ECLI:NL:RVS:2026:5867

ECLI:NL:RVS:2026:5867

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 05-10-2026
Zaaknummer BRS.26.004097
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 25 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. De minister heeft het verzoek om internationale bescherming van 30 januari 2026 van appellant niet in behandeling genomen, omdat Zweden daarvoor op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is. Appellant heeft eerder, op 29 augustus 2025, ook een verzoek om internationale bescherming ingediend in België. Het besluit waarin de Belgische autoriteiten hebben bepaald dat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek is in rechte vast komen te staan. Appellant is op 30 oktober 2025 door de Belgische autoriteiten overgedragen aan Zweden. Vervolgens is hij naar Nederland gereisd en heeft hij voorliggend verzoek om internationale bescherming ingediend.

Uitspraak

BRS.26.004097

ECLI:NL:RVS:2026:5867

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Verwijzingsuitspraak in het kader van het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 30 juli 2026 in zaak nr. NL26.36760 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 30 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. P.J. Schüller, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd.

De minister heeft nadere stukken ingediend.

Bij brief van 11 september 2026 heeft de Afdeling partijen meegedeeld dat zij voornemens is om het Hof van Justitie te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de in deze zaak voor te leggen vragen. Aan partijen zijn de vragen in concept voorgelegd.

De minister en appellant hebben hierop gereageerd.

Overwegingen

Inleiding

1. Deze verwijzingsuitspraak gaat over de uitleg van artikel 84, tweede lid, van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (EU) nr. 2024/1351, PB 2024, L 1351, gerectificeerd bij 2025/90929 (de Amb-verordening). Daarbij is de vraag of en, zo ja, wanneer artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening van toepassing is op beroepsprocedures over vóór 12 juni 2026 geregistreerde verzoeken om internationale bescherming, waarin de minister de verantwoordelijke lidstaat heeft bepaald aan de hand van de in Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening) neergelegde criteria. In het verlengde daarvan speelt een vraag over de uitleg en de geldigheid van de artikelen 84, tweede lid, en 85 en de in artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening neergelegde beperking van de beroepsomvang in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten (het EU Handvest).

1.1. In deze verwijzingsuitspraak geeft de Afdeling eerst de feiten en het verloop van de procedure weer (onder 2 tot en met 3.1). Daarna zet zij het relevante wettelijk kader uiteen. Vervolgens geeft de Afdeling een voorlopig oordeel en licht zij toe waarom zij aanleiding ziet om prejudiciële vragen te stellen (onder 4 tot en met 6.1), waarna zij die vragen formuleert (onder 7). Onder 8 doet de Afdeling een verzoek om deze vragen versneld te behandelen (PPA).

De feiten en het verloop van de procedure

2. De minister heeft het verzoek om internationale bescherming van 30 januari 2026 van appellant niet in behandeling genomen, omdat Zweden daarvoor op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is. Appellant heeft eerder, op 29 augustus 2025, ook een verzoek om internationale bescherming ingediend in België. Het besluit waarin de Belgische autoriteiten hebben bepaald dat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van dit verzoek is in rechte vast komen te staan. Appellant is op 30 oktober 2025 door de Belgische autoriteiten overgedragen aan Zweden. Vervolgens is hij naar Nederland gereisd en heeft hij voorliggend verzoek om internationale bescherming ingediend.

2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Zij heeft daarover overwogen dat het betoog van appellant, dat Zweden niet verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn verzoek om internationale bescherming, buiten de draagwijdte valt van het rechtsmiddel dat is neergelegd in artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening. Volgens de rechtbank is deze lezing van artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening niet in strijd met artikel 47 van het EU Handvest.

Standpunten in hoger beroep

3. Appellant klaagt in hoger beroep ten eerste over het oordeel van de rechtbank dat artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening van toepassing is. Volgens appellant is dat artikellid, gelet op artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening, ook na 12 juni 2026 niet van toepassing op een beroepsprocedure over een verzoek om internationale bescherming dat een lidstaat voor 12 juni 2026 heeft geregistreerd. Daarbij is volgens appellant niet van belang of de minister voor of na 12 juni 2026 een besluit op dat verzoek heeft genomen. Volgens appellant doet toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening in zijn geval af aan het nuttig effect van het in artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening neergelegde overgangsrecht. Appellant wijst er verder op dat het strijd oplevert met het rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel als artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening de draagwijdte van zijn beroep beperkt, terwijl dat niet geldt voor verzoekers die rond hetzelfde tijdstip een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend, maar op wier verzoek de minister voor 12 juni 2026 een besluit heeft genomen. De toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening betekent in zijn geval bovendien dat hem de toegang tot een effectief rechtsmiddel wordt ontzegd. Hier hangt mee samen dat tegen het overdrachtsbesluit in de Belgische procedure geen rechtsgang meer openstaat. De rechtbank heeft niet onderkend dat zij de draagwijdte van het beroep had moeten vaststellen aan de hand van artikel 27 van de Dublinverordening, aldus appellant.

Voor zover artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening wel van toepassing is, betoogt appellant ten tweede dat de rechtbank niet heeft onderkend dat na het overdrachtsbesluit aan het licht is gekomen dat België is uitgegaan van onjuiste informatie, waardoor zijn betoog dat Zweden ten onrechte verantwoordelijk is geworden, onder de draagwijdte valt van artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Amb-verordening.

3.1. In reactie op vragen van de Afdeling heeft de minister zich op het volgende standpunt gesteld over het primaire betoog van appellant, dat de aanleiding vormt voor deze prejudiciële verwijzing. Wanneer de minister in een overdrachtsbesluit van na 12 juni 2026 de verantwoordelijke lidstaat heeft bepaald aan de hand van de verantwoordelijkheidscriteria uit de Dublinverordening, omdat het verzoek voor 12 juni 2026 is geregistreerd (artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening), bepaalt artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening en niet artikel 27 van de Dublinverordening de draagwijdte van de rechterlijke toetsing. Voor dit standpunt acht de minister van belang dat de Uniewetgever kennelijk geen aanleiding heeft gezien om specifiek overgangsrecht te maken voor het procedurele artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening. Volgens de minister bestaat er in zoverre geen onlosmakelijk verband tussen artikel 84, tweede lid, en artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening.

Wettelijk kader

Verordening 2024/1351

Artikel 43

1. De verzoeker of een andere persoon als bedoeld in artikel 36, lid 1, punten b) en c), heeft het recht tegen het overdrachtsbesluit bij een rechterlijke instantie een doeltreffend rechtsmiddel in te stellen, in de vorm van een beroep of een bezwaar ten aanzien van de feiten en het recht.

De draagwijdte van een dergelijk rechtsmiddel is beperkt tot een beoordeling of:

a) de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten;

b) er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening;

c) inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.

(…)

Artikel 84

(…)

2. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 1 juli 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 vastgelegde criteria.

(…)

Artikel 85

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2026.

De artikelen 7 tot en met 15, artikel 22, lid 1, vierde alinea, artikel 23, lid 7, artikel 25, leden 6 en 7, artikel 34, leden 3 en 4, artikel 39, lid 3, tweede alinea, artikel 40, lid 4, artikel 40, lid 8, tweede alinea, artikel 41, lid 5, artikel 46, lid 1, vijfde alinea, artikel 46, lid 4, artikel 48, lid 4, artikel 50, lid 1, tweede alinea, artikel 50, lid 5, artikel 52, lid 4, de artikelen 56 en 57, artikel 64, lid 3, artikel 67, lid 14, en de artikelen 78 en 84 zijn echter van toepassing met ingang van 11 juni 2024.

Rectificatie 2025/90929

(…)

8. Bladzijde 67, artikel 84, lid 2:

in plaats van: "2. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór

1 juli 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 vastgelegde criteria."

lezen: "Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór

12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 vastgelegde criteria.".

Voorlopig oordeel van de Afdeling

4. De Afdeling is vooralsnog van oordeel dat het rechtszekerheidsbeginsel en het recht op effectieve rechtsbescherming dat is neergelegd in artikel 47 van het EU Handvest, gelet op artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening, zich ertegen verzetten dat de procedureregel in artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening onmiddellijke toepassing vindt in procedures waarin het verzoek om internationale bescherming voor 12 juni 2026 is geregistreerd en de minister de verantwoordelijke lidstaat dus heeft bepaald aan de hand van de in de Dublinverordening neergelegde criteria. De Afdeling licht dit hieronder toe.

4.1. Voor alle verzoeken die voor 12 juni 2026 zijn geregistreerd, geldt overeenkomstig het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening dat een lidstaat de verantwoordelijkheid moet bepalen op grond van de Dublinverordening. De Afdeling stelt vast dat uit de tekst van artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening niet valt af te leiden of voor de toepassing van dit artikellid relevant is dat het eerste verzoek om internationale bescherming is geregistreerd in een van de lidstaten of het verzoek om internationale bescherming is geregistreerd in de nu overdragende lidstaat. In deze zaak is zowel het verzoek in België als dat in Nederland geregistreerd voor 12 juni 2026, zodat het antwoord op deze vraag niet bepalend is voor de beoordeling.

Artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening heeft volgens de Afdeling niet alleen betekenis voor het antwoord op de vraag op grond van welk recht de minister na 12 juni 2026 de verantwoordelijke lidstaat moet bepalen. Artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening heeft volgens de Afdeling ook na 12 juni 2026 betekenis in lopende procedures in zaken over overdrachtsbesluiten. Naar het voorlopig oordeel van de Afdeling blijft in zaken waarin de lidstaat het verzoek om internationale bescherming voor 12 juni 2026 heeft geregistreerd, de Dublinverordening bepalend in rechterlijke procedures over de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. Een beperkte uitleg van het overgangsrecht die vervolgens in de weg staat aan de rechterlijke toetsing van de wijze waarop een lidstaat de verantwoordelijkheid heeft bepaald, lijkt in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en recht op effectieve rechtsbescherming. Naar het oordeel van de Afdeling is deze lezing in lijn met de rechtspraak van het Hof over artikel 47 van het EU Handvest, waaruit volgt dat een verzoeker als appellant in beroep tegen een overdrachtsbesluit moet kunnen aanvoeren dat een lidstaat de criteria voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat onjuist heeft toegepast (zie de arresten van het Hof van 7 juni 2016, Ghezelbash, ECLI:EU:C:2016:409, punten 30 tot en met 61, en Karim, ECLI:EU:C:2016:410, punten 20 tot en met 27).

4.1.1. Naar het voorlopig oordeel van de Afdeling is het daarbij niet relevant of de minister voor of na 12 juni 2026 een besluit op het verzoek om internationale bescherming heeft genomen, maar of de lidstaat het verzoek om internationale bescherming voor of na 12 juni 2026 heeft geregistreerd. De Afdeling acht het, mede in het licht van het gelijkheidsbeginsel, namelijk onwenselijk als de draagwijdte van het recht op beroep in lopende procedures over verzoeken die voor 12 juni 2026 zijn geregistreerd, afhankelijk zou worden van het verloop van de procedure, terwijl de Uniewetgever voor de overgangsrechtelijke bepaling in artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening uitdrukkelijk en uitsluitend aansluiting heeft gezocht bij de datum van registratie van het verzoek om internationale bescherming. De enkele omstandigheid dat een vreemdeling na 12 juni 2026 beroep aantekent tegen een overdrachtsbesluit is volgens de Afdeling om dezelfde reden niet bepalend, omdat dat moment op zijn beurt weer afhangt van de datum waarop de minister een besluit op het verzoek neemt.

4.2. De Afdeling kiest er daarom voor om, in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen in deze zaak, een ruime uitleg te geven aan de rechtsbescherming van vreemdelingen. Dat betekent dat zij in alle zaken over vóór 12 juni 2026 in Nederland geregistreerde verzoeken om internationale bescherming, waarin de minister de verantwoordelijke lidstaat overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening heeft bepaald aan de hand van de in de Dublinverordening neergelegde criteria, de draagwijdte van het beroep vaststelt op dezelfde manier als zij dat deed op grond van artikel 27 van de Dublinverordening en de bestaande rechtspraak daarover. De Afdeling zal bij haar beoordeling van uitspraken van de rechtbank in eerste aanleg toetsen of deze kunnen standhouden in het licht van deze ruime uitleg. De Afdeling begrijpt artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening in dat verband zo dat onder ‘vastgestelde criteria’ alle bepalingen uit de Dublinverordening vallen op grond waarvan een lidstaat zijn verantwoordelijkheid kan bepalen. Deze criteria zijn naar het voorlopig oordeel van de Afdeling dus niet beperkt tot de materiële criteria voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat uit hoofdstuk III van de Dublinverordening in het geval van overname, maar omvatten ook de bepalingen over terugname en de discretionaire en procedurele bepalingen, zoals de artikelen 17 en 29 van de Dublinverordening. De Afdeling wijst er, ter vergelijking, op dat enkele rechters in andere lidstaten dezelfde uitleg geven aan de omvang van artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening (zie onder meer de uitspraak van Verwaltungsgericht Aachen van 14 juli 2026, ECLI:DE:VGAC:2026:0714.4L490.26A.00).

Aanleiding voor de eerste en tweede prejudiciële vraag

5. De Afdeling stelt tegelijkertijd vast dat dit voorlopig oordeel mogelijk op gespannen voet staat met het Unierechtelijke uitgangspunt dat procedureregels geacht worden te gelden vanaf de datum waarop zij in werking treden en dus ook van toepassing zijn op alle lopende procedures (zie de arresten van het Hof van 12 november 1981, Meridionale Industria Salumi e.a., ECLI:EU:C:1981:270, punt 9, en 26 maart 2015,

Commissie/Moravia Gas Storage, ECLI:EU:C:2015:203, punt 33). Dat is niet het geval als een procedureregel gepaard gaat met bijzondere bepalingen die specifieke voorwaarden hierover vastleggen of wanneer het stadium waarin de desbetreffende procedure zich bevindt daartoe aanleiding geeft, omdat onmiddellijke toepassing betekent dat het artikel terugwerkende kracht krijgt (zie de arresten van het Hof van 6 maart 2025, FT tegen België, ECLI:EU:C:2025:141, punt 72, en 27 juni 2017, NC, ECLI:EU:C:2017:437, punten 35 tot en met 38). De Afdeling gaat daar hieronder nader op in. De Afdeling wijst er daarbij op dat enkele rechters in andere lidstaten uitgaan van de onmiddellijke werking van artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening, ook wanneer het gaat om verzoeken om internationale bescherming die voor 12 juni 2026 zijn geregistreerd (zie onder meer deze uitspraken van Oberverwaltungsgericht Mecklenburg-Vorpommern van 22 juni 2026, ECLI:DE:OVGMV:2026:0622, onder 19, Verwaltungsgericht Stuttgart van 3 augustus 2026, ECLI:DE:VGSTUTT:2026:0803.A13K6575.26.00, onder 20 tot en met 23, en het Oostenrijkse Bundesverwaltungsgericht van 2 juli 2026, ECLI:AT:BVWG:2026:W610.2345633.1.00, onder 1.2).

5.1. Volgens de hoofdregel van artikel 85 van de Amb-verordening heeft de verordening onmiddellijke werking vanaf 12 juni 2026. De Amb-verordening voorziet niet in een specifieke overgangsrechtelijke bepaling die regelt dat artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening geen onmiddellijke toepassing vindt. Gelet op de letterlijke bewoordingen van artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening valt artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening niet onder het toepassingsbereik van het daarin neergelegde overgangsrecht. Het artikellid heeft immers geen invloed op de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat door de bevoegde autoriteit, maar regelt slechts de draagwijdte van het recht op beroep dat tegen een overdrachtsbesluit openstaat.

5.2. Onmiddellijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening betekent in het geval van appellant verder strikt genomen niet dat het artikellid verboden terugwerkende kracht krijgt, omdat appellant zijn beroepsprocedure heeft ingeleid na 12 juni 2026. Daarmee doet zich niet een situatie voor waarin een eerder op grond van artikel 27 van de Dublinverordening verworven en toegepast recht alsnog wordt beperkt door de onmiddellijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening. Dat zou pas anders kunnen zijn in gevallen waarin het beroepschrift voor 12 juni 2026 is ingediend of de rechter voor die datum het onderzoek ter zitting heeft gesloten.

Aanleiding voor de derde prejudiciële vraag

6. Voor zover artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening wel van toepassing is, volgt de Afdeling, gelet op de letterlijke bewoordingen van dit artikellid, vooralsnog appellant niet in zijn betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het betoog dat Zweden niet de verantwoordelijke lidstaat is, buiten de draagwijdte van het rechtsmiddel in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Amb-verordening valt. Anders dan appellant betoogt, is de Afdeling voorlopig van oordeel dat de omstandigheid dat pas in de Nederlandse procedure aan het licht is gekomen dat de Belgische autoriteiten van de verkeerde informatie zijn uitgegaan, niet valt onder ‘omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening’ in artikel 43, eerste lid, aanhef en onder b, van de Amb-verordening. De omstandigheid dat de Zweedse autoriteiten de verblijfsvergunning van appellant hebben ingetrokken, heeft zich immers niet voorgedaan na het overdrachtsbesluit. Dat in de Belgische procedure niet in geschil was dat de Zweedse autoriteiten zijn verblijfsvergunning hebben ingetrokken per 17 februari 2023 en dat hij daartegen geen effectief rechtsmiddel heeft kunnen aanwenden, maakt dit niet anders.

6.1. Als artikel 85, in combinatie gelezen met het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening zo moet worden uitgelegd dat de beperking van de rechterlijke toetsing op grond van artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening onmiddellijke werking heeft bij verzoeken die een lidstaat voor 12 juni 2026 heeft geregistreerd, rijst bij de Afdeling daarom in deze zaak de vraag of artikelen 84, tweede lid, en 85 van de Amb-verordening geldig zijn in het licht van het recht op effectieve rechtsbescherming op grond van artikel 47 van het EU Handvest.

Prejudiciële vragen

7. Gelet op alles wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, verzoekt de Afdeling het Hof om, bij wijze van prejudiciële beslissing, antwoord te geven op de volgende prejudiciële vragen:

Eerste vraag

Moet artikel 84, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer, gerectificeerd bij 2025/90929, aldus worden uitgelegd dat met de "volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 vastgelegde criteria" uitsluitend de in hoofdstuk III van deze Verordening neergelegde materiële criteria worden bedoeld? Zo nee, welke bepalingen uit Verordening (EU) nr. 604/2013 worden daar nog meer mee bedoeld?

Tweede vraag

a) Moeten de artikelen 84, tweede lid, en 85 van Verordening (EU) nr. 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer, gelezen in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel en het recht op effectieve rechtsbescherming, neergelegd in artikel 47 van het EU Handvest, zo worden uitgelegd dat artikel 43, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2024/1351 van toepassing is op een beroepsprocedure tegen een overdrachtsbesluit waarin de minister de verantwoordelijke lidstaat overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2024/1351 heeft bepaald aan de hand van de in Verordening (EU) nr. 604/2013 vastgelegde criteria?

b) Is het, mede in het licht van het gelijkheidsbeginsel, voor de beantwoording van deze vraag van belang of de minister voor of na 12 juni 2026 een besluit op het verzoek om internationale bescherming heeft genomen of is daarvoor een moment in de beroepsprocedure bepalend, zoals de datum waarop het rechtsmiddel is aangewend of de rechter het onderzoek op de zitting heeft gesloten?

Derde vraag

Indien het antwoord op vraag 2a bevestigend luidt: zijn de artikelen 84, 85, tweede lid, en 43, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2024/1351 geldig in het licht van het recht op effectieve rechtsbescherming, neergelegd in artikel 47 van het EU Handvest, als artikel 43, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2024/1351 ertoe leidt dat de in dat artikellid neergelegde beperking van de draagwijdte van het rechtsmiddel een verzoeker belet om de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat te betwisten wanneer het verzoek om internationale bescherming is geregistreerd voor 12 juni 2026?

Verzoek om versnelde behandeling (PPA)

8. De Afdeling verzoekt het Hof om toepassing van de versnelde procedure (PPA). De prejudiciële vragen gaan over het overgangsrecht van de Amb-verordening en de rechterlijke toetsing van overdrachtsbesluiten. De uitleg van het Hof is nu van het grootste belang, omdat de Amb-verordening, als essentieel onderdeel van het EU Asiel- en Migratiepact, op 12 juni 2026 van kracht is geworden en deze vragen voorliggen in alle zaken over overdrachtsbesluiten waarin de betrokken lidstaat een verzoek om internationale bescherming voor 12 juni 2026 heeft geregistreerd. Dergelijke overgangsrechtelijke situaties doen zich op dit moment veelvuldig voor. De Afdeling licht het belang van een versnelde procedure verder toe.

Verzoekers om internationale bescherming in zaken als deze hebben in de eerste plaats recht op een spoedige behandeling van hun verzoek om internationale bescherming en daarmee ook op een spoedige vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. In de beroepsprocedure tegen een overdrachtsbesluit hebben zij recht op effectieve rechtsbescherming, zoals dat is neergelegd in artikel 47 van het EU Handvest. Hoe ver dat recht strekt is de kern van deze prejudiciële vragen.

Daarnaast geldt voor al deze zaken dat de overdracht is gebonden aan termijnen. Hoewel in bepaalde gevallen, zoals dat van appellant, de lidstaat de overdrachtstermijn kan verlengen, waardoor de uitleg van het Hof ook de komende jaren nog relevant blijft, geldt voor de meeste gevallen dat de mogelijkheid voor een lidstaat om een vreemdeling over te dragen na zes maanden verstrijkt. Met het verstrijken van de overdrachtstermijn verschuift de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming naar de verzoekende lidstaat. Om deze redenen zijn de beroepsprocedures over overdrachtsbesluiten ook gebonden aan korte termijnen. Als daarbij aan de verzoeker om internationale bescherming niet de juiste rechtsbescherming wordt geboden, is dat niet meer terug te draaien.

Tot slot is de beantwoording van deze prejudiciële vragen niet alleen van groot belang voor de verdere behandeling van een aanzienlijk aantal bij de Nederlandse bestuursrechter aanhangige zaken, maar voor de rechtsbescherming in alle lidstaten waarin deze vragen voorliggen. De Afdeling is ermee bekend dat het enkele feit dat een rechtsvraag in veel zaken speelt op zichzelf niet zonder meer een behandeling in een versnelde procedure rechtvaardigt. Zij wijst er daarom op dat haar nu al gebleken is dat er geen rechtseenheid is binnen de Unie over het overgangsrecht in de Amb-verordening (zie de onder 4.1 en 5 van deze uitspraak aangehaalde rechtspraak). Voor de uniforme toepassing van de Amb-verordening is de eenduidige uitleg en toepassing van het overgangsrecht echter van groot belang voor de goede werking van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (vgl. de beschikkingen van 15 februari 2017, Mengesteab, EU:C:2017:120, punten 11 tot en met 13, en Jafari, EU:C:2017:138, punten 11 tot en met 13, en de beschikking van 22 mei 2025, Framholm, C-195/25, punten 16 en 17). Het antwoord van het Hof zal dan ook van grote betekenis zijn voor de nationale autoriteiten en rechters in alle lidstaten die de Amb-verordening moeten toepassen.

Conclusie

9. De Afdeling zal de behandeling van het hoger beroep in zaak nr. BRS.26.004097 schorsen totdat het Hof uitspraak heeft gedaan.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vragen:

1) Moet artikel 84, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer, gerectificeerd bij 2025/90929, aldus worden uitgelegd dat met de "volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 vastgelegde criteria" uitsluitend de in hoofdstuk III van deze Verordening neergelegde materiële criteria worden bedoeld? Zo nee, welke bepalingen uit Verordening (EU) nr. 604/2013 worden daar nog meer mee bedoeld?

2a) Moeten de artikelen 84, tweede lid, en 85 van Verordening (EU) nr. 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer, gelezen in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel en het recht op effectieve rechtsbescherming, neergelegd in artikel 47 van het EU Handvest, zo worden uitgelegd dat artikel 43, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2024/1351 van toepassing is op een beroepsprocedure tegen een overdrachtsbesluit waarin de minister de verantwoordelijke lidstaat overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 2024/1351 heeft bepaald aan de hand van de in Verordening (EU) nr. 604/2013 vastgelegde criteria?

2b) Is het, mede in het licht van het gelijkheidsbeginsel, voor de beantwoording van deze vraag van belang of de minister voor of na 12 juni 2026 een besluit op het verzoek om internationale bescherming heeft genomen of is daarvoor een moment in de beroepsprocedure bepalend, zoals de datum waarop het rechtsmiddel is aangewend of de rechter het onderzoek op de zitting heeft gesloten?

3) Indien het antwoord op vraag 2a bevestigend luidt: zijn de artikelen 84, 85, tweede lid, en 43, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2024/1351 geldig in het licht van het recht op effectieve rechtsbescherming, neergelegd in artikel 47 van het EU Handvest, als artikel 43, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 2024/1351 ertoe leidt dat de in dat artikellid neergelegde beperking van de draagwijdte van het rechtsmiddel een verzoeker belet om de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat te betwisten wanneer het verzoek om internationale bescherming is geregistreerd voor 12 juni 2026?

II. schorst de behandeling van het hoger beroep tot het Hof van Justitie van de Europese Unie uitspraak heeft gedaan en houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

w.g. Sevenster

voorzitter

w.g. Mercelina

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026

938-1118

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.G. Sevenster
  • mr. M. Soffers
  • mr. J.H. van Breda

Griffier

  • mr. M.M. Mercelina

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand