren 1946-1998. De minister heeft de gevraagde informatie op 19 juli 2022 gedeeltelijk openbaar gemaakt. De minister heeft in dit besluit toegelicht dat de overbrenging van het archief op dat moment nog niet was afgerond. Om die reden kon de minister op dat moment nog geen geanonimiseerde versie van de inventarislijst verstrekken. De minister heeft in plaats daarvan een concept van de inventarislijst openbaar gemaakt, met uitzondering van de beschrijving van de persoonsdossiers en persoonsgegevens.

Uitspraak

202405005/1/A3.

Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend in [woonplaats],

2. de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 5 juli 2024 in zaak nr. 23/123 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2022 heeft de minister een verzoek van [appellant sub 1] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo) afgewezen.

Bij besluit van 1 februari 2023 heeft de minister het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van het besluit van 1 februari 2023 in stand gelaten.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en de minister hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 mei 2026, waar [appellant sub 1], en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.J. Oskam en E. Gurler, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant sub 1] heeft op 24 juni 2022 een verzoek gedaan op grond van de Woo. Het verzoek ziet op de openbaarmaking van de inventarislijst en de ‘Verklaring van Overbrenging’ bij de archieven van de persoonsdossiers van de voormalige Centrale Veiligheidsdienst (CVD) en Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) over de jaren 1946-1998.

2. De minister heeft de gevraagde informatie op 19 juli 2022 gedeeltelijk openbaar gemaakt. De minister heeft in dit besluit toegelicht dat de overbrenging van het archief op dat moment nog niet was afgerond. Om die reden kon de minister op dat moment nog geen geanonimiseerde versie van de inventarislijst verstrekken. De minister heeft in plaats daarvan een concept van de inventarislijst openbaar gemaakt, met uitzondering van de beschrijving van de persoonsdossiers en persoonsgegevens. De minister heeft deze informatie geweigerd op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woo, omdat volgens de minister sprake is van bijzondere persoonsgegevens. Daarnaast heeft de minister een concept van de Verklaring van Overbrenging gedeeltelijk openbaar gemaakt. De daarin opgenomen persoonsgegevens heeft de minister geweigerd op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.

3. Bij besluit van 1 februari 2023 heeft de minister het bezwaar van [appellant sub 1] ongegrond verklaard. Omdat de overbrenging van het archief op dat moment was voltooid, heeft de minister de geanonimiseerde versie van de inventarislijst op de website van het Nationaal Archief gepubliceerd.

4. [appellant sub 1] is het niet eens met het besluit van de minister. Hij stelt zich op het standpunt dat zijn verzoek niet volledig is beantwoord en dat de minister de gevraagde informatie niet kan weigeren op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder d, en artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo.

Wat heeft de rechtbank geoordeeld?

5. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet de Woo, maar de Archiefwet 1995 (Archiefwet) op de inventarislijst van toepassing is. Volgens de rechtbank is de inventarislijst onlosmakelijk met de inhoud van het archief, en dus met de archiefbescheiden, verbonden. Hiervoor kunnen ook aanknopingspunten worden gevonden in het Besluit Beperking Openbaarheid van 1 februari 2022. Wanneer de Woo van toepassing zou zijn op de inventarislijst, zou dat als gevolg hebben dat verschillende wettelijke regimes van toepassing zijn op de openbaarmaking van enerzijds de dossiers en anderzijds de inventarislijst, terwijl die deels uit dezelfde gegevens bestaan. Deze uitleg zou ook betekenen dat de minister onafhankelijk van de beperkingen die zijn gesteld op het archief, zelfstandig kan beoordelen of diezelfde beperkingen ten aanzien van de inventarislijst terecht zijn of niet. Het uitvoeren van een dergelijke belangenafweging verhoudt zich naar het oordeel van de rechtbank niet tot de archiverende taak van de minister en zou een inbreuk vormen op de Archiefwet zoals deze door de archiefbrenger is beoogd. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de minister de gegevens in de inventarislijst terecht heeft geweigerd, maar op een verkeerde grond. De rechtbank oordeelt verder dat de minister de Verklaring van Overbrenging terecht op grond van de Woo heeft beoordeeld en dat de minister de daarin opgenomen persoonsgegevens mocht weigeren. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er meer documenten zouden moeten zijn die onder de reikwijdte van zijn verzoek vallen. Omdat de minister terecht heeft besloten om de persoonsgegevens op de inventarislijst en de Verklaring van Overbrenging niet openbaar te maken, heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 1 februari 2023 in stand kunnen blijven.

Hoger beroep

Het hoger beroep van de minister

6. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Archiefwet op de inventarislijst van toepassing is. Daartoe voert de minister aan dat een inventarislijst die wordt opgesteld ten behoeve van de overbrenging van het archief, op zichzelf geen onderdeel is van het archief. De inventarislijst onderscheidt zich van de archiefbescheiden doordat de inventaris onderdeel is van de uitvoering van de overbrenging. De inventarislijst heeft namelijk als doel om de toegang tot de documenten in het archief mogelijk te maken en te vergemakkelijken. Omdat deze inventarislijst niet kwalificeert als een archiefbescheid dat naar het archief wordt overgebracht, is niet het openbaarheidsregime van de Archiefwet, maar dat van de Woo van toepassing. Volgens de minister wordt zijn standpunt ondersteund door de wetsgeschiedenis van de Archiefwet. Ook stelt de minister dat de rechtbank miskent dat het Besluit Beperking Openbaarheid slechts van toepassing is op de inventarisnummers, en niet op de inventaris als zodanig. Omdat de inventarislijst als doel heeft om de archiefbescheiden toegankelijk te maken, wordt de inventarislijst beschikbaar gesteld voor eenieder op de website van het Nationaal Archief. Dit kwalificeert als actieve openbaarmaking op grond van de Woo. De minister stelt dat het onwerkbaar zou zijn als het openbaarheidsregime van de Archiefwet van toepassing zou zijn op de inventarislijst. Dat zou namelijk betekenen dat de inventarislijst pas openbaar zou kunnen worden gemaakt als de inventaris na 20 jaar wordt overgebracht.

Het hoger beroep van [appellant sub 1]

7. Allereerst betoogt [appellant sub 1] dat de minister ten onrechte geen verslag van de hoorzitting heeft gemaakt zoals bedoeld in artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verder betoogt [appellant sub 1] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Archiefwet op de inventarislijst van toepassing is. Daartoe voert [appellant sub 1] aan dat de inventarislijst geen onderdeel is van het archief, maar slechts de toegang tot het archief regelt. Volgens [appellant sub 1] volgt ook niet uit de Selectielijst voor de archieven van de Algemene Inlichtingen-en Veiligheidsdienst (AIVD) dat een inventarislijst een archiefbescheiden is. In het geval dat de Archiefwet desondanks van toepassing is, stelt [appellant sub 1] zich op het standpunt dat de informatie daarin niet geweigerd kan worden omdat op de inventarislijst geen beperkingen aan de openbaarheid zijn gelegd. Daarnaast betoogt [appellant sub 1] dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat sprake is van bijzondere persoonsgegevens en dat de minister deze informatie niet op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woo, heeft kunnen weigeren. [appellant sub 1] betoogt daarnaast dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister de persoonsgegevens in de Verklaring van Overbrenging kon weigeren. Dit document bevat een naam van de Algemeen Rijksarchivaris die uit hoofde van zijn functie in de openbaarheid treedt. Verder bevat het document een naam van een tekenbevoegde ambtenaar. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet deze informatie openbaar worden gemaakt. Tot slot betoogt [appellant sub 1] dat de minister over meer informatie beschikt die onder de reikwijdte van zijn verzoek valt. Daarover voert [appellant sub 1] aan dat de concordantie- en afkortingenlijst van de inventarislijst ontbreken en dat er meerdere versies van de inventarislijst bestaan die de minister ten onrechte niet bij de beoordeling van zijn verzoek heeft betrokken.

Beoordeling van het hoger beroep

8. De Afdeling zal in het kader van het hoger beroep van de minister en [appellant sub 1] eerst beoordelen of in deze zaak de Archiefwet of de Woo van toepassing is. Daarna zal de Afdeling de overige gronden van het hoger beroep van [appellant sub 1] beoordelen.

Is de Archiefwet of de Woo van toepassing?

9. De Afdeling is van oordeel dat de minister en [appellant sub 1] zich beiden terecht op het standpunt hebben gesteld dat niet de Archiefwet, maar de Woo van toepassing is. Volgens de bijlage bij artikel 8.8 van de Woo, is de Woo niet van toepassing voor zover de artikelen 14 tot en met 17 van de Archiefwet gelden. De artikelen 14 tot en met 17 van de Archiefwet vinden, voor zover relevant, toepassing wanneer sprake is van archiefbescheiden die zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats en daar berusten. Als een document zich dus (nog) niet in een archiefbewaarplaats bevindt, is het openbaarmakingsregime van de Archiefwet zoals geformuleerd in de artikelen 14 tot en met 17, daarop (nog) niet van toepassing. Dit sluit aan bij de totstandkomingsgeschiedenis van de Woo. Daaruit volgt dat de wetgever heeft beoogd een duidelijke grens te trekken tussen de werkingssfeer van het openbaarheidsregime van de Woo en dat van de Archiefwet. De wetgever heeft daarvoor het moment van overbrenging van documenten naar een archiefdienst bepalend geacht. Vóór overbrenging is het Woo-regime van toepassing, na overbrenging geldt in beginsel het openbaarheidsregime van de Archiefwet (zie Kamerstukken II 2020/21, 33328, nr. N, p. 42 en 110).

9.1. De minister heeft toegelicht dat een inventarislijst wordt opgesteld ten behoeve van de overbrenging van documenten naar het archief. De inventarislijst zelf wordt dus niet overgebracht naar het archief en is geen archiefbescheiden. De inventarislijst is alleen een instrument dat de toegang tot de documenten of dossiers in het archief regelt. Gelet op wat onder 9 is overwogen, is de Archiefwet dus niet op de inventarislijst van toepassing. Dat betekent dat de minister bij een verzoek om openbaarmaking van de inventarislijst de Woo moet toepassen.

9.2. De minister heeft verder terecht aangevoerd dat ook niet uit het Besluit Beperking Openbaarheid van 1 februari 2022 volgt dat de Archiefwet van toepassing zou zijn op de inventarislijst. Het Besluit regelt namelijk (alleen) de (beperkingen op de) openbaarheid van de inventarisnummers en de daaraan gekoppelde archiefbescheiden. In dit geval zijn dat nummers op de inventarislijst die zijn gekoppeld aan de persoonsdossiers. Het Besluit regelt dus niet de beperkingen op de openbaarheid van de overige informatie in de inventarislijst, waaronder de persoonsgegevens. Verder kan de minister bij de beoordeling van de inventarislijst op grond van de Woo rekening houden met wat is bepaald in het Besluit en de beperkingen die zijn gesteld aan de archiefbescheiden, onder andere door aan de beheerder van het archief een zienswijze te vragen.

9.3. De betogen slagen.

Tussenconclusie

10. Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht op grond van de Woo beoordeeld of de conceptversie van de inventarislijst openbaar kon worden gemaakt. Hieronder zal de Afdeling de overige gronden van het hoger beroep van [appellant sub 1] beoordelen.

Verslag van de hoorzitting

11. Van het horen moet een verslag worden gemaakt. Dat staat in artikel 7:7 van de Awb. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7:7 van de Awb volgt dat het ten behoeve van de beslissing op het bezwaar en ten behoeve van de vorming van het dossier dat in een later stadium eventueel bij een beroepsinstantie dient te worden overgelegd noodzakelijk is dat het verhandelde ter zitting schriftelijk wordt vastgelegd (Kamerstukken II 1988/89, 21221, 3, blz. 151).

11.1. Voordat de minister opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 1] besliste, heeft de minister hem in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De hoorzitting heeft op 18 oktober 2022 plaatsgevonden. De minister heeft vervolgens bij besluit van 1 februari 2023 op het bezwaar van [appellant sub 1] beslist.

11.2. Niet in geschil is dat vóór het nemen van het besluit op bezwaar geen verslag van de hoorzitting was opgemaakt. De Afdeling is van oordeel dat ook uit de beslissing op bezwaar niet voldoende blijkt wat op de hoorzitting is besproken. Er is daarom niet voldaan aan artikel 7:7 van de Awb. Hoewel [appellant sub 1] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door het ontbreken van het verslag van de hoorzitting is benadeeld, is sprake van een gebrek en is het besluit van 1 februari 2023 niet zorgvuldig voorbereid.

11.3. Het betoog slaagt.

Zijn er meer documenten?

12. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:774), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan de Afdeling niet ongeloofwaardig voorkomt, zal worden betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht.

12.1. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister geloofwaardig heeft toegelicht dat geen concordantie- en afkortingenlijst aanwezig is. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat in tegenstelling tot deze uitleg van de minister er meer documenten zouden moeten zijn die de minister had moeten verstrekken. Over de stelling van [appellant sub 1] dat meerdere versies van de inventarislijst bestaan, merkt de Afdeling nog op dat de minister voldoende heeft toegelicht dat de inventarislijst een dynamisch document is, dat wordt gewijzigd op het moment dat bijvoorbeeld een persoon is overleden en diens naam alsnog openbaar kan worden gemaakt. Het dynamische karakter brengt mee dat steeds sprake is van één inventarislijst.

12.2. Het betoog slaagt niet.

Mocht de minister weigeren de persoonsgegevens en de omschrijvingen van de persoonsdossiers in het concept van de inventarislijst openbaar te maken?

13. Zoals onder 2 is toegelicht heeft de minister een concept van de inventarislijst openbaar gemaakt, met uitzondering van de beschrijving van de persoonsdossiers en de persoonsgegevens. De minister heeft deze informatie geweigerd op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woo. Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat zelfs als geen sprake zou zijn van bijzondere persoonsgegevens, nog steeds sprake is van gewone persoonsgegevens en dat het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zoals bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo, zich verzet tegen openbaarmaking.

13.1. De Afdeling is van oordeel dat de minister de informatie in de conceptversie van de inventarislijst mocht weigeren op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder d, respectievelijk op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e, van de Woo. De inventarislijst regelt de toegang tot de persoonsdossiers van de voormalige CVD en de voormalige BVD over de jaren 1946-1998. Omdat het gaat om persoonsdossiers, bestaat de inventaris voor het grootste gedeelte uit persoonsgegevens. In de inventaris zijn de dossiers alfabetisch geordend op achternaam. De minister heeft toegelicht dat uit de inleiding van de inventaris blijkt dat de BVD onder meer verantwoordelijk was voor het inwinnen van informatie over extremistische stromingen, waarbij gedacht moet worden aan antidemocratische partijen en organisaties aan de uiterste rechter- en linkerzijde van het Nederlandse politieke spectrum. Daarnaast was de BVD verantwoordelijk voor het inwinnen van gegevens in het binnenland over personen in relatie tot staatsgevaarlijke activiteiten gericht tegen Nederland of zijn bondgenoten, en het bevorderen van de beveiliging in vitale en kwetsbare bedrijven en instellingen, waaronder ook de overheidssector. De koppeling van de persoonsgegevens aan de onderwerpen waarnaar de BVD onderzoek verrichtte, maakt dat het standpunt van de minister dat in die context sprake is van bijzondere persoonsgegevens over politieke opvattingen, te volgen is. De persoonsgegevens zijn immers direct verweven met het persoonsdossier en het onderzoek dat door de BVD naar die personen is verricht. Dit geldt ook voor de beschrijvingen van de persoonsdossiers.

13.2. Voor zover in de persoonsdossiers geen informatie over een politieke opvatting voorkomt, is de Afdeling van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de conceptinventaris persoonsgegevens bevat en dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking. Gelet op de onderwerpen waar de BVD onderzoek naar verrichtte, acht de Afdeling aannemelijk dat de persoonsdossiers veelal gevoelige informatie bevatten. Openbaarmaking van de beschrijvingen van de persoonsdossiers en de persoonsgegevens zou ertoe leiden dat bekend wordt welke personen zijn onderzocht door de BVD, aan welk persoonsdossier zij zijn gekoppeld en waar het onderzoek op zag. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit een onaanvaardbare inbreuk zou opleveren op de persoonlijke levenssfeer van deze personen. Overigens is de geanonimiseerde versie van de inventarislijst inmiddels op de website van het Nationaal Archief gepubliceerd en maakt de minister de persoonsgegevens van personen die zijn overleden of 100 jaar geworden wel openbaar.

13.3. Het betoog slaagt niet.

Verklaring van Overbrenging

14. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling verzet het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich tegen openbaarmaking van namen van medewerkers die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, tenzij de indiener van het desbetreffende Woo-verzoek aannemelijk heeft gemaakt dat het belang van de openbaarheid in een concreet geval zwaarder weegt.

14.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 13 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3002), moeten de ambtenaren die besluiten krachtens mandaat hebben ondertekend in beginsel aanvaarden dat hun namen met de ondertekening van de besluiten naar buiten komen. Hierbij is van belang dat de burgers moeten kunnen controleren of die ambtenaren tot de ondertekening van die besluiten bevoegd waren.

14.2. Ingevolge artikel 9, derde lid, van de Archiefwet 1995, maken de zorgdrager en de beheerder van de archiefbewaarplaats van de overbrenging gezamenlijk een verklaring op die ten minste een specificatie van de archiefbescheiden bevat. De Afdeling leidt hieruit af dat de Verklaring van Overbrenging niet kan worden aangemerkt als een besluit dat krachtens mandaat is ondertekend. Er is namelijk geen sprake van een besluit dat in naam van een bestuursorgaan is genomen.

14.3. De Afdeling stelt verder vast dat de Verklaring van Overbrenging is ondertekend door twee personen, waaronder door de Algemeen Rijksarchivaris. Over de naam van de tweede ondertekenaar overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat deze persoon vanuit diens functie in de openbaarheid treedt. De Afdeling acht dit ook niet aannemelijk. Omdat geen sprake is van een besluit dat krachtens mandaat is ondertekend en de betreffende persoon niet vanuit diens functie in de openbaarheid treedt, verzet de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich tegen openbaarmaking van de naam van deze persoon.

14.4. Verder stelt de Afdeling vast dat de Algemeen Rijksarchivaris vanuit diens functie in de openbaarheid treedt. Het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer verzet zich in dat geval niet tegen openbaarmaking. Dit betekent dat de minister de naam van de Algemeen Rijksarchivaris ten onrechte niet openbaar heeft gemaakt. Dat de naam van de Algemeen Rijksarchivaris al bekend zou zijn omdat deze naam door diens publieke functie openbaar is, leidt er niet toe dat de minister bij het beoordelen van documenten op grond van de Woo de naam om die reden kan weigeren.

14.5. Het betoog slaagt.

Conclusie

15. Het hoger beroep van de minister en van [appellant sub 1] is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank het besluit van 1 februari 2023 gedeeltelijk heeft vernietigd omdat de minister de Woo op de inventarislijst heeft toegepast en voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van dit besluit in stand heeft gelaten. De Afdeling verklaart het beroep tegen het besluit van 1 februari 2023 gegrond, vernietigt het besluit van 1 februari 2023 en herroept het besluit van 19 juli 2022, voor zover de minister daarin heeft geweigerd om de naam van de Algemene Rijksarchivaris in de Verklaring van Overbrenging openbaar te maken. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien en bepalen dat de minister de naam van de Algemene Rijksarchivaris in de Verklaring van Overbrenging alsnog openbaar moet maken. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde onderdeel van het besluit van 1 februari 2023.

16. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 5 juli 2024 in zaak nr. 23/123, voor zover daarbij het besluit van 1 februari 2023 gedeeltelijk is vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dit besluit in stand zijn gelaten;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 1 februari 2023 gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 1 februari 2023, voor zover de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft geweigerd de naam van de Algemeen Rijksarchivaris in de Verklaring van Overbrenging openbaar te maken;

V. herroept het besluit van 19 juli 2022, voor zover de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft geweigerd de naam van de Algemeen Rijksarchivaris in de Verklaring van Overbrenging openbaar te maken;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde onderdeel van het besluit van 1 februari 2023;

VII. bepaalt dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap binnen twee weken de naam van de Algemeen Rijksarchivaris in de Verklaring van Overbrenging, openbaar maakt;

VIII. gelast dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van €279,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.S. Venema, griffier.

w.g. Daalder

voorzitter

w.g. Venema

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

973

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.J. Daalder
  • mr. C.J. Borman
  • mr. N.H. van den Biggelaar

Griffier

  • mr. R.S. Venema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand