202407764/1/R2.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], handelend onder de naam [bedrijf], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
de raad van de gemeente Bernheze,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2024 heeft de raad het "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22d, De Bunders, Heesch" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Bernheze (het wijzigingsbesluit) vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.K. van Wijk, advocaat te Leiden, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.P.A.M. van Herpen en D.M.J. de Beer, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Het wijzigingsbesluit maakt de komst van 325 nieuwe woningen en de daarbij horende voorzieningen in Heesch mogelijk.
2. [appellant] heeft een melkveebedrijf in Vinkel. Ook is [appellant] eigenaar van een perceel in het gebied waar het wijzigingsbesluit op ziet. Hij teelt op dit perceel gras en mais, om zijn vee mee te voeren. Hij kan zich niet verenigen met het wijzigingsbesluit, omdat de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel worden beperkt. Artikel 6.3, onder h, van de regels van het wijzigingsbesluit zorgt er namelijk voor dat op het grootste gedeelte van zijn perceel het verboden is gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken.
Toetsingskader
3. De raad neemt een wijzigingsbesluit van het omgevingsplan met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of met het besluit tot wijziging van het omgevingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot wijziging van het omgevingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Het beroep
Gewasbeschermingsmiddel
4. [appellant] betoogt dat artikel 6.3, aanhef en onder h, van de regels van wijzigingsbesluit rechtsonzeker is, omdat een definitie van het begrip "gewasbeschermingsmiddel" ontbreekt. Daarnaast betoogt [appellant] dat de raad in artikel 6.3, aanhef en onder h, ten onrechte alle soorten gewasbeschermingsmiddelen onder de reikwijdte van het verbod heeft laten vallen.
4.1. Artikel 6.3, aanhef en onder h, van de regels van het wijzigingsbesluit luidt:
"Het is verboden om:
h. op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - spuitzone’ gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken."
4.2. Op de kaart die hoort bij het wijzigingsbesluit is aan het grootste gedeelte van het perceel van [appellant] de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - spuitzone" toegekend. Dat betekent dat [appellant] op grond van artikel 6.3, aanhef en onder h, geen gewasbeschermingsmiddelen mag gebruiken op het grootste gedeelte van zijn perceel. De Afdeling stelt vast dat het begrip "gewasbeschermingsmiddel" niet is gedefinieerd in de regels van het wijzigingsbesluit of in de regels van het omgevingsplan. Naar het oordeel van de Afdeling betekent dat niet dat het wijzigingsbesluit in strijd met de rechtszekerheid is genomen. Het begrip "gewasbeschermingsmiddel" is op zichzelf duidelijk genoeg. Een gewasbeschermingsmiddel is een bestrijdingsmiddel dat ter bescherming van gewassen op de gewassen of de grond wordt gespoten. Voor zover [appellant] erop heeft gewezen dat hiermee alle soorten gewasbeschermingsmiddelen, dus ook biologische, zijn uitgesloten, overweegt de Afdeling dat dat een bewuste keuze is geweest van de raad. De raad stelt zich op het standpunt dat ook biologische gewasbeschermingsmiddelen effect op de gezondheid kunnen hebben. De raad wil dat risico volledig uitsluiten. Dat betekent dat de reikwijdte van het verbod niet verder rijkt dan de bedoeling van de raad is geweest.
Het betoog slaagt niet.
Belangenafweging
5. [appellant] betoogt dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen bij de keuze op zijn perceel het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uit te sluiten. Dat [appellant] wellicht om nadeelcompensatie kan verzoeken, ontslaat de raad niet van zijn plicht een besluit zorgvuldig voor te bereiden en de betrokken belangen deugdelijk af te wegen.
5.1. De raad heeft toegelicht dat hij de bedrijfsmatige belangen van [appellant] heeft afgewogen tegen het belang nieuwe woningen te kunnen realiseren. Om te voorkomen dat toekomstige bewoners gezondheidsklachten krijgen door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, is het nodig het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen 50 m van deze nieuwe woningen niet toe te staan. De raad heeft verkend of deze afstand verkleind kon worden, bijvoorbeeld door het realiseren van landschappelijke driftreducerende maatregelen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een struweelhaag. Maar dergelijke maatregelen geven geen garantie dat de nieuwe woningen dan voldoende worden beschermd. Daarnaast zijn dergelijke maatregelen stedenbouwkundig en landschappelijk niet wenselijk. De raad heeft verder onderzocht of het mogelijk is de nieuwe woningen anders te situeren, om zo de spuitvrije zone te verkleinen. De raad heeft hier echter niet voor gekozen, omdat dat zou betekenen dat minder woningen kunnen worden gerealiseerd. De raad is zich ervan bewust dat dit voor [appellant] betekent dat hij op het grootste gedeelte van het perceel geen gewasbeschermingsmiddelen mag gebruiken. De raad acht dat niet een onaanvaardbare beperking, omdat [appellant] zijn perceel gebruikt voor akkerbouw en niet voor spuitintensieve teelten zoals boom- of sierteelt.
5.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende acht heeft geslagen op de belangen van [appellant]. De raad betwist niet dat het wijzigingsbesluit de gebruiksmogelijkheden op het perceel van [appellant] beperkt. Maar dat maakt het wijzigingsbesluit naar het oordeel van de Afdeling niet onrechtmatig. De Afdeling wijst erop dat de raad de belangen van [appellant] in kaart heeft gebracht en mee heeft gewogen, maar ook heeft onderbouwd waarom ondanks de negatieve gevolgen voor [appellant] ervoor is gekozen binnen 50 m van de nieuwe woningen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet toe te staan. De Afdeling acht hierbij van belang dat de raad heeft onderzocht of een kortere afstand mogelijk was, maar heeft gekozen meer gewicht toe te kennen aan de behoefte aan woningen dan aan de bedrijfsbelangen van [appellant]. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad deze afweging kunnen maken.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Perlot, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Perlot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
952