202504863/1/A3.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Oudewater,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 september 2025 in zaak nrs. 25/4514 en 25/4515 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
de burgemeester van Oudewater.
Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2025 heeft de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet besloten om de woning van [appellant A] en [appellant B] aan de [locatie] in Oudewater voor de duur van drie maanden te sluiten.
Bij besluit van 30 juli 2025 heeft de burgemeester het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 1 september 2025 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant A] en [appellant B] en de burgemeester hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2026, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. M.P. Harten, advocaat in Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door B. Vuur en Z. Baouch, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant A] en [appellant B] zijn eigenaren van het perceel [locatie] in Oudewater. Op het perceel staan verschillende gebouwen, waaronder een hoofdwoning, een seniorenwoning en een kattenpension. [appellant A] en [appellant B] wonen in de seniorenwoning en exploiteren het kattenpension. Hun zoon maakte sinds 2022 met zijn gezin gebruik van de hoofdwoning. In een bestuurlijke rapportage van 7 maart 2025 staat dat de politie op 22 februari 2025 de hoofdwoning heeft doorzocht. Daarbij zijn 112,20 gram amfetamine, 804,10 gram hennep en twee luchtbuksen en wapentoebehoren aangetroffen. De burgemeester heeft daarom bij besluit van 16 april 2025 besloten om op grond van artikel 13b van de Opiumwet de hoofdwoning vanaf 29 april 2025 om 10:00 uur voor de duur van drie maanden te sluiten. De sluiting van de woning heeft tot op heden niet plaatsgevonden, omdat de voorzieningenrechter van de rechtbank en later de voorzieningenrechter van de Afdeling de burgemeester heeft opgedragen niet over te gaan tot sluiting van de woning totdat uitspraak is gedaan op het (hoger) beroep van [appellant A] en [appellant B].
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester mocht besluiten de woning voor 3 maanden te sluiten. De sluiting is noodzakelijk om de bekendheid van het pand in het criminele circuit te doorbreken, recidive te voorkomen en een signaal naar de buitenwereld af te geven. Mede van belang hierbij is dat uit bestuurlijke rapportages volgt dat er verschillende verdachte bezoekjes aan het kattenhotel zijn gebracht en daarom sprake was van loop naar de woning. Daarnaast is een persoon wiens woning ook op grond van artikel 13b Opiumwet is gesloten op het terrein van [appellant A] en [appellant B] gezien. Deze persoon is bevriend met de zoon van [appellant A] en [appellant B] en is vermoedelijk betrokken bij het drugsnetwerk in Oudewater, wat een risico op recidive oplevert. Verder is de sluiting evenwichtig en in verhouding met de te dienen doelen van de sluiting. Bij [appellant A] en [appellant B] ontbreekt niet iedere verwijtbaarheid, omdat zij min of meer hebben geaccepteerd dat hun zoon en voormalige schoondochter de woning gebruikten voor illegale doeleinden en zij hier geen toezicht op konden uitoefenen, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
3. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het tijdsverloop in dit geval sluiting onevenredig maakt. Sinds de inval zijn er geen nieuwe relevante feiten die sluiting rechtvaardigen, aldus [appellant A] en [appellant B].
3.1. In haar overzichtsuitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
3.2. Niet in geschil is dat de burgemeester bevoegd was de woning van [appellant A] en [appellant B] te sluiten. Deze zaak gaat over de vraag of de sluiting evenredig was. De Afdeling is van oordeel dat sluiting van de woning ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar niet evenredig was. Dit betekent dat het hoger beroep gegrond is. Hieronder legt de Afdeling uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3.3. De last onder bestuursdwang is een herstelmaatregel, in dit geval met als doel het beëindigen van de geconstateerde overtreding van de Opiumwet, het tenietdoen van de gevolgen daarvan en het voorkomen van verdere overtredingen van de Opiumwet, steeds in of vanuit de woning. Deze maatregel houdt doorgaans in dat een woning voor een bepaalde duur wordt gesloten. Tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop de burgemeester ingevolge zijn besluitvorming tot sluiting overgaat, kan ertoe leiden dat sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet redelijkerwijs niet meer zal bijdragen aan het bereiken van de doelen die met een dergelijke sluiting worden gediend. Door tijdsverloop kan zich namelijk de situatie voordoen dat de onrechtmatige situatie al is hersteld en beëindiging van de overtreding en de negatieve effecten daarvan en het voorkomen van herhaling niet meer aan de orde zijn of niet meer in die mate dat de woning moet worden gesloten.
3.4. Op 22 februari 2025 is de hoofdwoning doorzocht en zijn harddrugs, softdrugs en twee luchtbuksen met wapentoebehoren aangetroffen. De Afdeling is van oordeel dat sluiting van de hoofdwoning ten tijde van het besluit van 16 april 2025 een geschikt middel was om de geconstateerde overtreding van de Opiumwet te beëindigen, de gevolgen daarvan teniet te doen en verdere overtredingen te voorkomen. De burgemeester kon zich destijds redelijkerwijs op het standpunt stellen dat sluiting nodig was om de openbare orde te herstellen, het woon- en leefklimaat te beschermen en om het pand te onttrekken aan het drugscircuit. Uit de stukken en de toelichting van [appellant A] en [appellant B] tijdens de zitting komt naar voren dat de openbare orde en het woon- en leefklimaat verstoord waren door de aanwezigheid van de zoon in de hoofdwoning. De verschillende bestuurlijke rapportages en informatie van de politie laten zien dat de zoon actief onderdeel uitmaakte van het drugscircuit en in de hoofdwoning een aanzienlijke hoeveelheid drugs aanwezig was. De Afdeling is evenwel van oordeel dat sluiting van de hoofdwoning op het moment van het besluit op bezwaar van 30 juli 2025 niet langer een geschikt middel was om de openbare orde en het woon- en leefklimaat te beschermen. De burgemeester was met het besluit van 16 april 2025 voornemens de hoofdwoning 3 maanden te sluiten. Het besluit op bezwaar is meer dan 3 maanden later dan het besluit van 16 april 2025 genomen. De burgemeester heeft onvoldoende gemotiveerd waarom ondanks dit tijdsverloop sluiting nog een geschikt middel was ten tijde van het besluit op bezwaar. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit de stukken en de toelichting van [appellant A] en [appellant B] op de zitting dat zij tot het besluit van 16 april 2025 feitelijk waren buitengesloten van de hoofdwoning door hun zoon. Vaststaat dat de zoon en schoondochter na het besluit van 16 april 2025 zijn vertrokken van het perceel [locatie]. [appellant A] en [appellant B] hebben na het besluit van 16 april 2025 maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat de zoon en schoondochter de hoofdwoning niet meer konden binnentreden. In een aanvullende bestuurlijke rapportage van 12 juni 2025 staat dat vanaf het moment van de eerste bestuurlijke rapportage van 7 maart 2025 tot en met 12 juni 2025 over de [locatie] geen vermeldingswaardige incidenten of meldingen zijn geregistreerd in het politiesysteem. Onder deze omstandigheden lag het op het moment van het besluit op bezwaar niet voor de hand dat verdere overtredingen van de Opiumwet of een verdere verstoring van de openbare orde zouden plaatsvinden. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat sluiting van de hoofdwoning nog altijd gerechtvaardigd is door het bezoek van [persoon], een vriend van de zoon, aan het kattenpension. Dat standpunt volgt de Afdeling niet. Weliswaar bestaat het vermoeden dat [persoon] betrokken is geweest bij drugscriminaliteit in Oudewater, maar de burgemeester heeft niet aannemelijk gemaakt dat het bezoek van [persoon] aan het kattenpension sluiting van de hoofdwoning rechtvaardigt. De overtredingen van de Opiumwet op het perceel [locatie] zijn beperkt gebleven tot de hoofdwoning en hebben niet in het kattenpension plaatsgevonden. Dat [persoon] het kattenpension heeft bezocht omdat hij daar zijn huisdieren heeft ondergebracht, is onvoldoende om te spreken van een dreiging voor de openbare orde of het woon- en leefklimaat. Het betoog slaagt.
3.5. In hoger beroep hebben [appellant A] en [appellant B] een verzoek om schadevergoeding gedaan. Dit verzoek wijst de Afdeling af. Sluiting van de woning heeft tot op heden niet plaatsgevonden. [appellant A] en [appellant B] hebben niet concreet gemaakt welke schade zij door de besluitvorming van de burgemeester hebben ondervonden, ondanks het feit dat de woning nog niet is gesloten.
Slotsom
4. Het hoger beroep is gegrond. De overige gronden behoeven geen bespreking meer. De uitspraak van de rechtbank zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 30 juli 2025 vernietigen. In deze uitspraak is geoordeeld dat sluiting op het moment van het besluit van 16 april 2025 een geschikt middel was om de beoogde doelen te bereiken, maar dat dit op het moment van het besluit op bezwaar van 30 juli 2025 niet langer het geval was. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om het besluit van 16 april 2025 te herroepen en zal bepalen dat de burgemeester niet opnieuw op het bezwaar hoeft te beslissen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 30 juli 2025. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af.
5. De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 1 september 2025 in zaak nrs. 25/4514 en 25/4515;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 30 juli 2025, kenmerk D/25/192099;
V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
VI. veroordeelt de burgemeester van Oudewater tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.736,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VII. gelast dat de burgemeester van Oudewater aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 483,00 vergoedt;
VIII. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.C. Bus, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Bus
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
1013