202307992/1/A3.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 november 2023 in zaak nr. 22/3718 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Rijnland.
Procesverloop
Bij besluit van 15 december 2021 heeft het college een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.
Bij besluit van 11 mei 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.
Bij besluit van 11 mei 2022 heeft het college het verzoek van [appellant], onder aanvulling van de motivering, opnieuw afgewezen.
Bij uitspraak van 16 november 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:17711) heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 11 mei 2022 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting van 31 juli 2026 behandeld, waar [appellant], bijgestaan door F. van der Tempel, rechtsbijstandverlener in Zwammerdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. E.W. ten Heuw, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] heeft het college op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van informatie over de gevolgen van de realisatie van een Multifunctionele Accommodatie (MFA) aan de Spoorlaan in Zwammerdam voor de waterafvoer en watercompensatie uit de jaren 2017 - 2021. Daarbij heeft [appellant] erop gewezen dat hij in ieder geval interne correspondentie van medewerkers van het Hoogheemraadschap Rijnland, correspondentie van die medewerkers met de gemeente Alphen aan den Rijn en interne documentatie over de bouw van de MFA wenst.
1.1. Het college heeft het verzoek afgewezen, omdat het niet over de gevraagde documenten beschikt. Naar aanleiding van het gemaakte bezwaar, heeft het college een nieuw besluit genomen en het verzoek opnieuw afgewezen. Daarbij heeft het college aangegeven dat het ondanks een uitgebreidere zoekslag geen documenten heeft aangetroffen. Verder heeft het college het standpunt ingenomen dat het weliswaar verplicht is om redelijkerwijs al het mogelijke te doen om documenten te achterhalen die bij haar zouden moeten berusten, maar dat dat niet meer nodig is omdat [appellant] al over die documenten zou beschikken.
Uitspraak van de rechtbank
2. Naar aanleiding van de behandeling van de zaak bij de rechtbank heeft het college opnieuw gezocht naar de gevraagde documenten, maar niets aangetroffen. Omdat het eerdere onderzoek onvolledig was, heeft de rechtbank aanleiding gezien om het beroep gegrond te verklaren en de besluiten van 11 mei 2022 te vernietigen. De rechtbank heeft de gevolgen van de vernietigde besluiten evenwel in stand gelaten, omdat het college in voldoende mate heeft gezocht naar het bestaan van de gevraagde documenten. Volgens de rechtbank is het onwaarschijnlijk dat bij een nieuwe zoekslag die documenten worden aangetroffen.
Misbruik van recht
3. Het college betoogt dat [appellant] misbruik van recht maakt door het verzoek in te dienen voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid daartoe is gegeven. Het wijst er daarbij op dat de gemachtigde van [appellant] veel bestuursrechtelijke procedures aanhangig heeft gemaakt. De kenmerken van deze zaken zijn veelal hetzelfde. Ook zijn de verzoeken erop gericht om proceskosten te verdienen, aldus het college.
3.1. De Afdeling is van oordeel dat niet is gebleken dat [appellant] misbruik van recht maakt. Het college heeft onvoldoende met concrete cijfers onderbouwd dat [appellant] veelvuldig soortgelijke zaken aanhangig maakt. Ook heeft het college onvoldoende onderbouwd dat de gemachtigde van [appellant] met de verzoeken erop uit is om proceskosten te verdienen. Bovendien heeft [appellant] op de zitting toegelicht dat hij het verzoek heeft gedaan omdat hij wil weten wat de gevolgen zijn van de realisatie van de MFA en dat hij bang is dat er daardoor water in zijn huis komt te staan. Hieruit blijkt niet dat [appellant] het verzoek kennelijk heeft gedaan met een ander doel dan het verkrijgen van publieke informatie.
Toepasselijk recht
4. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (Woo) in werking getreden. Het besluit van 11 mei 2022 dateert van daarna. Voor dit besluit is de Woo dus van toepassing. De rechtbank heeft weliswaar terecht geconstateerd dat het college ten onrechte bij de beoordeling van het besluit op bezwaar de Wob heeft toegepast, maar heeft hier geen consequenties aan verbonden. Nu de aan te leggen maatstaven materieel niet verschillen, ziet de Afdeling geen grond om hierom de uitspraak van de rechtbank te vernietigen.
Hoger beroep
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank uit is gegaan van een onjuiste reikwijdte van het Wob-verzoek. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de zoekslag die het college heeft uitgevoerd zorgvuldig is geweest. Ook heeft de rechtbank volgens [appellant] te weinig proceskosten toegekend.
Reikwijdte
6. [appellant] voert aan dat de rechtbank het Wob-verzoek te beperkt heeft uitgelegd. De rechtbank heeft over de reikwijdte van het verzoek het volgende overwogen:
"Eiser heeft verweerder op grond van de Wob verzocht om informatie uit de jaren 2017 tot en met 2021 over de gevolgen van de realisatie van een Multifunctionele Accommodatie (MFA) aan de Spoorlaan in Zwammerdam voor de waterafvoer en de watercompensatie. Eiser heeft daarbij onder meer gewezen op correspondentie van medewerkers van verweerder met medewerkers van de gemeente Alphen aan den Rijn, correspondentie tussen medewerkers onderling en andere interne documenten."
6.1. Het verzoek van [appellant] luidde als volgt:
"Ik ga ervan uit dat medewerkers van het hoogheemraadschap Rijnland gecorrespondeerd hebben. bijv. emails gestuurd hebben aan medewerkers van de gemeente Alphen aan den Rijn over de waterafvoer, de watercompensatie en het project Multifunctionele accommodatie Zwammerdam aan de Spoorlaan. Ook zullen medewerkers onderling emails over het project MFA Zwammerdam en over de watercompensatie en de waterafvoer gestuurd hebben. Verder ga ik ervan uit dat er over de waterafvoer, de watercompensatie en het project MFA Zwammerdam andere interne documenten bij het Hoogheemraadschap bestaan."
En:
"Ik verzoek u in ieder geval de in de derde alinea genoemde correspondentie van medewerkers van het hoogheemraad Rijnland onderling, de correspondentie van medewerkers van het Hoogheemraadschap met medewerkers van de gemeente Alphen aan den Rijn en de in de derde alinea genoemde interne documenten openbaar te maken."
6.2. De Afdeling ziet niet waarin het college de reikwijdte van het Wob-verzoek te beperkt heeft opgevat. De omvang van het Wob-verzoek is in de optelsom van opvolgende zoekslagen door het college op juiste wijze geduid, zie daarvoor de overwegingen 7-7.2, die hierna volgen.
6.3. Het betoog slaagt niet.
Zoekslag
7. Het college heeft toegelicht dat het naar aanleiding van het verzoek van [appellant] verder heeft gezocht naar de gevraagde documenten. Daarbij heeft het ook navraag gedaan bij de gemeente Alphen aan den Rijn om te bezien of er documenten bestaan die bij het college moeten berusten. Op de zitting bij de rechtbank heeft het college toegelicht dat het nogmaals een onderzoek zal instellen in e-mailboxen van medewerkers. Het college heeft daarnaast uitgebreid toegelicht op welke manier het heeft gezocht en op welke plaatsen het heeft gekeken. Bij deze zoekslagen heeft het college alleen documenten gevonden die al openbaar waren gemaakt naar aanleiding van een verzoek dat [appellant] bij het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn heeft gedaan. Deze documenten heeft het college niet opnieuw openbaar gemaakt.
7.1. Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat bepaalde documenten niet of niet meer bij hem berusten en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om dat document verzoekt om aannemelijk te maken dat die documenten, in weerwil van de uitkomsten van het onderzoek van het bestuursorgaan, toch onder dat bestuursorgaan berusten (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1913). Indien aannemelijk is dat er meer documenten onder het bestuursorgaan berusten moet het bestuursorgaan een (nadere) zoekslag uitvoeren.
7.2. De Afdeling is van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gevraagde documenten onder het bestuursorgaan berusten. Het college heeft duidelijk gemaakt dat het er alles aan heeft gedaan om de gevraagde documenten te achterhalen. Op de zitting bij de Afdeling heeft het college toegelicht dat het heeft gezocht in de e-mailboxen van de bestuurders die vanuit hun functie contact hadden met de gemeente Alphen aan den Rijn. Ook zijn de accounts van oud-medewerkers en afdelingshoofden onderzocht. Gelet op de stappen die het college heeft gezet en de resultaten van de zoekvraag gaat de Afdeling ervan uit dat genoegzaam onderzoek is gedaan. Het is niet aannemelijk dat het college gelet op de steeds uitgebreidere zoekslagen op basis van weer vragen naar extra documenten, waaronder die van de gemeente, nog meer documenten zal aantreffen. De enkele, niet onderbouwde, stelling van [appellant] dat er meer documenten moeten zijn gelet op e-mails die hij van de gemeente Alphen aan den Rijn heeft ontvangen, is onvoldoende. Het college hoeft dan ook niet nog een nadere zoekslag uit te voeren. De uitspraken van de Afdeling waarnaar [appellant] op de zitting heeft verwezen (uitspraken van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2437 en 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3375), leiden niet tot een andere conclusie, alleen al omdat het college in deze zaak wel voldoende heeft gezocht en inzichtelijk heeft gemaakt hoe en waar het heeft gezocht naar het bestaan van documenten. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
7.3. Het betoog slaagt niet.
Proceskosten
8. [appellant] betoogt dat de rechtbank een te laag bedrag aan proceskosten heeft toegekend. In plaats van 2,5 punt, had de rechtbank het totaal aantal punten op 3 moeten stellen. De rechtbank heeft namelijk nagelaten een halve punt toe te kennen voor een brief van 18 april 2023. Die brief is een reactie op een brief van het college van 28 maart 2023. De rechtbank heeft voor een reactie op die brief van het college een termijn van drie weken gegeven. De Afdeling is van oordeel dat het Besluit proceskosten bestuursrecht de rechtbank niet verplichtte tot een afzonderlijke vergoeding van de kosten die [appellant] heeft moeten maken voor de nadere reactie.
8.1. Het betoog slaagt niet.
8.2. Het college heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten in verband met het kennelijk onredelijk gebruik van het procesrecht door [appellant]. De Afdeling is van oordeel dat niet is gebleken dat [appellant] kennelijk onredelijk gebruik maakt van het procesrecht. De Afdeling zal [appellant] dan ook niet veroordelen in de kosten die het college heeft moeten maken in verband met deze procedure.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 november 2023 in zaak nr. 22/3718, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.
w.g. Borman
voorzitter
w.g. Renkema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
1071