ECLI:NL:RVS:2026:5900

ECLI:NL:RVS:2026:5900

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 202504532/1/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 31 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een omgevingsvergunning aan [bedrijf A] verleend voor onder meer het maken en hebben van een uitweg, het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht en het bouwen van een toegangspoort op het perceel aan de [locatie 1] in Weesp. [appellante] woont aan de [locatie 2] in Weesp. Zij houdt op dat adres ook haar kantoor. [bedrijf A] is eigenaar van het perceel [locatie 1]. Op dat perceel staat een kerkgebouw dat onder meer in gebruik is als horecagelegenheid, brouwerij en yogastudio. Daarvoor heeft het college op 22 februari 2017 een omgevingsvergunning verleend. Ten noorden van het kerkgebouw staan ten tijde hier van belang twee woningen in het zogenoemde Laurentiushof. Aan de westzijde daarvan ligt de Kerklaan met parallel daaraan een historische kerktuinmuur. [bedrijf A] heeft op 24 oktober 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor onder meer het maken van een opening in de kerktuinmuur en de bouw van een afsluitbare toegangspoort, zodat voertuigen vanaf de Kerklaan toegang hebben tot het perceel en de daarop aanwezige parkeerplaatsen.

Uitspraak

202504532/1/R1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Weesp, gemeente Amsterdam,

appellante,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2025 in zaken nrs. 24/3543 en 24/4837 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Omgevingsvergunning

Bij besluit van 31 januari 2023 heeft het college een omgevingsvergunning aan [bedrijf A] verleend voor onder meer het maken en hebben van een uitweg, het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht en het bouwen van een toegangspoort op het perceel aan de [locatie 1] in Weesp.

Bij besluit van 12 juli 2024 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Handhaving

Bij besluit van 29 december 2023 heeft het college [bedrijf B] onder oplegging van een dwangsom gelast om de door haar geplaatste parkeerbeugels op zeven parkeerplaatsen te verwijderen.

Bij besluit van 17 mei 2024 heeft het college het door [bedrijf B] hiertegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 29 december 2023 herroepen.

Beroep en hoger beroep

Bij mondelinge uitspraak van 24 juni 2025 heeft de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van 17 mei 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Bij dezelfde uitspraak heeft zij het beroep van [appellante] tegen het besluit van 12 juli 2024 ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college en [bedrijf A] en [bedrijf B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 augustus 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. M.M. Breukers, rechtsbijstandverlener in Leusden, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Mulder en mr. L. Bertacchini, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [bedrijf A] en [bedrijf B], vertegenwoordigd door mr. M.L.M. Frantzen, advocaat in Amstelveen, vergezeld door [persoon], als partij gehoord.

Overwegingen

Twee afzonderlijke besluiten op bezwaar

1. [appellante] kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank, die gaat over de besluiten op bezwaar over de verleende omgevingsvergunning en over het handhavingsbesluit.

Relevante wettelijke bepalingen

2. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

De verleende omgevingsvergunning

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend op 24 oktober 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

4. [appellante] woont aan de [locatie 2] in Weesp. Zij houdt op dat adres ook haar kantoor. [bedrijf A] is eigenaar van het perceel [locatie 1]. Op dat perceel staat een kerkgebouw dat onder meer in gebruik is als horecagelegenheid, brouwerij en yogastudio. Daarvoor heeft het college op 22 februari 2017 een omgevingsvergunning verleend. Ten noorden van het kerkgebouw staan ten tijde hier van belang twee woningen in het zogenoemde Laurentiushof. Aan de westzijde daarvan ligt de Kerklaan met parallel daaraan een historische kerktuinmuur. [bedrijf A] heeft op 24 oktober 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor onder meer het maken van een opening in de kerktuinmuur en de bouw van een afsluitbare toegangspoort, zodat voertuigen vanaf de Kerklaan toegang hebben tot het perceel en de daarop aanwezige parkeerplaatsen. Het college heeft bij besluit van 31 januari 2023 onder meer een omgevingsvergunning verleend voor het maken en hebben van een uitweg, het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht en het bouwen van een toegangspoort. Het college heeft het bezwaar van [appellante] niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij volgens het college niet als belanghebbende bij dat besluit kan worden aangemerkt.

De rechtbank heeft overwogen dat het college terecht het bezwaar van [appellante] niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Is [appellante] belanghebbende bij de omgevingsvergunning?

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning van 31 januari 2023. Zij brengt naar voren dat zij feitelijke gevolgen ondervindt van de vergunde activiteiten. [appellante] voert hiertoe aan dat met de vergunde toegangspoort, de parkeerplaatsen niet meer vrij toegankelijk zijn en niet meer voorzien in de parkeerbehoefte, zodat elders in de directe omgeving in die parkeerbehoefte moet worden voorzien. [appellante] wijst erop dat op grond van de uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1313), de vrees voor parkeerhinder kwalificeert als een grond om belanghebbendheid aan te nemen.

5.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij dat besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

5.2. [appellante] woont hemelsbreed op meer dan 100 meter afstand van de plek waar de toegangspoort is voorzien. Zij heeft niet betwist dat zij vanaf haar perceel geen zicht heeft op deze plek. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat van de verleende omgevingsvergunning voor [appellante] geen feitelijke gevolgen worden verwacht. Niet aannemelijk is geworden dat de vergunde activiteiten voor haar iets veranderen. Anders dan [appellante] veronderstelt heeft de omgevingsvergunning geen nadelige gevolgen voor het gebruik en het aantal van de parkeerplaatsen ter plaatse. In de kerktuinmuur was geen opening aanwezig waardoor vanuit de Kerklaan met auto’s de parkeerplaatsen konden worden bereikt.

Het betoog slaagt niet.

De weigering te handhaven

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Invoeringswet Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

Bij besluit van 29 december 2023 heeft het college aan [bedrijf A] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

7. Het college heeft bij besluit van 29 december 2023 [bedrijf B], als bestuurder van [bedrijf A], onder oplegging van een dwangsom gelast om de parkeerbeugels, die zijn aangebracht op de zeven parkeerplaatsen ter hoogte van de [locatie 3] te Weesp, te verwijderen. Volgens het college heeft zij artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo overtreden. Het college stelt zich op het standpunt dat de parkeerplaatsen niet meer toegankelijk zijn en dat daarom in strijd is gehandeld met de op 22 februari 2017 verleende omgevingsvergunning. Daarnaast is volgens het college in strijd gehandeld met het bestemmingsplan "Laurentiushof", dat op 11 april 2019 is vastgesteld. Het college heeft bij besluit van 17 mei 2024 het door [bedrijf B] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit, waarbij de last onder dwangsom is opgelegd, herroepen. Volgens het college heeft een overtreding zich niet voorgedaan. Het college heeft aan het besluit op bezwaar het advies van 15 april 2024 van de bezwaarschriftencommissie ten grondslag gelegd.

De rechtbank heeft het beroep van [appellante] daartegen niet-ontvankelijk verklaard en heeft geoordeeld dat zij geen belanghebbende is bij het besluit op bezwaar.

Is [appellante] belanghebbende bij het besluit op bezwaar?

8. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet als belanghebbende kwalificeert bij het besluit op bezwaar van 17 mei 2024. Zij voert aan dat zij feitelijke gevolgen ondervindt van dat besluit, mede omdat haar perceel zich op ongeveer 40 meter afstand bevindt van de zeven door [bedrijf B] gerealiseerde parkeerplaatsen. [appellante] wijst er in dit verband op dat wanneer de parkeerbeugels overeind staan, werknemers en bezoekers van het kerkgebouw, waarvoor de parkeerplaatsen bedoeld zijn, zullen moeten uitwijken naar andere parkeerplaatsen, waaronder die bij de achterzijde van haar perceel aan de [locatie 3]. Dat leidt tot parkeerhinder voor omwonenden.

8.1. Het perceel van [appellante] ligt op ongeveer 40 meter afstand van de parkeerplaatsen aan de [locatie 3]. De parkeerplaatsen waarop de parkeerbeugels zijn geplaatst, liggen daarmee in de directe nabijheid van haar perceel. Daargelaten in welke mate en op welke manier de gevolgen zich precies voordoen, is aannemelijk dat [appellante] als omwonende binnen deze afstand feitelijke gevolgen kan ondervinden. De Afdeling is van oordeel dat [appellante] belang heeft bij het besluit op bezwaar van 17 mei 2024, waarbij het college zijn handhavingsbesluit heeft herroepen. De rechtbank heeft haar beroep daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog slaagt.

9. Nu de rechtbank niet is toegekomen aan de vraag of een overtreding zich heeft voorgedaan, zal de Afdeling dat hierna beoordelen.

Is er sprake van een overtreding?

10. [appellante] betoogt dat het college zich in het besluit op bezwaar ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met de geplaatste parkeerbeugels op zeven parkeerplaatsen geen overtreding is begaan. Zij voert aan dat de parkeerbeugels de parkeerplaatsen niet of minder toegankelijk maken. Dat is volgens haar in strijd met de voorschriften van de verleende omgevingsvergunning van 22 februari 2017 en paragraaf 5.4.2 van de toelichting op het bestemmingsplan "Laurentiushof". Ook wijst zij op de ruimtelijke onderbouwing die hoort bij de aanvraag die heeft geleid tot de verleende omgevingsvergunning voor de transformatie van het kerkgebouw. De parkeerplaatsen moeten volgens haar toegankelijk zijn en blijven voor bezoekers, gebruikers en werknemers van het gebouw. Daarnaast voert [appellante] aan dat het college niet heeft onderkend dat het plaatsen van de parkeerbeugels een overtreding oplevert van artikel 4.26 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008 (APV) en het om die reden had moeten besluiten tot handhaving.

10.1. Wat betreft het eerst in beroep naar voren gebrachte betoog van [appellante] dat het college eraan voorbij is gegaan dat met de geplaatste parkeerbeugels artikel 4.26 van de APV is overtreden, overweegt de Afdeling dat de burgemeester in plaats van het college bevoegd is om op grond van de APV te handhaven. Voor het college bestond daarom geen aanleiding om te toetsen of aan dat artikel werd voldaan. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit op bezwaar op grond van het door [appellante] aangevoerde niet in stand kan blijven.

Het betoog slaagt niet.

10.2. Nog daargelaten of voor de realisering van de parkeerbeugels een omgevingsvergunning is vereist, bevat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Laurentiushof" geen regel waarmee in strijd is gehandeld. Ook met parkeerbeugels is het gebruik van de gronden voor parkeren in overeenstemming met de bestemming "Verkeer-Verblijf". Ook wordt niet in strijd met een bouwregel gehandeld. De toelichting van het bestemmingsplan maakt dit niet anders, omdat aan de toelichting op zichzelf genomen geen juridisch bindende betekenis toekomt. Het college heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan geen grondslag biedt voor handhaving.

Het college heeft op 22 februari 2017 een omgevingsvergunning verleend voor onder meer de activiteiten bouwen en gebruiken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo. Aan de omgevingsvergunning is de voorwaarde verbonden dat de uitvoering van het bouwplan moet geschieden overeenkomstig de bij de vergunning behorende gewaarmerkte bijlagen. Op gewaarmerkte bouwtekeningen zijn de zeven parkeerplaatsen ingetekend en deze maken dus deel uit van de omgevingsvergunning. Op die tekening staat niet dat die parkeerplaatsen openbaar zullen zijn, maar de parkeerplaatsen zijn wel noodzakelijk om te voldoen aan de parkeerbehoefte van de nieuwe functies van het kerkgebouw. Dat betekent dat [bedrijf B] de zeven parkeerplaatsen in stand dient te houden.

In het besluit van 29 december 2023 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat om de toegankelijkheid van de parkeerplaatsen mogelijk te maken, een last onder dwangsom wordt opgelegd om de parkeerbeugels te verwijderen. In het aan dat besluit ten grondslag gelegde controlerapport staat dat op 29 september 2023 een toezichthouder heeft geconstateerd dat op de zeven parkeerplaatsen parkeerbeugels zijn geplaatst, waarvan er zes in de beveiligde stand staan en één omlaag was geklapt en op de desbetreffende parkeerplaats een auto was geparkeerd. Op de zitting heeft [appellante] foto’s getoond van de parkeerplaatsen met omhoogstaande parkeerbeugels. Haar stelling is dat door het plaatsen van de parkeerbeugels zodanige belemmeringen zijn opgeworpen dat vooral de bezoekers en werknemers van het kerkgebouw de voor hen bedoelde parkeerplaatsen niet gebruiken en elders in de openbare ruimte een plaats innemen. De stelling van [bedrijf B] is dat de parkeerplaatsen met de parkeerbeugels juist door bezoekers en werknemers kunnen worden gebruikt, omdat anderen er geen gebruik van kunnen maken, en zo de op grond van de omgevingsvergunning vereiste parkeerplaatsen daarmee in stand worden gehouden. De Afdeling constateert dat uit de stukken niet blijkt dat het college heeft geïnventariseerd wat de feitelijke gevolgen kunnen zijn van de parkeerbeugels voor het parkeergedrag van bezoekers en werknemers van het kerkgebouw. Zonder nader onderzoek naar de feitelijke gevolgen van de geplaatste parkeerbeugels voor het gebruik van de zeven parkeerplaatsen, heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling bij het besluit op bezwaar niet op het standpunt mogen stellen dat [bedrijf B] de parkeerplaatsen in stand houdt en een overtreding van artikel 2.3, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo zich niet heeft voorgedaan. Het besluit berust in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet op de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Het betoog slaagt.

Conclusie

11. Het hoger beroep is gegrond voor zover dat betrekking heeft op de weigering te handhaven. De uitspraak van de rechtbank zal in zoverre worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit op bezwaar van 17 mei 2024 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Het hoger beroep is ongegrond voor zover dat betrekking heeft op de verleende omgevingsvergunning. De uitspraak van de rechtbank wordt in zoverre bevestigd.

Judiciële lus

12. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

Voorlopige voorziening

13. Door de vernietiging van het besluit van 17 mei 2024 wordt de herroeping van het besluit van 29 december 2023, waarbij de last onder dwangsom is opgelegd, ongedaan gemaakt. Daardoor herleeft dat besluit. De aan het besluit van 29 december 2023 verbonden begunstigingstermijn is verstreken. Dit heeft tot gevolg dat [bedrijf B] de dwangsom onmiddellijk heeft verbeurd, terwijl het college nog dient te onderzoeken of een overtreding is begaan door het plaatsen van de parkeerbeugels. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de voorlopige voorziening te treffen dat het besluit van 29 december 2023 met terugwerkende kracht is geschorst tot zes weken nadat het college een nieuw besluit op bezwaar heeft genomen.

Proceskosten

14. Het college moet de door [appellante] in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond, voor zover dat betrekking heeft op de weigering te handhaven;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 juni 2025, voor zover die betrekking heeft op het besluit op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 17 mei 2024, kenmerk JB.24.000949.001;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het onder II vermelde besluit gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 17 mei 2024, kenmerk JB.24.000949.001;

V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op om binnen drie maanden na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen;

VI. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 29 december 2023, kenmerk Z2023WP000836, met terugwerkende kracht tot zes weken na het nieuwe besluit op bezwaar;

VII. bepaalt dat tegen het door burgemeester en wethouders van Amsterdam te nemen besluit op bezwaar slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;

VIII. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IX. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;

X. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht tot een bedrag van € 476,00 voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Besselink

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Heusden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026

163-1207

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

[…].

Artikel 7:1

1. Degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij:

[…].

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…];

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet;

[…].

Artikel 2.3

Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op:

[…];

b. activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c, d, f, g, h

of i;

[…].

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R. van Heusden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand