202600755/1/A3.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb )op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 februari 2026 in zaak nr. 25/4167 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2024 heeft de staatssecretaris een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.
Bij besluit van 12 mei 2025 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 9 februari 2026 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. [appellant] heeft op 15 oktober 2024 een VOG aangevraagd. De staatssecretaris heeft dit afgewezen, omdat [appellant] binnen de terugkijktermijn meerdere keren in aanraking is gekomen met justitie voor delicten die zich niet verhouden met de gewenste functie van bezorger. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris hierbij alle feiten en omstandigheden betrokken en deugdelijk gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van [appellant] uitvalt. De drie door de rechtbank betrokken antecedenten, die zijn gepleegd toen [appellant] meerderjarig was, zijn te recent om te kunnen vaststellen dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen en [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen ander werk kan verrichten, aldus de rechtbank.
2. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4 en 5 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
4. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
802