202403855/1/R3.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Groningen,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 mei 2024 in zaak nr. 23/2324 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Groningen.
Procesverloop
In het besluit van 24 november 2022 heeft het college [appellante] gelast de strijdigheid met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op het perceel [locatie 1] in Groningen op te heffen.
In het besluit van 18 april 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
In de besluiten van 12 juli 2023 en 2 oktober 2023 heeft het college besloten tot invordering van twee verbeurde dwangsommen bij [appellante].
In de uitspraak van 8 mei 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 juli 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.N. Huisman, advocaat in Groningen, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. I. Simonides, drs. A.H.M. Drijvers-Nijland en T.P. Sikkema, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
In het besluit van 24 november 2022 heeft het college aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellante] woont aan de [locatie 1] in Groningen. Op 10 februari 2022 is naar aanleiding van een klacht uit de buurt een inspectie uitgevoerd door de afdeling vergunningverlening, toezicht en handhaving van de gemeente Groningen. Tijdens deze controle is geconstateerd dat [appellante] een schutting met overkapping (het bouwwerk) heeft geplaatst tussen haar woning en [locatie 2] zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo. In het besluit van 24 november 2022 heeft het college [appellante] gelast om de overtreding vóór 1 maart 2023 te beëindigen, onder oplegging van een dwangsom van € 500,00 per geconstateerde overtreding met een maximum van € 2.500,00. In dat besluit staat hierover dat voor de werkzaamheden geen vergunning kan worden verleend, omdat het plan niet ruimtelijk en cultuurhistorisch akkoord is. De overtreding kan volgens het besluit ongedaan worden gemaakt door het bouwwerk te verwijderen en verwijderd te houden, of door het minimaal 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw te plaatsen. In het besluit van 18 april 2023 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In de besluiten van 12 juli 2023 en 2 oktober 2023 heeft het college besloten tot invordering van de dwangsommen van in totaal € 2.500,00.
Het hoger beroep
3. Niet in geschil is dat het bouwwerk is gebouwd zonder benodigde omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo, zodat het college bevoegd was om handhavend op te treden.
Partijen zijn verdeeld over de vraag of het college in dit geval van handhavend optreden had moeten afzien.
Had het college moeten afzien van handhavend optreden?
4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden onevenredig en niet proportioneel is. Volgens [appellante] had aan haar belangen bij het behoud van het bouwwerk een doorslaggevend gewicht moeten worden toegekend. Daarover voert zij verder aan dat de door haar gekozen oplossing, waarbij het bouwwerk op 37,5 cm achter de voorgevel is geplaatst, nauwelijks afwijkt van de situatie waarin het bouwwerk vergunningvrij zou zijn. Gelet hierop is volgens haar slechts sprake van een relatief kleine overschrijding van geringe aard. Op de zitting heeft zij hieraan toegevoegd dat het bouwwerk gemeten vanaf de erker wel 1 meter naar achteren staat. Daarbij is deze oplossing volgens [appellante] zeer passend voor het straatbeeld en is er geen sprake van verstoring van de karakteristieke bebouwing of een onevenredige inbreuk op de oorspronkelijk lintbebouwing. Ook wordt de stroomkast, die zij aan deze zijde van het huis heeft geplaatst, op deze wijze aan het zicht onttrokken. Het is volgens haar vanwege deze stroomkast niet mogelijk om het bouwwerk nog verder naar achter te plaatsen. Het bouwwerk is namelijk nodig om deze stroomkast af te schermen en te voorkomen dat een onveilige hoek ontstaat waar hangjongeren verblijven. Dat heeft een wijkagent haar ook aangeraden. Zij kampt met een gegeneraliseerde angststoornis en is aan bed gebonden. Zij heeft daarom behoefte aan een overzichtelijke situatie rondom haar woning. Tot slot dient de overkapping als plek om haar ligrolstoel te plaatsen. Gelet op deze omstandigheden had het college volgens haar van handhavend optreden moeten afzien.
4.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
4.2. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank en verwijst naar rechtsoverweging 6.4 van de aangevallen uitspraak. Wat in hoger beroep is aangevoerd geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Daaraan voegt de Afdeling nog toe dat het college ook in de omstandigheid dat het bouwwerk op 1 meter achter de erker staat, zoals [appellante] op zitting heeft gesteld, geen reden heeft hoeven zien om van handhavend optreden af te zien. Dit maakt namelijk niet dat de overtreding van geringe aard en ernst is. Over de ligrolstoel overweegt de Afdeling tot slot dat [appellante] niet heeft geconcretiseerd waarom het niet mogelijk is om deze elders op het perceel op te bergen. Ook daarin ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van omstandigheden die maken dat er een bijzonder geval is waarin het college had moeten afzien van handhaving.
Het betoog slaagt niet.
Invorderingsbesluiten
5. [appellante] heeft geen gronden aangevoerd over het oordeel van de rechtbank over de invorderingsbesluiten.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Buskermolen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
896-1200