ECLI:NL:RVS:2026:5809

ECLI:NL:RVS:2026:5809

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 202406185/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de korpschef van politie het verzoek van [appellant] om inzage in zijn persoonsgegevens gedeeltelijk toegewezen op grond van de Wet politiegegevens (Wpg).

Uitspraak

202406185/1/A3.

Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 augustus 2024 in zaak nr. 23/4990 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de korpschef het verzoek van [appellant] om inzage in zijn persoonsgegevens gedeeltelijk toegewezen op grond van de Wet politiegegevens (Wpg).

Bij uitspraak van 28 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 juni 2023 vernietigd en de korpschef opgedragen om een nieuw besluit te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Bij besluit van 16 oktober 2024 heeft de korpschef het verzoek van [appellant] om inzage in zijn persoonsgegevens opnieuw gedeeltelijk toegewezen op grond van de Wpg.

[appellant] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 16 oktober 2024.

De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 22 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. H. van Drunen, en de korpschef, vertegenwoordigd door J. Bruinsma, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft op grond van artikel 25 van de Wpg verzocht om inzage in de persoonsgegevens die de politie van hem heeft verwerkt. De korpschef heeft aan [appellant] meegedeeld dat er zes registraties zijn opgenomen, maar dat hij geen recht heeft op de inhoud van één van die registraties in verband met bescherming van rechten en vrijheden van derden. De korpschef heeft [appellant] de mogelijkheid geboden om een afspraak te maken om op het kantoor van de korpschef inhoudelijk kennis te nemen van de overige vijf registraties. Daarbij heeft de korpschef laten weten dat [appellant] zich mag laten vergezellen door een advocaat.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat artikel 26, derde lid, van de Wpg zo moet worden uitgelegd dat een betrokkene die zelf inzage krijgt zich alleen kan laten bijstaan door een advocaat die uitsluitend de bedoeling heeft om de belangen van zijn cliënt te behartigen. Het zou tegen de bescherming van de privacy van de betrokkene indruisen als anderen dan betrokkene zelf of diens advocaat de verwerkte gegevens zouden mogen inzien. Daarna heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken dat de korpschef inzage in registratie p11500-2015183323 heeft geweigerd. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat aannemelijk is dat niet van iedere demonstratie een registratie in het kader van de Wpg is verwerkt. De korpschef heeft toegelicht dat een registratie in het kader van de Wpg pas plaatsvindt als een incident of een onrechtmatigheid tijdens een demonstratie voorvalt waarbij sprake is van daadwerkelijke handhaving en de politie in beeld komt ter uitvoering van de politietaak. Het betoog van [appellant] is onvoldoende om te veronderstellen dat er registraties van demonstraties zijn die de korpschef niet bij het besluit van 15 juni 2023 heeft vermeld en waarin [appellant] ten onrechte geen inzage heeft gekregen. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de korpschef ten onrechte niet heeft beoordeeld of [appellant] inzage mag krijgen in zijn persoonsgegevens die mogelijk in onderzoeksdossiers Bamboe en RL 8017 zijn verwerkt. Gelet hierop is het besluit van 15 juni 2023 niet zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd, aldus de rechtbank.

2.1. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] gegrond verklaard, het besluit van 15 juni 2023 vernietigd en de korpschef opgedragen om een nieuw besluit te nemen. De korpschef zal in ieder geval moeten nagaan of onderzoeksdossier RL 8017 onder hem berust en beoordelen of, als daarin gegevens over [appellant] zijn verwerkt, [appellant] daarin inzage kan krijgen. Ook zal de korpschef in het nieuwe besluit inzichtelijk moeten maken hoe de zoekslag is verricht.

Wettelijk kader

3. Het relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Beoordeling van het hoger beroep

Artikel 26, derde lid, van de Wpg

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij zich bij de inzage in de persoonsgegevens alleen kan laten bijstaan door een advocaat. Hiertoe voert hij aan dat artikel 26, derde lid, van de Wpg enkel ziet op het doen van een verzoek om inzage en niet de inzage zelf. Ook voert hij aan dat uit artikel 5.1., eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet open overheid (Woo) volgt dat hij zelf vergaande zeggenschap heeft over de bescherming van zijn (bijzondere) persoonsgegevens. Als hij toestemming geeft, mag een derde volgens hem kennisnemen van zijn persoonsgegevens bij de inzage. De Wpg dient daarbij aan te sluiten. Dit heeft de rechtbank miskend, aldus [appellant].

4.1. De Afdeling volgt [appellant] niet in dit betoog. Uit het eerste lid van artikel 26 van de Wpg volgt dat dit artikel betrekking heeft op artikel 25, waarin het recht op inzage is vastgelegd en niet enkel het recht op het doen van een verzoek om inzage. Het recht op inzage is ingevolge artikel 25 van de Wpg een persoonlijk recht waarbij alleen de betrokkene zelf of, gelet op artikel 26, tweede lid en derde lid van de Wpg, diens wettelijk vertegenwoordiger of diens advocaat aan wie de betrokkene een bijzondere machtiging heeft verleend, een verzoek tot kennisneming van de over die persoon verwerkte gegevens kan doen. Uit het derde lid van artikel 26 van de Wpg volgt dat de verantwoordelijke, in dit geval de korpschef, eisen kan stellen aan deze bijzondere machtiging. Met deze bepalingen is inhoudelijk onder meer aangesloten bij artikel 20, vierde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Kamerstukken II, 2005/06, 30 327, nr. 3, blz. 85), waarmee is beoogd het personen of instanties onmogelijk te maken om via een omweg de beschikking te krijgen over gegevens van een persoon met wie men een bepaalde relatie heeft of wil aangaan (Kamerstukken II, 1995/96, 24 797, nr. 3, blz. 28). Gezien het voorgaande is het recht op kennisneming voorbehouden aan de betrokkene zelf, diens wettelijk vertegenwoordiger of diens bijzonder gemachtigde advocaat. Het zou tegen de bescherming van de privacy van de betrokkene indruisen als anderen de verwerkte gegevens zouden mogen inzien. Zie hiervoor de eerdere uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:801. Ook voert [appellant] tevergeefs aan dat uit artikel 5.1. van de Woo blijkt dat als betrokkene uitdrukkelijk toestemming geeft, derden kennis mogen nemen van de bijzondere persoonsgegevens waar het hier om gaat. De Wpg is een uitputtende regeling voor de verstrekking van politiegegevens. Voor zover gegevens als politiegegevens in de zin van die bepaling moeten worden aangemerkt, is er geen plaats voor toepassing van artikel 5.1 van de Woo. Vergelijk hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:220. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat naast een betrokkene en diens wettelijk vertegenwoordiger, enkel zijn advocaat aan wie de betrokkene een bijzondere machtiging heeft verleend inzage kan krijgen in de op de grond van de Wpg verwerkte persoonsgegevens.

4.2. Het betoog slaagt niet.

Inzage in registratie p11500-2015183323

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat [appellant] geen inzage heeft gekregen in de registratie met nummer p11500-2015183323 van 19 juni 2015. Hiertoe voert hij aan dat de korpschef niet heeft onderbouwd dat hij die mogelijkheid heeft geboden. Daar komt bij dat de korpschef de inzage van deze registratie bij besluit van 15 juni 2023 ongemotiveerd heeft geweigerd. Ook kan [appellant] zich niet herinneren dat hij deze registratie heeft ingezien. [appellant] vindt dat de korpschef hierover een aanvullend besluit had moeten nemen.

5.1. In het besluit van 15 juni 2023 staat dat [appellant] geen recht heeft op de inhoud van deze registratie op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wpg. De korpschef stelt dat dit een kennelijke verschrijving betreft en dat [appellant] inzage heeft gekregen in deze registratie. [appellant] kan niet met zekerheid zeggen dat hij deze registratie heeft ingezien. De rechtbank heeft van belang mogen achten dat de korpschef heeft laten weten dat [appellant] deze registratie mag inzien. De gestelde kennelijke verschrijving leidt niet tot een zodanig gebrekkig genomen besluit dat dit zou moeten resulteren in vernietiging van het besluit. Bovendien heeft de korpschef deze verschrijving hersteld in het nieuwe besluit van 16 oktober 2024. Omdat aannemelijk is dat [appellant] hierdoor niet wordt benadeeld, kan dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd.

5.2. Het betoog slaagt niet.

Zoekslag

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat er meer verwerkte registraties over [appellant] moeten zijn dan de korpschef te kennen heeft gegeven. Hij is regelmatig bij demonstraties aanwezig en heeft zich daar vaker moeten identificeren. De korpschef had in ieder geval bij de aanmelding van demonstraties zijn naam moeten noteren als melder van de demonstratie. Dat is een verwerking als bedoeld in de Wpg. Ook ontbreken er volgens [appellant] enkele klachten die hij heeft ingediend bij de politie. Hij verwijst daarbij naar zijn klacht waarover de Nationale Ombudsman op 11 januari 2018 een rapport heeft geschreven. De rechtbank heeft volgens [appellant] ten onrechte geoordeeld dat op een klachtafhandeling de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing is en niet de Wpg. Volgens [appellant] moeten er ook registraties in meer dossiers zijn dan onderzoeksdossiers Bamboe en RL 8017. Hij heeft op 4 september 2024 een overzicht ontvangen van de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens over de inzagen in zijn persoonsgegevens in de basisregistratie personen (brp-gegevens) door verschillende instanties. Daarop is te zien dat de korpschef op verschillende data tussen 2014 en 2023 op verzoek brp-gegevens heeft ingezien. Zes data zijn te relateren aan registraties waar [appellant] inzage in heeft gekregen of waarvan inzage is geweigerd. De overige data zijn op geen enkele wijze terug te vinden in de door de korpschef overgelegde registraties. Hiermee is volgens [appellant] aannemelijk dat er meer verwerkte registraties over hem moeten zijn dan de korpschef te kennen heeft gegeven. De rechtbank had de korpschef daarom moeten opdragen om alle oude politiesystemen en registraties, waaronder ‘Octopus', te doorzoeken op informatie over hem, aldus [appellant].

6.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:232, geldt ook in Wpg-zaken dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat bepaalde persoonsgegevens niet of niet meer bij hem berusten en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om persoonsgegevens verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, die persoonsgegevens toch onder het bestuursorgaan berusten.

6.2. De korpschef heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat hij over de klachten navraag heeft gedaan bij de klachtencoördinator. Er is drie keer gezocht naar klachten van [appellant], ook naar de klacht die onder de aandacht bij de Nationale Ombudsman is gebracht. Daar zijn geen gegevens uit naar voren gekomen. Een mogelijke verklaring is volgens de korpschef dat er administratieve fouten zijn gemaakt. Wat betreft de inzage in de brp-gegevens van [appellant] heeft de korpschef op de zitting toegelicht dat de politie een abonnement heeft op het opvragen van brp-gegevens. De politie krijgt daardoor steeds automatisch informatie over verdachten, slachtoffers, getuigen en mensen die aangifte hebben gedaan, om de gegevens actueel te houden. De politie heeft in dit geval enkel automatische updates van brp-gegevens van [appellant] gekregen en niet actief brp-gegevens opgevraagd. Van deze (volautomatische) verstrekkingen van nieuwe informatie worden geen registraties gemaakt. De Wpg biedt volgens de korpschef geen recht op inzage in deze gegevens omdat deze er niet zijn.

6.3. Los van de vraag of de verwerking van de aanmelding van demonstraties en de klachten valt onder de AVG of Wpg, heeft de korpschef in het kader van dit verzoek van [appellant] gezocht naar de aanmelding van demonstraties en klachten. Dit acht de Afdeling niet ongeloofwaardig. De Afdeling is van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van de zoekslagen door de korpschef, toch aanmeldingen van demonstraties of klachten onder de korpschef berusten. Dat er een klacht is geweest die onder de aandacht bij de Nationale Ombudsman is gebracht, laat onverlet dat deze en andere klachten bij meerdere zoekslagen van de korpschef niet naar voren zijn gekomen. De korpschef kan geen inzage geven in de verwerking van persoonsgegevens die hij niet heeft.

6.4. De Afdeling acht de toelichting van de korpschef over de verwerking van de brp-gegevens van [appellant] niet zonder meer geloofwaardig. In het door van [appellant] overgelegde overzicht van de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens staat per datum genoteerd wanneer de politie gegevens van [appellant] op verzoek heeft opgevraagd. In het overzicht wordt verder uitgelegd dat ‘op verzoek’ brp-gegevens worden verstrekt als organisaties die zelf opvragen. Daarbij maakt de organisatie zelf kenbaar van welke persoon zij gegevens wil ontvangen door bijvoorbeeld in haar vraag het burgerservicenummer van die persoon op te nemen. Wat de korpschef heeft beschreven valt naar het oordeel van de Afdeling niet onder wat in het overzicht met ‘op verzoek’ wordt bedoeld. Ook kan de korpschef van verschillende in het overzicht opgenomen data van gegevensverstrekking niet verklaren waarom die niet in de door de korpschef overgelegde registraties zijn opgenomen terwijl andere door [appellant] genoemde data wel voorkomen in die registraties. Wat door de korpschef ter inzage is aangeboden komt dus niet overeen met het overzicht van de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens. Dit betekent dat het besluit van 28 augustus 2024 niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Door de korpschef op te dragen om in het nieuwe besluit na te gaan of het onderzoeksdossier RL 8017 onder hem berust en om te beoordelen of [appellant], indien daarin gegevens over hem zijn verwerkt, inzage kan krijgen in het betreffende dossier, heeft de rechtbank miskend dat er registraties in meer dossiers kunnen zijn dan onderzoeksdossiers Bamboe en RL 8017.

6.5. Het betoog slaagt in zoverre.

Tussenconclusie

7. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling zal de verdere gevolgen hiervan onder de slotsom bespreken.

8. De Afdeling zal hierna eerst het beroep van [appellant] tegen het nieuwe besluit op het verzoek beoordelen.

Nieuw besluit van de korpschef van 16 oktober 2024

9. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft de korpschef opnieuw een besluit genomen op het verzoek van [appellant]. Dit besluit is op grond van artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding.

9.1. De korpschef heeft het verzoek van [appellant] gedeeltelijk toegewezen. Wat betreft het politiesysteem ‘Octopus' heeft de korpschef te kennen gegeven dat het in 2016 is uitgezet en ontmanteld. Als er gegevens van [appellant] in zouden staan, dan zijn die vanwege de bewaartermijnen niet naar het nieuwe systeem gemigreerd. Omdat de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) andere bewaartermijnen hanteert dan de korpschef, kan [appellant] die stukken nog wel bij de AIVD inzien. Het onderzoeksdossier Bamboe berust bij de korpschef. Uit onderzoek in het digitale dossier en steekproefsgewijs onderzoek in het fysieke dossier is gebleken dat [appellant] hier niet in voorkomt. Verder is gebleken dat in één journaalmutatie zowel RL 8017, Bamboe als [appellant] zijn genoemd. Dit is een journaalmutatie waarin staat dat er vanuit onderzoek Bamboe informatie uit onderzoek R18017 is opgevraagd. Hierbij zijn de persoonsgegevens van [appellant] verstrekt. De verstrekte persoonsgegevens zijn niet in onderzoek Bamboe opgenomen. Uit onderzoek RL 8017 is verder geen informatie meer beschikbaar. Wat betreft de inzagen in zijn brp-gegevens heeft de korpschef toegelicht dat de brp automatisch wordt geraadpleegd om gegevens te verifiëren. Er wordt geen reden of achtergrond van de verwerking geregistreerd. Omdat deze gegevens er niet zijn, kan de korpschef daar geen inzage in bieden.

Beoordeling van het beroep tegen het nieuwe besluit

Niet toezenden van het besluit aan de gemachtigde

10. [appellant] voert aan dat het besluit ten onrechte aan hem is verzonden, en niet zijn gemachtigde. Dit is in strijd met artikel 6:17 van de Awb.

10.1. Hoewel deze handelwijze van het college niet zorgvuldig is, geeft dit geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] hierdoor in zijn belangen is geschaad. Ondanks dat de korpschef het besluit niet heeft bekendgemaakt aan de gemachtigde van [appellant], heeft hij tijdig beroep ingesteld.

10.2. Het betoog slaagt niet.

Artikel 26, derde lid, van de Wpg

11. [appellant] voert wederom aan dat de korpschef ten onrechte stelt dat hij zich bij de inzage in de persoonsgegevens kan laten bijstaan door een advocaat en niet een gemachtigde.

11.1. De Afdeling verwijst voor dit betoog naar overweging 4.1. van deze uitspraak.

11.2. Het betoog slaagt niet.

Vernietiging van registraties vanwege bewaartermijnen

12. Volgens [appellant] is het ongeloofwaardig dat de korpschef zich aan de bewaartermijnen heeft gehouden en registraties heeft vernietigd. Dit volgt volgens hem uit onderzoeken van Follow the Money en een kamerbrief, Kamerstuk II 2018/19, 29 628, nr. 859.

12.1. Anders dan [appellant] betoogt, acht de Afdeling geloofwaardig dat de korpschef gegevens heeft vernietigd vanwege de bewaartermijnen en de migratie naar een nieuw politiesysteem. De door [appellant] genoemde stukken zijn onvoldoende concreet om in dit geval aan te nemen dat de korpschef registraties niet heeft vernietigd.

12.2. Het betoog slaagt niet.

Zoekslag in onderzoekdossiers Bamboe en RL 8017

13. [appellant] voert aan dat de korpschef heeft miskend dat hij voorkomt in onderzoekdossiers Bamboe en RL 8017. Volgens [appellant] is de zoekslag van de korpschef onvolledig omdat hij enkel steekproefsgewijs het fysieke dossier van Bamboe heeft doorzocht. Daarbij zou uit een journaalmutatie van het Korps landelijke politiediensten blijken dat [appellant] in deze onderzoeken voorkomt. Hij zou in de onderzoeken zijn omschreven als een activist. De korpschef heeft daarnaast de genoemde journaalmutatie niet in de bijlage genoemd en niet ter inzage geboden.

13.1. Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen onder 6.1., is het vaste rechtspraak van de Afdeling dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat bepaalde persoonsgegevens niet onder hem berusten en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan de verzoeker is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, bepaalde persoonsgegevens toch onder het bestuursorgaan berusten. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan de Afdeling niet ongeloofwaardig voorkomt, zal worden betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht.

13.2. De korpschef heeft in het besluit en op de zitting bij de Afdeling een toelichting gegeven over de zoekslag. Het Bamboe-dossier is deels gedigitaliseerd. Digitaal is het Bamboe-dossier doorzocht op 'RL 8017', '[naam A]' en '[naam B]'. Ook zijn oude mutaties in het Bedrijfsprocessensysteem gecontroleerd. Het fysieke dossier van Bamboe is vanwege de grote hoeveelheid papierwerk aan de hand van de inhoudsopgave systematisch en steekproefsgewijs doorzocht door een specialist. De specialist heeft volgens de korpschef een representatieve steekproef getrokken uit het totale dossier. Verder heeft de korpschef bij de zoekslag het informatiesysteem Blueview geraadpleegd, alsmede navraag gedaan bij de afdeling Contraterrorisme, Extremisme en Radicalisering van de Landelijke Eenheid.

13.3. De Afdeling heeft geen reden om deze toelichting ongeloofwaardig te achten. Het digitale dossier van Bamboe is onderworpen aan een complete doorzoeking. Die heeft niets opgeleverd. Gezien dat resultaat en het feit dat het papieren dossier bestaat uit een enorme hoeveelheid schriftelijke documenten, mocht de korpschef er in dit geval voor kiezen het papieren dossier te laten doorzoeken door een specialist aan de hand van een zorgvuldige en consequente systematiek. Wat betreft de journaalmutatie acht de Afdeling de toelichting van de korpschef dat de verstrekte persoonsgegevens van [appellant] niet in onderzoek Bamboe zijn opgenomen, niet onaannemelijk. De journaalmutatie is bovendien in de dossierstukken opgenomen wat betekent dat [appellant] daar al over beschikt. Het is vervolgens aan [appellant] om aannemelijk te maken dat hij voorkomt in onderzoekdossiers Bamboe en RL 8017. De Afdeling is van oordeel dat [appellant] daarin niet is geslaagd.

13.4. Het betoog slaagt niet.

Brp-gegevens

14. Volgens [appellant] heeft de politie niet enkel via het automatische politiesysteem zijn brp-gegevens gecontroleerd, maar ook op verzoek. Dit zou volgen uit het overzicht van de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens waarin staat dat op één dag negen keer op verzoek brp-gegevens van [appellant] zijn geraadpleegd. Daarbij gaat het niet enkel om NAW-gegevens maar ook andere persoonsgegevens. Ook zou [appellant] bij een eerder verzoek inzage hebben gekregen in de raadpleging van de brp.

14.1. Zoals overwogen onder 6.4., acht de Afdeling de toelichting van de korpschef over de verwerking van de brp-gegevens van [appellant] niet zonder meer geloofwaardig. Dit betekent dat het besluit van 16 oktober 2024 niet zorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende is gemotiveerd.

14.2. Het betoog slaagt.

Slotsom

15. Het hoger beroep is gegrond.

15.1. Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 16 oktober 2024 is gegrond. Dit besluit moet gelet op het voorgaande worden vernietigd.

15.2. De Afdeling zal de korpschef opdragen om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bepaalt de Afdeling met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

16. De korpschef moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. verklaart het beroep tegen het besluit van de korpschef van politie van 16 oktober 2024 gegrond;

III. vernietigt het besluit van 16 oktober 2024;

IV. draagt de korpschef van politie op om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V. bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de korpschef van politie aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 279,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Singh, griffier.

w.g. Den Ouden

voorzitter

w.g. Singh

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

990

BIJLAGE

WETTELIJK KADER

Wet politiegegevens

Artikel 25

1. De betrokkene heeft het recht om op diens schriftelijke verzoek van de verwerkingsverantwoordelijke binnen zes weken uitsluitsel te verkrijgen over de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om die persoonsgegevens in te zien en om informatie te verkrijgen over:

a. de doelen en de rechtsgrond van de verwerking;

b. de betrokken categorieën van politiegegevens;

c. de vraag of de deze persoon betreffende politiegegevens gedurende een periode van vier jaar voorafgaande aan het verzoek zijn verstrekt en over de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de gegevens zijn verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;

d. de voorziene periode van opslag of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;

[…]

g. de herkomst, voor zover beschikbaar, van de verwerking van hem betreffende politiegegevens.

[…]

Artikel 26

1. Bij de behandeling van verzoeken als bedoeld in de artikelen 25 en 28 draagt de verwerkingsverantwoordelijke zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker. Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke redenen heeft om te twijfelen aan de identiteit van de persoon die het verzoek doet, kan hij de nodige aanvullende informatie vragen ter bevestiging van de identiteit van de betrokkene.

2. De verzoeken ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt, en ten aanzien van onder curatele gestelden worden gedaan door hun wettelijk vertegenwoordigers. De betrokken mededeling geschiedt eveneens aan de wettelijk vertegenwoordigers.

3. De verzoeken kunnen tevens worden gedaan door een advocaat aan wie de betrokkene een bijzondere machtiging heeft verleend met het oog op de uitoefening van zijn rechten krachtens deze wet en die het verzoek uitsluitend doet met de bedoeling de belangen van zijn cliënt te behartigen. De betrokken mededeling geschiedt aan de advocaat. De verantwoordelijke kan aan de bijzondere machtiging eisen stellen.

Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens

Artikel 20

[…]

4. De verzoeken kunnen tevens worden gedaan door een advocaat aan wie de betrokkene een bijzondere machtiging heeft verleend met het oog op de uitoefening van zijn rechten krachtens deze wet en die het verzoek uitsluitend doet met de bedoeling de belangen van zijn cliënt te behartigen. De betrokken mededeling geschiedt aan de advocaat. Bij ministeriële regeling kunnen aan de bijzondere machtiging nadere eisen worden gesteld.

Wet open overheid

Artikel 5.1.

1. Het openbaar maken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:

[…]

d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 3.1 onderscheidenlijk paragraaf 3.2 van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming, tenzij de betrokkene uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de openbaarmaking van deze persoonsgegevens of deze persoonsgegevens kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt;

[…]

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand