ECLI:NL:RVS:2026:5815

ECLI:NL:RVS:2026:5815

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 30-09-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 202505725/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 21 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Medemblik een volgens het college door [appellant] verbeurde dwangsom van € 15.000,00 ingevorderd. Het college heeft bij besluit van 11 augustus 2022, verzonden op diezelfde datum, gelast het huisvesten van arbeidsmigranten op het perceel [locatie] in Wervershoof, te beëindigen en beëindigd te houden, onder aanzegging van een dwangsom van €1.500,00 per week met een maximum van €15.000,00. De begunstigingstermijn van de last is gesteld op acht weken na de verzenddatum. Naar aanleiding van de brief van [appellant] van 6 september 2022 heeft het college op 11 oktober 2022 de begunstigingstermijn verlengd tot en met 1 januari 2023. Het besluit tot oplegging van de dwangsom van 11 augustus 2022 is in rechte onaantastbaar geworden. Het college heeft meermaals geconstateerd dat niet aan de last is voldaan en heeft op 21 november 2023 een besluit tot invordering van de dwangsom genomen. Volgens het college is de volledige dwangsom verbeurd.

Uitspraak

202505725/1/R1.

Datum uitspraak: 30 september 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Wervershoof, gemeente Medemblik,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Holland van 9 oktober 2025 in zaak nr. 24/1139 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2023 heeft het college een volgens het college door [appellant] verbeurde dwangsom van € 15.000,00 ingevorderd.

Bij besluit van 13 februari 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 oktober 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en het ingevorderde bedrag gematigd tot in totaal € 1.500,00. Verder heeft de rechtbank het door [appellant] bij haar ingediende verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 30 juli 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen. Het college, vertegenwoordigd door S. Cavusoglu, heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Bij besluit van 11 augustus 2022 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het college heeft bij besluit van 11 augustus 2022, verzonden op diezelfde datum, gelast het huisvesten van arbeidsmigranten op het perceel [locatie] in Wervershoof, te beëindigen en beëindigd te houden, onder aanzegging van een dwangsom van €1.500,00 per week met een maximum van €15.000,00. De begunstigingstermijn van de last is gesteld op acht weken na de verzenddatum. Naar aanleiding van de brief van [appellant] van 6 september 2022 heeft het college op 11 oktober 2022 de begunstigingstermijn verlengd tot en met 1 januari 2023. Het besluit tot oplegging van de dwangsom van 11 augustus 2022 is in rechte onaantastbaar geworden.

Het college heeft meermaals geconstateerd dat niet aan de last is voldaan en heeft op 21 november 2023 een besluit tot invordering van de dwangsom genomen. Volgens het college is de volledige dwangsom verbeurd. De rechtbank heeft geoordeeld dat met het controlerapport van 9 januari 2023 dat mede aan het invorderingsbesluit ten grondslag ligt, is vast komen te staan dat op dat moment niet aan de last werd voldaan. Maar de andere uitgevoerde controles vormen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwing. Volgens de rechtbank kan daarom alleen worden geconcludeerd dat er tot en met 9 januari 2023 niet aan de last is voldaan. De rechtbank heeft daarom het besluit van 13 februari 2024 vernietigd voor zover dat ziet op de invordering van € 13.500,00 en het besluit van 21 november 2023 herroepen voor zover dit ziet op de invordering van dat bedrag.

[appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank, omdat het college volgens [appellant] in het geheel niet tot invordering had mogen overgaan.

Het bestemmingsplan

3. Op grond van artikel 10.1, aanhef en onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Dorpskernen III" zijn de voor "Centrum" aangewezen gronden bestemd voor: "woonhuizen en bijbehorende bouwwerken bij woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten".

Op grond van artikel 1.137 van de planregels is een woonhuis "een gebouw, dat één woning omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden".

Op grond van artikel 1.135 van de bestemmingsplanregels is een woning "een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. Bij een afzonderlijk huishouden moet het gaan om personen of een groep personen waarbij er sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling zoals een traditioneel gezin."

Ingetrokken beroepsgrond

4. Op de zitting heeft de gemachtigde van [appellant] de hoger beroepsgrond over het verwijderen van de vermelding van een beslag in het openbaar register, ingetrokken.

Vaststelling overtreding van de last

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat met het controlerapport van 9 januari 2023 voldoende vast is komen te staan dat de last op dat moment niet werd nageleefd. Hiertoe voert hij aan dat de controle van 9 januari 2023 berust op een niet te verifiëren miscommunicatie tussen bewoners, visite en toezichthouders, die volgens hem heeft geleid tot een zogenoemde tunnelvisie.

5.1. De Afdeling is van oordeel dat wat [appellant] aanvoert over dit onderdeel, niet maakt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat met het rapport van 9 januari 2023 voldoende vast is komen te staan dat niet binnen de begunstigingstermijn is voldaan aan de last en dat de dwangsom ter grootte van € 1.500,00 is verbeurd. De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat uit het controlerapport volgt dat twee bewoners hebben verklaard met twee stellen in de woning te wonen. Het betoog van [appellant] dat de mannelijke bewoner alleen maar aanwezig was om zijn spullen te halen, is door de rechtbank gemotiveerd weerlegd. De Afdeling volgt de rechtbank daarin. Verder is het controlerapport onder ambtsbelofte opgesteld. Het college mag in beginsel uitgaan van een onder ambtsbelofte opgesteld proces-verbaal. [appellant] is er niet in geslaagd om de bevindingen in het rapport te weerleggen en daarom kan wat hij in dit opzicht aanvoert niet leiden tot (gedeeltelijke) vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het betoog slaagt niet.

Toepassing artikel 6:16 van de Awb

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het voortduren van de tegen hem gerichte maatregelen met toepassing van artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft toegestaan, door niet te onderkennen dat niet tot het innen van de dwangsommen mocht worden overgegaan zolang de beroepsprocedure over het invorderingsbesluit nog liep. Volgens [appellant] is artikel 6:16 ondeugdelijke wetgeving, omdat iemand hierin bij voorbaat wordt gekenmerkt als overtreder zonder enig bewijs van een strafbaar feit of overtreding van de wet. Volgens [appellant] is dit in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

6.1. Op grond van artikel 6:16 van de Awb schorst het bezwaar of beroep niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald.

6.2. Een belanghebbende kan in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident is dat er geen overtreding is gepleegd of betrokkene geen overtreder is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466.

6.3. De Afdeling vat het betoog van [appellant] zo op dat hij stelt dat het door hem ingestelde beroep tegen het besluit op bezwaar tegen het invorderingsbesluit ten onrechte geen schorsende werking heeft en dat de rechtbank ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 6:16 van de Awb, omdat dit volgens hem ondeugdelijke wetgeving is.

De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat volgens artikel 6:16 van de Awb het beroep geen schorsende werking heeft. Voor zover [appellant] stelt dat dit artikel buiten toepassing moet blijven omdat hij hierdoor bij voorbaat wordt gekenmerkt als overtreder, kan dit niet in deze procedure aan de orde komen. De last onder dwangsom van 11 augustus 2022 is namelijk in rechte vast komen te staan, doordat [appellant] hiertegen geen bezwaar en/of beroep heeft aangetekend. Voor zover [appellant] stelt dat hij geen overtreder is, had hij dit in een procedure tegen de last onder dwangsom kunnen aanvoeren. Bovendien is het innen van ingevorderde dwangsommen een kwestie van burgerlijk recht, die buiten de bevoegdheden van de bestuursrechter ligt en die dus ook het bestek van deze procedure te buiten gaat. Dit betekent dat de Afdeling niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het betoog over artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM.

Het betoog slaagt niet.

Verzoek om schadevergoeding

7. [appellant] betoogt dat het afwijzen van het verzoek tot schadevergoeding door de rechtbank duidt op onvoldoende dossierkennis. Volgens [appellant] is gelet op artikel 8:88 van de Awb en artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, voldoende informatie verstrekt om het verzoek op schadevergoeding toe te wijzen.

7.1. De Afdeling is van oordeel dat wat [appellant] aanvoert over dit onderdeel, niet maakt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat geen recht op schadevergoeding bestaat. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de door [appellant] verzochte schadevergoeding van € 5.000,00 onvoldoende is onderbouwd, omdat hiervoor geen stukken zijn ingediend. In hoger beroep zijn geen stukken overgelegd waarmee het verzoek om schadevergoeding alsnog wordt onderbouwd. De gemachtigde van [appellant] heeft dit op de zitting van de Afdeling overigens erkend.

Voor zover [appellant] een beroep doet op artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, overweegt de Afdeling dat zij niet bevoegd is om hierover te oordelen. Dat is een kwestie van burgerlijk recht.

Het betoog slaagt niet.

Kostenvergoeding voor professionele rechtsbijstand

8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door zijn gemachtigde uitgevoerde werkzaamheden niet voor proceskostenvergoeding in aanmerking komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

8.1. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht kan een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb of een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Awb betrekking hebben op kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

8.2. De gemachtigde van [appellant] heeft op de zitting bevestigd dat zij geen professionele rechtsbijstandverlener is. Naar het oordeel van de Afdeling kon alleen al hierom geen veroordeling in proceskosten voor het verlenen van rechtsbijstand volgen en leidt het betoog daarom niet tot een (gedeeltelijke) vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Gundelach

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2026

195-1185

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. C. Sparreboom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand