ECLI:NL:RVS:2026:5897

ECLI:NL:RVS:2026:5897

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 202505152/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Herziening

Samenvatting

Bij uitspraak van 10 april 2024, in zaak nr. 202204323/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2024:1438) heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoeker] tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 juni 2022 in zaak nr. 21/2456 ongegrond verklaard. [verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. [verzoeker] heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in [woonplaats], Bulgarije. Zijn Bulgaarse verblijfsvergunning is geldig tot 27 februari 2030. [verzoeker] heeft een aanvraag gedaan om zijn Nederlandse paspoort te vernieuwen. De minister van Buitenlandse Zaken heeft de aanvraag afgewezen omdat [verzoeker] staat vermeld in het Register Paspoortsignaleringen van de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hij is in het Register opgenomen op verzoek van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) omdat hij een betalingsachterstand van zijn studieschuld zou hebben. [verzoeker] heeft aangevoerd dat dat niet klopt, omdat zijn studieschuld inmiddels verjaard is en de DUO dus geen vordering meer heeft.

Uitspraak

202505152/1/A3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend in [woonplaats] (Bulgarije),

verzoeker,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, in zaak nr. 202204323/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2024:1438).

Procesverloop

Bij uitspraak van 10 april 2024, in zaak nr. 202204323/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2024:1438) heeft de Afdeling het hoger beroep van [verzoeker] tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 juni 2022 in zaak nr. 21/2456 ongegrond verklaard.

[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

De minister van Buitenlandse Zaken heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft het verzoek op een zitting behandeld op 9 september 2026.

Overwegingen

Wat vooraf ging

1. [verzoeker] heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in [woonplaats], Bulgarije. Zijn Bulgaarse verblijfsvergunning is geldig tot 27 februari 2030. [verzoeker] heeft een aanvraag gedaan om zijn Nederlandse paspoort te vernieuwen. De minister van Buitenlandse Zaken heeft de aanvraag afgewezen omdat [verzoeker] staat vermeld in het Register Paspoortsignaleringen van de Rijksdienst voor Identiteitsgegevens van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hij is in het Register opgenomen op verzoek van de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) omdat hij een betalingsachterstand van zijn studieschuld zou hebben. [verzoeker] heeft aangevoerd dat dat niet klopt, omdat zijn studieschuld inmiddels verjaard is en de DUO dus geen vordering meer heeft.

2. In haar uitspraak van 10 april 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er gegronde reden was voor de minister om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de signalering. De minister heeft inlichtingen ingewonnen bij de DUO over de signalering en de DUO heeft desgevraagd aan de minister medegedeeld dat de studieschuld nog bestaat, dat geen overstemming met [verzoeker] over de terugbetaling daarvan was bereikt en dat de betalingsachterstand € 54.971,32 bedroeg. [verzoeker] heeft volgens de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat hij geen studieschuld heeft. Hoewel een eventuele restschuld aan het eind van de vijftien jaar durende aflosfase wordt kwijtgescholden, geldt dat niet voor eventuele achterstallige termijnbetalingen die tijdens de aflosfase moesten worden betaald. [verzoeker] heeft gedurende de aflosfase geen verzoek gedaan om verlaging van de termijnbetalingen via draagkrachtvaststelling. Hierdoor zijn de termijnbetalingen opeisbaar geworden. Daarnaast heeft [verzoeker] geen overeenstemming bereikt met de DUO over een eventuele terugbetalingsregeling. Omdat [verzoeker] niet heeft onderbouwd dat de weigering van het paspoort leidt tot onevenredige benadeling, mocht de minister weigeren [verzoeker] een nieuw paspoort te verlenen, aldus de Afdeling.

Verzoek om herziening

3. [verzoeker] heeft de Afdeling verzocht haar uitspraak van 10 april 2024 te herzien. Aanleiding voor dit verzoek is een vonnis van de rechtbank Den Haag van 24 december 2024, in zaak nr. C/09/666443/HA ZA 24-437, waarbij de rechtbank de vordering van de DUO om [verzoeker] (onder meer) te veroordelen tot betaling van een studieschuld ten bedrage van € 54.626,32 heeft afgewezen. Volgens de rechtbank blijkt uit een besluit van de DUO van 15 januari 2019 dat de resterende studieschuld is kwijtgescholden en [verzoeker] alleen nog een betalingsachterstand van € 3.286,71 moet voldoen. [verzoeker] mocht er volgens de rechtbank op rekenen dat zijn studieschuld was kwijtgescholden. Dit zijn volgens [verzoeker] nieuwe feiten en omstandigheden die, als ze bij de Afdeling bekend waren geweest, tot een andere uitspraak hadden geleid.

4. De minister stelt zich op het standpunt dat [verzoeker] geen belang heeft bij zijn herzieningsverzoek, omdat hij inmiddels een paspoort aan [verzoeker] heeft verstrekt. [verzoeker] stelt dat hij schade heeft geleden omdat de minister hem niet eerder al een paspoort heeft verstrekt. De Afdeling acht het aannemelijk dat [verzoeker] inderdaad nadeel heeft ondervonden als gevolg van de besluitvorming van de minister en zal daarom zijn herzieningsverzoek inhoudelijk behandelen.

5. Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:

"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden."

6. De Afdeling stelt vast dat het besluit van de DUO van 15 januari 2019 waaruit volgt dat [verzoeker] geen openstaande studieschuld meer heeft en waarvan de rechtbank onbetwist heeft vastgesteld dat dit formele rechtskracht heeft gekregen is gericht aan [verzoeker]. Dat betekent dat [verzoeker] bekend was of dat er in elk geval van uitgegaan mag worden dat hij bekend had kunnen zijn met de inhoud van het besluit. Dat betekent dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb en dat het herzieningsverzoek alleen al om die reden moet worden afgewezen.

Slotsom

7. Het verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Drop

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Dijkshoorn

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026

735

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. W. Dijkshoorn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand