ECLI:NL:RVS:2026:5906

ECLI:NL:RVS:2026:5906

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 202505333/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

Bij besluit van 1 oktober 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van [verzoeker] om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) afgewezen. Op 1 oktober 2024 heeft de staatssecretaris de aanvraag om een VOG afgewezen. In het Justitieel Documentatie Systeem heeft de staatssecretaris aangetroffen dat [verzoeker] in aanraking is gekomen met de politie wegens diefstal in vereniging met braak en gewoonteheling. Op het moment dat de aanvraag werd afgewezen was de zaak nog niet inhoudelijk behandeld. Tegen deze beslissing heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt en na de ongegrond verklaring daarvan beroep ingesteld. De rechtbank heeft met de uitspraak van 22 augustus 2025 het beroep van [verzoeker] ongegrond verklaard. De staatssecretaris heeft op 21 november 2025 kennisgenomen van het feit dat het Openbaar Ministerie (OM) de zaak tegen [verzoeker] heeft geseponeerd. Nadat [verzoeker] op 6 oktober 2025 hoger beroep had ingesteld heeft de staatssecretaris alsnog een VOG aan [verzoeker] toegekend. [verzoeker] heeft vervolgens zijn hoger beroep ingetrokken en verzocht om een vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten.

Uitspraak

202505333/1/A3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

[verzoeker], wonend in [woonplaats],

verzoeker,

om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2024 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [verzoeker] om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) afgewezen.

Bij besluit van 10 februari 2025 heeft de staatssecretaris het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 augustus 2025 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 11 december 2025 heeft de staatssecretaris alsnog een VOG aan [verzoeker] toegekend en het bezwaar gegrond verklaard.

In een nader bericht heeft [verzoeker] het beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de staatssecretaris te veroordelen in de door hem gemaakte proceskosten.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juli 2026, waar partijen niet zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Op 1 oktober 2024 heeft de staatssecretaris de aanvraag om een VOG afgewezen. In het Justitieel Documentatie Systeem heeft de staatssecretaris aangetroffen dat [verzoeker] in aanraking is gekomen met de politie wegens diefstal in vereniging met braak en gewoonteheling. Op het moment dat de aanvraag werd afgewezen was de zaak nog niet inhoudelijk behandeld. Tegen deze beslissing heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt en na de ongegrond verklaring daarvan beroep ingesteld. De rechtbank heeft met de uitspraak van 22 augustus 2025 het beroep van [verzoeker] ongegrond verklaard.

2. De staatssecretaris heeft op 21 november 2025 kennisgenomen van het feit dat het Openbaar Ministerie (OM) de zaak tegen [verzoeker] heeft geseponeerd. Nadat [verzoeker] op 6 oktober 2025 hoger beroep had ingesteld heeft de staatssecretaris alsnog een VOG aan [verzoeker] toegekend. [verzoeker] heeft vervolgens zijn hoger beroep ingetrokken en verzocht om een vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten.

Relevante wet- en regelgeving

3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van de uitspraak.

Verzoek om proceskostenvergoeding

4. [verzoeker] verzoekt om een proceskostenvergoeding voor het bezwaar, beroep en hoger beroep. De sepotbeslissing was volgens [verzoeker] al hangende het beroep genomen. De staatssecretaris was daarvan in beroep ten onrechte niet op de hoogte. Als de staatssecretaris hiervan op de hoogte was geweest had er geen zitting in beroep plaats hoeven vinden en had er geen hoger beroep ingesteld hoeven worden.

5. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb, is een proceskostenvergoeding mogelijk indien een bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het hogerberoepschrift is tegemoetgekomen en het verzoek hierom tegelijk met de intrekking wordt gedaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in de uitspraak van 12 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN7798, is er sprake van tegemoetkoming indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd.

5.1. De Afdeling wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding voor bezwaar, beroep en hoger beroep toe, omdat er met het besluit van 11 december 2025 sprake is van tegemoetkomen. De staatssecretaris heeft daarmee alsnog de door [verzoeker] verlangde VOG verleend. Anders dan de staatssecretaris betoogt, is dit besluit niet kennelijk genomen op andere gronden dan [verzoeker] heeft aangevoerd. [verzoeker] heeft namelijk aangevoerd dat nog niet vaststaat dat hij het strafbare feit heeft begaan en dat wat hem wordt tegengeworpen niet tot een strafrechtelijke veroordeling kan leiden. Met de sepotbeslissing is vast komen te staan dat [verzoeker], zoals hij al eerder heeft aangevoerd, niet strafrechtelijk vervolgd zal worden. Aan dit besluit is verder ten grondslag gelegd dat er geen nieuwe justitiële gegevens op zijn naam staan, dat hij ten tijde van het plegen van het strafbare feit nog jong was en dat hij een zorgopleiding heeft gevolgd. Dit zijn geen nieuwe feiten. Het besluit is daarom niet kennelijk genomen op andere gronden dan [verzoeker] in het beroepschrift heeft aangevoerd.

Griffierecht

6. Op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb moet de staatssecretaris aan [verzoeker] het door hem in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.670,00.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.

w.g. Lange

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Bossmann

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026

314-1199

Bijlage

Relevante wet- en regelgeving

Artikel 8:75 van de Awb

1. De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, en 7:28, tweede, vierde en vijfde lid, zijn van toepassing. Een natuurlijke persoon kan slechts in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling als bedoeld in de eerste volzin uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

[…]

Artikel 8:75a van de Awb

1. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

[…]

Artikel 8:41 van de Awb

[…]

7. Indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, vergoedt het bestuursorgaan aan de indiener het door deze betaalde griffierecht.

[…]

Artikel 8:108 van de Awb

1. Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10, 8:41, tweede lid, en 8:74.

[…]

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I.W.M.J. Bossmann

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand