202504455/1/R1.
Datum uitspraak: 30 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A], wonend in [woonplaats], en [appellant B], wonend in Sint Geertruid, gemeente Eijsden-Margaten,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 25 juni 2025 in zaak nr. 23/2289 in het geding tussen:
[appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten.
Procesverloop
Bij besluiten van 17 en 24 januari 2023 heeft het college aan [appellant A] respectievelijk [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd wegens permanente bewoning van recreatiewoningen in strijd met het bestemmingsplan op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Sint Geertruid.
Bij besluit van 6 september 2023 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 juni 2025 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 30 juli 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. C.H.H. Emmen-Hurenkamp en M.T.M. Post, zijn verschenen. [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat in Valkenburg aan de Geul, hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluiten van 17 januari 2023 en 24 januari 2023 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het college heeft, aan zowel [appellant A] als [appellant B], een last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van recreatiewoningen op de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] in Sint Geertruid vanwege permanente bewoning in meerdere wooneenheden. [appellant A] is de eigenaar van de percelen en [appellant B] woont op [locatie 1] in één van de wooneenheden. [appellant A] en haar dochter [appellant B] zijn samen opgekomen tegen de besluiten tot het opleggen van de lasten onder dwangsom door daartegen bezwaar te maken bij het college en vervolgens beroep in te stellen bij de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat met de permanente bewoning sprake is van een overtreding en dat het college terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd. [appellant A] en [appellant B] zijn het hier niet mee eens, omdat zij menen dat er zich bijzondere omstandigheden voordoen waardoor van handhaving moest worden afgezien.
Tenaamstelling van de uitspraak van de rechtbank
3. Bij de behandeling van het hoger beroep is aan de orde gekomen dat in de uitspraak van de rechtbank alleen [appellant B] als procespartij is vermeld en [appellant A] niet. De Afdeling heeft op de zitting samen met partijen geconcludeerd dat dit duidt op een kennelijke verschrijving en dat hierom moet worden aangenomen dat de uitspraak zowel [appellant A] als [appellant B] betreft.
Toetsingskader
4. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan te gebruiken.
Op grond van artikel 2.3, aanhef en onder b, van de Wabo is het verboden om te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, d, f, g, h of i.
Het bestemmingsplan
5. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Sint Geertruid". Het perceel heeft daarin de bestemming "Centrum" en de aanduiding "verblijfsrecreatie".
Artikel 7.1, aanhef en onder g, van de planregels luidt: "De voor ‘Centrum’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: verblijfsrecreatie ter plaatse van de aanduiding ‘verblijfsrecreatie’."
Ingetrokken beroepsgrond
6. Op de zitting hebben [appellant A] en [appellant B] de beroepsgrond dat geen sprake is van een overtreding gelet op wat is bepaald in het bestemmingsplan en in de verleende omgevingsvergunning, ingetrokken.
Wanneer zijn er bijzondere omstandigheden waardoor van handhaving af moest worden gezien?
7. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Vertrouwensbeginsel
8. [appellant A] en [appellant B] betogen dat zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat het college niet over zou gaan tot handhavend optreden en zij hiermee een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kunnen doen. Hiertoe voeren zij aan dat het college heeft meegewerkt aan een inschrijving van de bewoners in de Basisregistratie Personen (BRP) en dat aan de woningen huisnummers zijn toegekend. Op de zitting heeft de gemachtigde van [appellant A] en [appellant B] toegelicht dat de rechtbank volgens hen niet heeft onderkend dat het college op grond van artikel 2.4 van de Wet basisregistratie personen de inschrijvingen in de BRP had moeten weigeren als op voorhand duidelijk was dat het niet is toegestaan om permanent op de percelen te wonen.
8.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja, hoe.
8.2. De Afdeling is van oordeel dat wat [appellant A] en [appellant B] in dit opzicht aanvoeren, niet maakt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat er geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is.
De rechtbank heeft geoordeeld dat het inschrijven in de BRP geen bewuste standpuntbepaling van het college inhoudt dat de bewoning is toegestaan op grond van het bestemmingsplan en dat het college daartegen niet handhavend zal optreden. Verder kan volgens de rechtbank een inschrijving in de BRP niet worden geweigerd. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat het feit dat de recreatiewoningen aparte huisnummers hebben, niet afdoet aan de planologische kwalificatie van de woningen als recreatiewoningen.
De Afdeling stelt vast dat het oordeel van de rechtbank dat een inschrijving in de BRP geen definitieve standpuntbepaling van het college inhoudt dat bewoning is toegestaan en dat hiertegen niet zal worden gehandhaafd, overeenkomt met het oordeel dat de Afdeling heeft gegeven in haar uitspraak van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2591, onder 6.2. Er bestaat geen grond voor de conclusie dat hierover in deze zaak anders moet worden geoordeeld, daargelaten de vraag of het wettelijk mogelijk is in een geval als hier aan de orde een inschrijving in het BRP te weigeren. Verder onderschrijft de Afdeling het oordeel van de rechtbank over het toekennen van een huisnummer.
Het betoog slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
9. [appellant A] en [appellant B] betogen dat er ook andere bijzondere omstandigheden zijn waardoor handhaving in dit concrete geval onevenredig moest worden geacht. Hiertoe voeren zij aan dat tussen het voornemen en het handhavingsbesluit ruim een jaar heeft gezeten. Ook is volgens [appellant A] en [appellant B] sprake van een overtreding van geringe ernst, omdat de ruimtelijke uitstraling niet wezenlijk anders is geworden dan bij het toegestane recreatieve gebruik. Volgens [appellant A] en [appellant B] is de ruimtelijke uitstraling zelfs zo dat zich een rustigere situatie voordoet ingeval van permanente bewoning dan wanneer het toegestane gebruik als recreatiewoningen zou bestaan.
9.1. De Afdeling is van oordeel dat wat [appellant A] en [appellant B] over dit onderdeel aanvoeren, niet maakt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat er geen geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel is. Het tijdsverloop tussen het voornemen en het handhavingsbesluit is naar het oordeel van de Afdeling niet zo lang dat het college om die reden het besluit niet mocht nemen. Ook mocht het college zich op het standpunt stellen dat er geen sprake is van een overtreding van geringe aard en ernst, in aanmerking genomen dat de overtreding doorlopend is en er sprake is van een ander gebruik met een andere ruimtelijke uitstraling. De enkele omstandigheid dat volgens [appellant A] en [appellant B] de ruimtelijke uitstraling van permanente bewoning minder groot is dan van recreatief verblijf hoefde, wat daarvan overigens zij, voor het college geen aanleiding te vormen om van handhaving af te zien. Wat [appellant A] en [appellant B] aanvoeren kan in verband hiermee niet leiden tot (gedeeltelijke) vernietiging van de uitspraak van de rechtbank.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
10. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026
195-1185