202401677/1/R2.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Sint-Michielsgestel,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Sint-Michielsgestel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 30 januari 2024 heeft het college het wijzigingsplan "The Green Villa, Sint-Michielsgestel" vastgesteld.
Bij besluit van 31 januari 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan Villa Servatius B.V. voor het bouwen van appartementen en het gebruik maken van de gecoördineerde afhandeling met het wijzigingsplan op het perceel aan het Adrianusplein 2 tot en met 16 in Sint-Michielsgestel.
De besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Coördinatieverordening ruimtelijke ontwikkeling Sint-Michielsgestel.
Tegen deze besluiten heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 17 april 2025 heeft het college aan Villa Servatius een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen en uitvoeren van de al vergunde gevelconstructie van The Green Villa op het perceel aan het Adrianusplein 2 tot en met 16 in Sint-Michielsgestel.
[appellant] heeft daartegen beroepsgronden ingediend.
Villa Servatius heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
Villa Servatius, [appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 8 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. B.J.W. Walraven, advocaat in Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van Moorsel, advocaat in Nijmegen, zijn verschenen. Verder is op de zitting Villa Servatius, vertegenwoordigd door mr. M. van Moorsel, advocaat in Nijmegen, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het wijzigingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 16 september 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 4 april 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
3. Villa Servatius wil aan het Adrianusplein 2 tot en met 16 in Sint-Michielsgestel een appartementencomplex realiseren met zeven wooneenheden, inclusief parkeervoorzieningen, verdeeld over de kelder en de begane grond met daarboven vier verdiepingen (The Green Villa). Om de ontwikkeling mogelijk te maken is het wijzigingsplan vastgesteld en de omgevingsvergunning verleend. Met het wijzigingsplan is voorzien in een wijziging van het bouwvlak voor wat betreft de ligging en een vergroting van het bouwvlak. De omgevingsvergunning gaat over de activiteiten het bouwen van appartementen, een planologische afwijking en het realiseren van een inrit/uitweg.
3.1. De omgevingsvergunning van 31 januari 2024 is verleend op basis van het wijzigingsplan. Alleen voor een parkeergarage is met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo gelezen in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht afgeweken van het wijzigingsplan.
3.2. [appellant] woont aan het [locatie] in Sint-Michielsgestel. Hij kan zich niet verenigen met het wijzigingsplan en de omgevingsvergunning, omdat hij met name vreest voor parkeeroverlast.
Ingetrokken beroepsgronden en beroep tegen het besluit van 17 april 2025
4. [appellant] heeft op de zitting zijn beroep tegen het besluit van 17 april 2025 ingetrokken.
5. Verder heeft [appellant] op de zitting de beroepsgronden dat het college niet bevoegd was het wijzigingsplan vast te stellen en dat het wijzigingsplan in strijd is vastgesteld met het bestemmingsplan "Centrum Sint-Michielsgestel 2010" (bestemmingsplan), ingetrokken. De Afdeling zal daarom geen inhoudelijk oordeel geven over deze beroepsgronden.
Wijzigingsplan
Toetsingskader wijzigingsplan
6. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarover de wijzigingsbevoegdheid gaat in beginsel als een gegeven worden beschouwd als is voldaan aan de in het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden die in een bestemmingsplan zijn opgenomen, doet niets af aan de plicht van het college van burgemeester en wethouders om in de besluitvorming over de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming gerechtvaardigd is.
7. Artikel 5.5.2 van het bestemmingsplan luidt:
"Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen in die zin dat de situering en de vorm van bouwvlakken worden gewijzigd dan wel nieuwe bouwvlakken worden aangegeven, met inachtneming van de volgende bepalingen:
[…]
b. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van:
1. het straat- en bebouwingsbeeld;
2. de woonsituatie;
3. de verkeersveiligheid;
4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden."
Parkeren
8. [appellant] betoogt dat het wijzigingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de parkeerdruk onaanvaardbaar zal toenemen als gevolg van het wijzigingsplan. Daarover voert hij aan dat het wijzigingsplan in onvoldoende parkeerplaatsen op eigen terrein voorziet en in de openbare ruimte onvoldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn binnen een afstand van 100 m en 300 m van het plangebied. Verder voert [appellant] aan dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van de juistheid van de parkeerbalans. Zo is het tekort aan parkeerplaatsen in werkelijkheid veel groter dan uit de parkeerbalans volgt, omdat in de parkeerbalans onder meer parkeerplaatsen zijn meegeteld die zich niet in de openbare ruimte bevinden. Verder staan in de parkeerbalans ten onrechte tellingen op vrijdag en zaterdagmiddag in gebieden B en C genoemd, aangezien deze tellingen niet hebben plaatsgevonden in gebieden B en C. [appellant] heeft de Afdeling verzocht om de STAB als deskundige te benoemen.
8.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het wijzigingsplan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de parkeerdruk niet onaanvaardbaar zal toenemen als gevolg van het wijzigingsplan. De Afdeling heeft in de uitspraak van 31 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3096, al geoordeeld dat de parkeeronderzoeken, die ook ten grondslag liggen aan het wijzigingsplan, correct zijn. Daarmee staat vast dat voor de ontwikkeling van The Green Villa is voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein dan wel in de openbare ruimte. Uit de parkeeronderzoeken volgt namelijk dat er voldoende parkeercapaciteit in de openbare ruimte beschikbaar is om de drie parkeerplaatsen, die niet op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd, op te vangen. In dit geval geldt op grond van de Beleidsregels parkeernormen Sint-Michielsgelstel (Beleidsregels parkeernormen) in centrumgebieden een loopafstand van 300 m.
8.2. Artikel 3.1 van het wijzigingsplan luidt:
"De voor 'Centrum - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…]
h. al dan niet openbare parkeervoorzieningen (eventueel ondergronds).
[…]"
8.3. Uit paragraaf 3.12 van de plantoelichting blijkt dat het college een parkeernorm van 1,6 parkeerplaatsen per woning heeft gehanteerd. Het college heeft op de zitting toegelicht dat op basis van deze parkeernorm de parkeerbehoefte is berekend op 11,2 parkeerplaatsen. De parkeerkelder voorziet in negen parkeerplaatsen. Verder heeft het college toegelicht dat hij de parkeerbehoefte naar boven heeft afgerond, zodat het tekort aan drie parkeerplaatsen moet worden opgevangen in de openbare ruimte. In de plantoelichting is verwezen naar het rapport "parkeeronderzoek Sint Michielsgestel" van Trajan van 27 oktober 2022, het rapport "Parkeeronderzoek Sint Michielsgestel" van Trajan van 15 maart 2023 en het memo "Parkeerbalans centrum Sint-Michielsgestel" van 11 mei 2023. Het college heeft op basis van deze rapporten geconcludeerd dat het tekort aan drie parkeerplaatsen kan worden opgevangen in de openbare ruimte.
8.4. In de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3096, zijn deze rapporten en het memo al aan de orde gekomen. In 12.2. heeft de Afdeling daarover geoordeeld dat het college rekening mocht houden met de parkeerbalans en de daarin betrokken parkeeronderzoeken en dat niet aannemelijk is geworden dat de parkeerbalans van onjuiste uitgangspunten uitgaat of op onjuiste gegevens is gebaseerd. Verder heeft de Afdeling in die uitspraak overwogen dat, hoewel uit de parkeeronderzoeken blijkt dat ten gevolge van de toekomstige ontwikkelingen een hoge parkeerdruk zal ontstaan in gebied A op delen van de vrijdag en zaterdag, het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het instellen van een blauwe zone in dat gebied ertoe zal leiden dat langparkeerders worden geweerd en zullen uitwijken naar onder meer gebied B. Daarbij is ook van belang dat de toekomstige bewoners van The Green Villa een ontheffing krijgen. Dat in gebied B voldoende parkeercapaciteit aanwezig is om de overloop vanuit gebied A op te vangen, blijkt uit het parkeeronderzoek van 27 oktober 2022. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd, onder meer in zijn brief van 23 mei 2026, geen aanleiding om nu tot een ander oordeel te komen.
8.5. Gelet op het voorgaande heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat het wijzigingsplan voor wat betreft parkeren niet in strijd is vastgesteld met een goede ruimtelijke ordening, omdat het college, gelet op het hiervoor overwogene, met de parkeeronderzoeken en de parkeerbalans voldoende heeft gemotiveerd waarom er in de openbare ruimte voldoende parkeercapaciteit aanwezig is om de parkeerbehoefte van drie parkeerplaatsen op te vangen.
8.6. Gelet hierop ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding om de STAB als deskundige te benoemen.
8.7. Het betoog slaagt niet.
Verkeersveiligheid
9. [appellant] betoogt, naar de Afdeling begrijpt, dat het wijzigingsplan in strijd is vastgesteld met de voorwaarde in artikel 5.5.2, onder b en onder 3, van het bestemmingsplan, omdat het wijzigingsplan leidt tot een verkeersonveilige situatie. Daarover voert hij aan dat het appartementencomplex in een bocht is gesitueerd met aan de ene zijde een laad- en losplaats van de nabijgelegen supermarkt en aan de andere zijde een in- en uitrit van het parkeerterrein, zodat het zicht door de komst van het appartementencomplex wordt beperkt.
9.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het wijzigingsplan niet in strijd is vastgesteld met de voorwaarde in artikel 5.5.2, onder b en onder 3, van het bestemmingsplan, omdat het wijzigingsplan niet leidt tot een verkeersonveilige situatie. De ontwikkeling kon op grond van het bestemmingsplan ook al in de bocht worden gerealiseerd. Ook liggen de laad- en losplaats en de in- en uitrit van het parkeerterrein op dusdanige afstand van het appartementencomplex dat deze elkaar niet negatief beïnvloeden. De Schijndelseweg is inmiddels opnieuw ingericht met gescheiden rijbanen en (verhoogde) fietspaden met een groenstrook tussen het appartementencomplex en het fietspad. Ook is er eenrichtingsverkeer, zodat weggebruikers niet te maken hebben met tegenliggers die ze niet zien aankomen vanwege het appartementencomplex in de bocht.
9.2. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het wijzigingsplan niet is strijd is vastgesteld met de voorwaarde in artikel 5.5.2, onder b en onder 3, van het bestemmingsplan. Daarbij betrekt de Afdeling dat de Schijndelseweg en het Adrianusplein bestaan uit twee gescheiden rijbanen en zich ter plaatse van The Green Villa een verhoogde rijbaanafscheiding bevindt. Ook liggen aan weerszijden van de gescheiden rijbanen ter plaatse van The Green Villa verhoogde fietspaden. De laad- en losplaats van de nabijgelegen supermarkt en de in- en uitrit van het parkeerterrein liggen op dusdanige afstand van The Green Villa dat niet aannemelijk is dat hierdoor een verkeersonveilige situatie ontstaat. Gelet hierop heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat het wijzigingsplan niet leidt tot een verkeersonveilige situatie. In wat [appellant] aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.
Het betoog slaagt niet.
Beperking aangrenzende gronden
10. [appellant] betoogt, naar de Afdeling begrijpt, dat het wijzigingsplan in strijd is vastgesteld met artikel 5.5.2, onder d, van het bestemmingsplan, omdat het wijzigingsplan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden beperkt. Daarover voert hij aan dat door het bouwplan de voorziene parkeergarage bij het Adrianusplein niet kan worden gerealiseerd.
10.1. Het college stelt zich op het standpunt dat het wijzigingsplan niet in strijd is vastgesteld met artikel 5.5.2, onder d, van het bestemmingsplan, omdat het wijzigingsplan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onaanvaardbaar beperkt. De gemeente is namelijk niet van plan om een parkeergarage te realiseren onder het Adrianusplein, maar mocht de gemeente dit in de toekomst wel willen, kan de parkeerkelder van The Green Villa daarop worden aangesloten.
10.2. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het wijzigingsplan niet in strijd is vastgesteld met artikel 5.5.2, onder d, van het bestemmingsplan. Het college heeft toegelicht dat er momenteel geen plannen zijn om de door [appellant] bedoelde parkeergarage bij het Adrianusplein te realiseren. Maar mocht deze wens er wel komen dan is dat nog steeds mogelijk. Het college heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat het wijzigingsplan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onaanvaardbaar beperkt.
Het betoog slaagt niet.
Omgevingsvergunning
Parkeervoorzieningen
11. [appellant] heeft op de zitting betoogd dat de omgevingsvergunning in strijd is verleend met het bestemmingsplan "Parapluplan Parkeren" (het parapluplan), omdat het bouwplan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, zodat de parkeerdruk in de openbare ruimte toeneemt. Verder is de omgevingsvergunning in strijd verleend met de anti-dubbeltelbepaling van artikel 4 van het parapluplan. Ook is de omgevingsvergunning in strijd verleend met artikel 2.1, onder a, van het parapluplan, omdat de 21 parkeerplaatsen die verloren gaan met de komst van The Green Villa aanwezig moeten blijven voor het naastgelegen Dommelsch Huys en uit de parkeerbalans volgt dat de toekomstige parkeerdruk in gebied A op vrijdag en zaterdag boven de 85% ligt. Dit is ook het geval als een blauwe zone wordt ingesteld.
11.1. Artikel 2.1 van het parapluplan luidt:
"a. Een nieuw bouwwerk, verandering van een bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden - al dan niet gecombineerd -, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, is niet toegestaan wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden.
b. Bij een omgevingsvergunning, dan wel bij de beoordeling of het gebruik in overeenstemming is met het bestemmingsplan wordt aan de hand van de d.d. 27 september 2016 door burgemeester en wethouders vastgestelde ‘Beleidsregels parkeernormen Sint-Michielsgestel’ (zie bijlage 1), inclusief de ‘Parkeernormen Sint-Michielsgestel’ (zie bijlage 2), bepaald c.q. getoetst of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Indien gedurende de planperiode nieuwe parkeernormen worden vastgesteld door de gemeente, treden deze ter toetsing in de plaats van de genoemde vastgestelde beleidsregels.
c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in onder 2.1 lid a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie."
11.2. Uit de beleidsregels parkeernormen volgt dat de beoordeling/toetsing plaatsvindt op basis van de parkeercijfers van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW).
11.3. Het college heeft aan de hand van de parkeercijfers van de CROW de parkeerbehoefte berekend op 11,2 parkeerplaatsen. Aangezien er negen parkeerplaatsen worden gerealiseerd, moeten er, naar boven afgerond, drie parkeerplaatsen worden opgevangen in de openbare ruimte. Het college heeft met toepassing van artikel 2.1, onder c, van het parapluplan afgeweken van artikel 2.1, onder a, van het parapluplan, omdat volgens het college het tekort aan drie parkeerplekken kan worden opgevangen in de openbare ruimte. Volgens het college doet dit geen onevenredige afbreuk aan de parkeersituatie. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich, onder verwijzing naar de parkeeronderzoeken, op dit standpunt mogen stellen. Vergelijk ook wat is overwogen in 8.5.
11.4. Het betoog slaagt niet.
Overige beroepsgronden
12. Wat voor het overige is aangevoerd, zoals strijd met het beeldkwaliteitsplan en strijd met de in de koopovereenkomst gestelde eisen, is niet onderbouwd en slaagt niet.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond.
14. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nales
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
680-1150