ECLI:NL:RVS:2026:5891

ECLI:NL:RVS:2026:5891

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 202505758/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 9 februari 2024 heeft de directeur-generaal van de statistiek een last onder dwangsom opgelegd. [appellant] heeft een eenmansbedrijf met accommodaties voor recreatie op het adres [locatie]. Deze procedure is gaan lopen omdat [appellant] de vragenlijst Inventarisatie Logiesaccommodaties 2024 niet aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft teruggestuurd. Hij is daartoe verplicht op grond van artikel 33, derde en vierde lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek. Het geschil gaat over de vraag of het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 9 februari 2024 (de last onder dwangsom) ontvankelijk is. De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift liep tot en met 25 maart 2024. [appellant] heeft op 9 april 2024 bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom.

Uitspraak

202505758/1/A2.

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 7 oktober 2025 in zaak nr. 24/3409 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directeur-generaal van de statistiek.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2024 heeft de directeur-generaal een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 25 maart 2024 heeft de directeur-generaal de verbeurde dwangsom van € 600,00 ingevorderd.

Bij besluit van 1 mei 2024 heeft de directeur-generaal het door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voor zover gericht tegen het besluit van 9 februari 2024 en ongegrond verklaard voor zover gericht tegen het besluit van 25 maart 2024.

Bij uitspraak van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De directeur-generaal heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 25 juni 2026, waar [appellant] en de directeur-generaal, vertegenwoordigd door mr. ing. P.J.M. Koenen en mr. drs. M. Dols, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft een eenmansbedrijf met accommodaties voor recreatie op het adres [locatie]. Deze procedure is gaan lopen omdat [appellant] de vragenlijst Inventarisatie Logiesaccommodaties 2024 niet aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft teruggestuurd. Hij is daartoe verplicht op grond van artikel 33, derde en vierde lid, van de Wet op het Centraal bureau voor de statistiek.

2. Het geschil gaat over de vraag of het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 9 februari 2024 (de last onder dwangsom) ontvankelijk is. De termijn voor het indienen van het bezwaarschrift liep tot en met 25 maart 2024. [appellant] heeft op 9 april 2024 bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom.

Beoordeling van het hoger beroep

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat PostNL de aangetekende brief met de last onder dwangsom niet op zijn adres heeft aangeboden en dat hij ook geen afhaalbericht heeft ontvangen. Hij heeft pas kennisgenomen van de last onder dwangsom toen de bezwaartermijn al was verstreken en heeft toen onmiddellijk bezwaar gemaakt. Verder stelt [appellant] dat post van het CBS structureel niet bij hem wordt bezorgd. Hij betoogt dat het CBS dit had moeten signaleren en daarover telefonisch contact met hem had moeten opnemen.

3.1. Als een stuk van een bestuursorgaan of rechterlijke instantie aangetekend is verzonden en belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, moet worden onderzocht of het postvervoerbedrijf het stuk op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende heeft aangeboden. Als het interne systeem van het postvervoerbedrijf laat zien dat de bezorger het stuk op het juiste adres heeft uitgereikt of daar een zogenoemd afhaalbericht in de brievenbus heeft achtergelaten of belanghebbende een digitaal afhaalbericht heeft verstuurd, rechtvaardigt dat het vermoeden dat het stuk op regelmatige wijze op dat adres is aangeboden.

3.2. Als belanghebbende stelt dat het stuk niet is uitgereikt of geen afhaalbericht (op het juiste adres) is achtergelaten en hij ook geen digitaal afhaalbericht heeft ontvangen, dan ligt het op zijn weg om het aan de gegevens van het postvervoerbedrijf ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat belanghebbende feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is ontvangen of aangeboden. Als belanghebbende erin slaagt het vermoeden te ontzenuwen, dan moet worden aangenomen dat het stuk niet op regelmatige wijze op het adres van belanghebbende is aangeboden.

3.3. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd. Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd. Als een indiener stelt dat het niet tijdig indienen van een bezwaarschrift of beroepschrift niet aan hem kan worden toegerekend, is het in de eerste plaats aan hem om feiten en omstandigheden aannemelijk te maken waaruit dit volgt.

3.4. De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht geoordeeld dat de directeur-generaal het door [appellant] gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.5. De Afdeling heeft vastgesteld dat het adres [locatie] het juiste adres is voor postbezorging. Ook beschikte het CBS over het juiste e-mailadres. Niet in geschil is dat het CBS de brief met de last onder dwangsom op correcte wijze met aangetekende post heeft verstuurd en dat deze brief niet is aangenomen op het adres van [appellant] en niet is opgehaald bij het afhaalpunt.

3.6. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de last onder dwangsom correct bekend is gemaakt door de aangetekende verzending en dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank is onder 12 tot en met 19 van haar uitspraak gemotiveerd ingegaan op wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd. [appellant] heeft die overwegingen ook niet inhoudelijk betwist. Gelet op wat is besproken op de zitting, benoemt de Afdeling hier met name dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat uit de track&trace-gegevens van PostNL blijkt dat PostNL op 13 en 17 februari 2024 reminderservice-notificaties aan [appellant] heeft gestuurd. [appellant] heeft met de enkele stelling dat hij niets in zijn mailbox heeft ontvangen, onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd om hieraan te twijfelen. Het niet afhalen en daarmee het niet ontvangen van de aantekende brief komt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, daarom voor zijn rekening. De Afdeling stelt verder vast dat [appellant] in ieder geval het invorderingsbesluit van 25 maart 2024 en het besluit op zijn bezwaar van 1 mei 2024 heeft ontvangen. [appellant] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij structureel geen post en e-mails van het CBS ontvangt. Gelet hierop heeft [appellant] naar het oordeel van de Afdeling geen feiten en omstandigheden gesteld die tot het oordeel leiden dat hem geen verwijt kan worden gemaakt dat hij het bezwaarschrift te laat heeft ingediend. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat de directeur-generaal er op de zitting op heeft gewezen dat de last onder dwangsom, naast de verzending met aangetekende en gewone post, ook aan het juiste e-mailadres van [appellant] is verstuurd, net zoals een herinnering daarvan. Op de zitting heeft het CBS toegelicht dat het door de grote hoeveelheid handhavingszaken, vele duizenden per jaar, niet mogelijk is om met alle betrokkenen telefonisch contact op te nemen.

3.7. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

5. De directeur-generaal hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Verburg

voorzitter

w.g. De Vink

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026

154-1197

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. D.A. Verburg
  • mr. C.H. Bangma
  • mr. M.J.M. Ristra-Peeters

Griffier

  • mr. P.A. de Vink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand