202600813/1/A2.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van de Open Universiteit,
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 9 oktober 2025 heeft de commissie voor de examens (de examencommissie) het door [appellante] gemaakte thuistentamen met kenmerk PB0332, Inleiding in de arbeids- en organisatiepsychologie (het tentamen), ongeldig verklaard met verlies van een tentamenkans, wegens fraude en onregelmatigheden.
Bij beslissing van 11 februari 2026 heeft het CBE het daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 september 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.P. Harten, advocaat in Rotterdam, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. A.L.H. Soons-Koopman, en R. Nowak zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage en maakt onderdeel uit van deze uitspraak.
2. [appellante] volgt de bacheloropleiding Psychologie aan de Open Universiteit. Op 20 september 2025 heeft zij het tentamen afgelegd, waarbij surveillance via proctoring plaatsvond. Bij het terugkijken van de opname heeft de surveillant geconstateerd dat niet is voldaan aan twee vereisten, zoals opgenomen in bijlage 7 van Examenreglement 2025-2026, namelijk het maken van een 360 graden roomscan en het alleen aanwezig zijn in de ruimte. Naar aanleiding van een melding van een surveillant van een vermoeden van onregelmatigheden/fraude heeft de examencommissie een onderzoek ingesteld.
3. De examencommissie is tot de conclusie gekomen dat [appellante] fraude heeft gepleegd in de zin van artikel 2.3.2, eerste lid van het Examenreglement. Daarnaast zijn er onregelmatigheden in de zin van artikel 2.4.2, eerste en tweede lid, van het Examenreglement waargenomen, omdat er geen correcte roomscan is gemaakt, inclusief het tonen van het hele schone bureaublad en de ruimte daaronder, en de tweede camera niet goed gepositioneerd is. Op grond van artikel 2.3.6, eerste lid, en artikel 2.3.6, tweede lid, onder a, van het Examenreglement heeft de examencommissie het tentamen ongeldig verklaard met verlies van een tentamenkans.
Beslissing van het CBE
4. Volgens het CBE heeft [appellante] gefraudeerd. De verschillende verklaringen die [appellante] heeft afgelegd over de tweede persoon in de ruimte heeft het CBE ongeloofwaardig geacht. Omdat de tweede persoon de kamer tijdens het tentamen niet heeft verlaten is het verder aannemelijk dat die persoon gedurende het tentamen in de ruimte is gebleven. Tijdens de tentamensessie communiceert [appellante] hoorbaar en onhoorbaar met een tweede persoon. Het enkel aanwezig zijn van een tweede persoon in de ruimte tijdens de roomscan (voor aanvang van het tentamen) vormt al een onregelmatigheid op zich. Vervolgens is uit de handelingen van [appellante] tijdens het tentamen af te leiden dat zij wordt geholpen bij de beantwoording van de meerkeuzevragen door de tweede persoon. Daarmee is niet alleen een onregelmatigheid, maar ook fraude komen vast te staan.
5. Het CBE heeft verder vastgesteld dat de beslissing van 9 oktober 2025 voldoende gemotiveerd is en zorgvuldig tot stand is gekomen. De examencommissie heeft door middel van schermopnames de frauduleuze handelingen in beeld gebracht en [appellante] heeft haar zienswijze gegeven. Volgens het CBE zijn hiermee alle feiten en gegevens, alsmede de betrokken belangen voorafgaand aan de beslissing in kaart gebracht. De examencommissie heeft in haar beslissing kenbaar gemaakt welke regel [appellante] heeft overtreden en gespecificeerd hoe die overtreding is begaan door het benoemen van de geconstateerde onregelmatigheden.
Beroep en de beoordeling daarvan
6. [appellante] betoogt dat het CBE heeft miskend dat de beslissing niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Volgens haar heeft zij herhaaldelijk verzocht om volledige inzage in de proctorbeelden. Het op de student afschuiven van de verantwoordelijkheid om zelf inzage te organiseren volstaat niet. De examencommissie had voorafgaand aan de beslissing van 9 oktober 2025 inzage beschikbaar moeten stellen en [appellante] tijdig moeten faciliteren.
6.1. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in haar uitspraak van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1831, merkt zij sinds die uitspraak de sancties die worden opgelegd op grond van artikel 7.12b, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek aan als herstelsancties met een pedagogisch en disciplinair karakter.
6.2. In deze uitspraak heeft de Afdeling ook overwogen dat het besluit om een student een herstelsanctie op te leggen moet voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur daaraan stellen, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Het zorgvuldigheidsbeginsel verplicht de examencommissie om voorafgaand aan de beslissing alle feiten en gegevens over de gedraging die aanleiding geeft tot het opleggen van een sanctie en de betrokken belangen te vergaren. Hierbij is ook van belang dat de student die informatie tijdig ontvangt, zodat zij daarop kan reageren (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5057, onder 6.1).
6.3. De Afdeling stelt vast dat de examencommissie in de brief van 23 september 2025 waarin het vermoeden van fraude kenbaar is gemaakt, [appellante] heeft gewezen op de inzagemogelijkheid van de proctorbeelden. Zij heeft hier echter geen gebruik van gemaakt. De proctorbeelden zijn evenwel op 13 januari 2026 met haar gedeeld. Op de zitting van 11 februari 2026 heeft [appellante] de mogelijkheid gehad om te reageren op de beelden. Zij heeft tijdens die zitting, noch in een eerder stadium van de beroepsprocedure haar beklag gedaan over het niet-tijdig beschikken over de beelden. Uit de stukken en het verhandelde op de zitting is niet gebleken dat zij herhaaldelijk om de beelden heeft verzocht. Evenmin blijkt daaruit dat zij geen inzagemogelijkheid heeft gehad. Daarnaast heeft [appellante] niet onderbouwd dat zij nadeel zou hebben ondervonden door het moment waarop zij de beelden heeft ontvangen.
Het betoog slaagt niet.
7. [appellante] betoogt verder dat niet is komen vast te staan dat zij fraude heeft gepleegd. De interactie met de tweede persoon voor de start van het tentamen, een later zichtbaar patroon aan blikbewegingen, zoomhandelingen en veronderstelde vingersignalen zijn daarvoor onvoldoende. De veronderstelde vingersignalen zijn bovendien niet op beeld vastgelegd. Alternatieve verklaringen zoals concentratie, stress, leesbaarheid van de tekst op het scherm en de aanwezigheid van haar broer voor de camera-instelling, zijn niet kenbaar weerlegd met objectieve audiovisuele tegenindicaties.
8. De Afdeling is van oordeel dat het CBE terecht tot de conclusie is gekomen dat [appellante] heeft gefraudeerd in de zin van artikel 2.3.2, eerste lid van het Examenreglement. Dit blijkt uit de geconstateerde onregelmatigheden, zoals de onvolledige roomscan, de onjuiste positionering van de tweede camera en het aanwezig zijn van een tweede persoon in de kamer, in samenhang met de handelingen die gedurende de tentamensessie hebben plaatsgevonden. Zo blijkt uit de op zitting getoonde proctorbeelden dat voordat de eerste tentamenvragen in beeld zijn, [appellante] overlegt met de persoon in de kamer over hoe hij zijn vingers moet positioneren, zodat zij niet steeds omhoog hoeft te kijken. Daarbij wijst zij richting de hoek links van haar die ze niet in beeld heeft gebracht tijdens de roomscan. Vanuit die hoek verschijnt eerst een hand en dan het hoofd van de tweede persoon in beeld. Hij verlaat de kamer gedurende het tentamen niet via de deur van de kamer achter [appellante], die het hele tentamen in beeld is. Zij vraagt hem of zij het tentamen mag starten. Als de vragen in beeld verschijnen ontstaat een patroon, waarbij [appellante] steeds links omhoogkijkt en vervolgens een antwoord kiest. De alternatieve verklaring die [appellante] heeft afgelegd voor het aanwezig zijn van een tweede persoon in de ruimte heeft het CBE niet aannemelijk mogen achten. Daarbij betrekt de Afdeling dat [appellante] hierover verschillende verklaringen heeft afgelegd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond.
10. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Yildiz
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
594-1112
BIJLAGE
Wettelijk kader
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek
Artikel 7.12b. Taken en bevoegdheden examencommissie
[…]
2. Indien een student of extraneus fraudeert, kan de examencommissie de betrokkene het recht ontnemen één of meer door de examencommissie aan te wijzen tentamens of examens af te leggen, gedurende een door de examencommissie te bepalen termijn van ten hoogste een jaar. Bij ernstige fraude kan het instellingsbestuur op voorstel van de examencommissie de inschrijving voor de opleiding van de betrokkene definitief beëindigen.
[…]
Examenreglement 2025-2026
Artikel 2.3.2 Definitie fraude
1. Onder fraude wordt in ieder geval verstaan ieder — al dan niet opzettelijk- handelen of nalaten van een tentamenkandidaat welke het vormen van een juist oordeel over zijn kennis, inzicht en vaardigheden geheel of gedeeltelijk onmogelijk maakt en/of het al dan niet opzettelijk beïnvloeden van (onderdelen van) het examenproces met als doel het resultaat van het tentamen te beïnvloeden. Voorgaande zin is eveneens van toepassing op het aanzetten van andere studenten tot fraude.
Artikel 2.3.6 Sancties
2. Voorts kan de CvE de volgende sancties opleggen:
a. Het verlies van een of meerdere tentamenkansen, waarop krachtens de inschrijvingsvoorwaarden recht bestaat.
Artikel 2.4.2 Onregelmatigheid
1. Een onregelmatigheid is iedere gebeurtenis bij een tentamen waardoor het kennen en kunnen van de kandidaat niet kan worden vastgesteld of de kwaliteit van het tentamen of examen niet kan worden geborgd.
2. Van een onregelmatigheid is in elk geval sprake wanneer:
a. Het door een student handelen in strijd met de instructies, vermeld in het cursusmateriaal of de regelgeving die betrekking hebben op de verplichtingen bij het afleggen van een tentamen of bijzondere verplichting, zie hiervoor ook bijlage 7: Instructies in verband met de tentamenzitting.
b. Het door een student niet volgen van de aanwijzingen/instructies van de surveillant dan wel bij een (digitale) tentamensessie.
Voorbeelden van het door onder a en b genoemde zijn:
[…]
2. Voor tentamens welke afgenomen worden middels proctoring
- Het opstarten van het tentamen na 15 minuten na aanvang van het tijdstip zoals opgenomen op de oproepbrief.
- Het tijdens de tentamensessie voorhanden hebben van mobiele telefoon(s) (niet zijnde de mobiele telefoon welke fungeert als tweede camera), tablet (niet zijnde de tablet welke fungeert als tweede camera), smartwatch, horloge, armbanden, koptelefoon, headset, andere smart devices, andere
apparatuur, niet behorende tot de toegestane hulpmiddelen.
- Het tijdens de tentamensessie bij zich hebben van boeken, syllabi, ~pagina's, applicaties, aantekeningen of andere geschriften, waarvan de raadpleging niet uitdrukkelijk is toegestaan krachtens de gepubliceerde bepalingen met betrekking tot toegestane hulpmiddelen.
- Het voorhanden hebben van fysiek kladpapier bij een geheim tentamen.
- Het beschrijven van fysiek kladpapier bij een geheim tentamen.
- Het voorhanden hebben van beschreven tabjes in een wettenbundel.
- Het tijdens de tentamensessie voorhanden hebben van andere voorwerpen (niet zijnde apparatuur) welke niet behoren tot de toegestane hulpmiddelen.
- Het tijdens de tentamensessie niet tonen van een geldig identiteitsbewijs c.q. de identiteit van de tentamenkandidaat niet is vast te stellen.
- Het tijdens de tentamensessie communiceren met andere personen niet zijnde de surveillant.
- Het tijdens de tentamensessie (deels) uit beeld verdwijnen.
- Het tijdens de tentamensessie aanwezig zijn van andere personen in de tentamenruimte.
- Student maakt geen correcte roomscan.
- Student toont niet het volledige bureaublad.
- Student toont niet de ruimte onder het bureaublad.
- Student toont zijn toegestane hulpmiddelen niet op de voorgeschreven wijze.
- Student dekt een camera af.
- Student stelt de tweede camera niet op conform de instructies, waarbij student, de werkplek en het bureaublad duidelijk in beeld moeten zijn tijdens de tentamensessie.
Instructies in verband met de tentamenzitting 2025-2026
Bijlage 7
Wanneer het tentamen middels proctoring wordt afgenomen, dient de student gedurende de hele tentamensessie de instructies te volgen, zoals
- zijn legitimatiebewijs te tonen;
- een 360 graden roomscan te maken, inclusief het tonen van het hele (schone) bureaublad 5 en de ruimte onder het bureaublad, conform de daarvoor verstrekte instructies;
- zijn tentamenhulpmiddelen en/of hulpmiddelen op basis van toegekende voorzieningen voor de camera te tonen en, indien van toepassing, door te bladeren;
- de niet toegestane apparatuur voor de start van de tentamensessie uit de ruimte te verwijderen dan wel af te dekken;
- alleen in de ruimte aanwezig te zijn;
- niet communiceren met andere personen;
- niet samen te werken, in welke vorm dan ook;
- de ruimte niet te verlaten en dient hij de hele tijd duidelijk in beeld te zijn, behalve wanneer het legitimatiebewijs en de eventuele hulpmiddelen getoond moeten worden en bij het maken van een roomscan inclusief het (schoon) bureaublad.