ECLI:NL:RVS:2026:5907

ECLI:NL:RVS:2026:5907

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 202505885/1/V6
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 23 augustus 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven het persoonlijk plan inburgering en participatie (het PIP) van [appellant] vastgesteld en bepaald dat zij de B1-leerroute gaat volgen. [appellant] heeft de Filipijnse nationaliteit en is sinds november 2023 inburgeringsplichtig. Het college heeft op 23 augustus 2024 het PIP vastgesteld en bepaald dat [appellant] de B1-leerroute moet volgen. De B1-route heeft als doel dat de inburgeringsplichtige binnen drie jaar de Nederlandse taal beheerst op B1-niveau. Daarnaast heeft het college in het PIP vastgelegd dat [appellant] gedurende 12 uur moet deelnemen aan een participatieverklaringstraject (PVT) bij Vluchtelingenwerk Eindhoven en dat zij de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) moet volgen. Die module bestaat uit theoretische lessen over de Nederlandse arbeidsmarkt. Daarnaast moet [appellant] 40 uur werkervaring op de Nederlandse arbeidsmarkt opdoen. [appellant] moet binnen een termijn van drie jaar aan haar verplichtingen uit het PIP voldoen. Omdat zij stelt niet aanwezig te kunnen zijn bij deze verplichte onderdelen van het PIP, heeft [appellant] tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Volgens [appellant] is haar echtgenoot namelijk volledig afhankelijk van haar, omdat hij door zijn ziekte 24 uur per dag door haar verzorgd moet worden.

Uitspraak

202505885/1/V6.

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Eindhoven,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­-Brabant van 17 oktober 2025 in zaak nr. 24/4031 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

Procesverloop

Bij besluit van 23 augustus 2024 heeft het college het persoonlijk plan inburgering en participatie (het PIP) van [appellant] vastgesteld en bepaald dat zij de B1-leerroute gaat volgen.

Bij besluit van 23 oktober 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 oktober 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.L.M. Stieger, advocaat in ‘s-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C.N. van Dijk, zijn verschenen. Verder is de echtgenoot van [appellant] verschenen.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst en partijen de gelegenheid geboden om gezamenlijk tot een oplossing te komen. Bij brief van 25 augustus 2026 heeft de gemachtigde van [appellant] de Afdeling laten weten dat partijen geen oplossing hebben bereikt en de Afdeling verzocht uitspraak te doen.

Geen van de partijen heeft binnen de door de Afdeling gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft vervolgens met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:57, derde lid, van de Awb bepaald dat een nadere behandeling op een zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft de Filipijnse nationaliteit en is sinds november 2023 inburgeringsplichtig. Het college heeft op 23 augustus 2024 het PIP vastgesteld en bepaald dat [appellant] de B1-leerroute moet volgen. De B1-route heeft als doel dat de inburgeringsplichtige binnen drie jaar de Nederlandse taal beheerst op B1-niveau. Daarnaast heeft het college in het PIP vastgelegd dat [appellant] gedurende 12 uur moet deelnemen aan een participatieverklaringstraject (PVT) bij Vluchtelingenwerk Eindhoven en dat zij de Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP) moet volgen. Die module bestaat uit theoretische lessen over de Nederlandse arbeidsmarkt. Daarnaast moet [appellant] 40 uur werkervaring op de Nederlandse arbeidsmarkt opdoen. [appellant] moet binnen een termijn van drie jaar aan haar verplichtingen uit het PIP voldoen. Omdat zij stelt niet aanwezig te kunnen zijn bij deze verplichte onderdelen van het PIP, heeft [appellant] tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Volgens [appellant] is haar echtgenoot namelijk volledig afhankelijk van haar, omdat hij door zijn ziekte 24 uur per dag door haar verzorgd moet worden.

1.1. Partijen verschillen van mening over de invulling van het PVT en de MAP. In hoger beroep ligt niet voor onder welke leerroute [appellant] valt.

Oordeel van de rechtbank

2. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de B1-leerroute niet aansluit bij haar capaciteiten en mogelijkheden. Het feit dat de echtgenoot van [appellant] ernstig ziek is en intensieve zorg nodig heeft, betekent niet dat [appellant] niet aan haar inburgeringsplicht kan voldoen. [appellant] heeft namelijk niet met stukken onderbouwd dat het voor haar echtgenoot onmogelijk is om professionele zorg in te schakelen, zodat [appellant] aan de verplichte onderdelen van het PIP kan voldoen. De echtgenoot van [appellant] wil vanuit privacyoverwegingen liever geen vreemden in huis hebben. Volgens de rechtbank wegen deze privacyoverwegingen niet zwaarder dan de verplichting van [appellant] om in te burgeren. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de inburgeringsplicht slechts een zeer beperkte impact heeft op [appellant], omdat zij drie jaar de tijd heeft om aan haar verplichtingen te voldoen. Zij heeft het aannemelijk geacht dat [appellant] binnen deze termijn haar inburgeringsplicht kan nakomen. Ten slotte heeft de rechtbank betrokken dat [appellant] niet van haar inburgeringsplicht is vrijgesteld of ontheven. Daarom kan het college niet afwijken van de wettelijke verplichting van [appellant] om in te burgeren.

Het PVT en de MAP

3. [appellant] betoogt dat het college heeft nagelaten om naar een geschikte oplossing te zoeken die aansluit bij haar bijzondere omstandigheden. De echtgenoot van [appellant] is dusdanig ernstig ziek dat hij volledig van haar afhankelijk is. Hoewel haar echtgenoot op grond van zijn indicatie in het kader van de Wet langdurige zorg recht heeft op professionele of informele zorg, betoogt [appellant] dat het inschakelen van externe hulp wegens hun bijzondere omstandigheden geen soelaas biedt. Een onderdeel van het ziektebeeld van haar echtgenoot is namelijk dat hij moeite heeft met het toelaten van vreemden in zijn woning. Daarnaast vormen hun honden volgens [appellant] een gevaar voor derden, zoals externe zorgverleners. [appellant] wijst er verder op dat de ziekte van haar echtgenoot volgens Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) geen grond vormt voor ontheffing of vrijstelling van haar inburgeringsplicht. Hierdoor is het voor haar niet mogelijk om DUO om ontheffing of vrijstelling te vragen. Dat zij drie jaar de tijd heeft om in te burgeren, betekent volgens haar bovendien niet dat het college is ontslagen van zijn verplichting om samen met [appellant] naar een geschikte oplossing te zoeken. Volgens [appellant] heeft de rechtbank dit niet onderkend.

3.1. In het kader van de inburgering is de inburgeringsplichtige, naast het volgen van de leerroute, verplicht om deel te nemen aan het PVT en de MAP. Het PVT bestaat uit een inleiding in de kernwaarden van de Nederlandse samenleving. De MAP bestaat uit een theoretische module en een praktische inzet op de Nederlandse arbeidsmarkt. Deze verplichtingen zijn neergelegd in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wi. In artikel 3.1, derde lid, van het Besluit inburgering 2021 staat dat het PVT ten minste 12 uren omvat. In artikel 3.1 van de Regeling inburgering 2021 staat dat ten minste 40 uren van de MAP gericht zijn op de praktische inzet van de inburgeringsplichtige op de arbeidsmarkt.

3.2. In het PIP stelt het college onder meer de intensiteit van het PVT en de MAP vast. Dit doet het college op basis van een brede intake. Zoals volgt uit artikel 14, derde lid, van de Wi bestaat een brede intake onder meer uit een leerbaarheidstoets, een onderzoek naar gevolgd onderwijs en werkervaring in het land van herkomst en een verkenning naar de omstandigheden van de inburgeringsplichtige met het oog op het bieden van maatwerk. Hierbij onderzoekt het college het taalniveau, de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie en de mate van zelfredzaamheid van de inburgeringsplichtige. Het college heeft tijdens de brede intake de persoonlijke situatie van [appellant] verkend en het college en [appellant] hebben daarbij gesproken over haar gezinssituatie en de gezondheidssituatie van haar echtgenoot. Vervolgens heeft het college het PIP vastgesteld.

3.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] met de door haar overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat het inschakelen van externe zorg voor haar echtgenoot onmogelijk is. Zij heeft haar stelling dat haar echtgenoot wegens zijn ziekte moeite heeft met het toelaten van vreemden, niet met stukken onderbouwd. Zij heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat haar echtgenoot geen externe hulp kan ontvangen door de aanwezigheid van de honden. [appellant] heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat zij de enige is die de zorg kan verlenen en dat het voor haar onmogelijk is om aan de verplichte onderdelen van het PIP te voldoen. Daarom is de Afdeling het met de rechtbank eens dat zij het college niet hoefde op te dragen het PIP aan te passen. Zoals de rechtbank verder terecht heeft overwogen, kan het college [appellant] niet vrijstellen of ontheffen van de inburgeringsplicht. [appellant] moet een verzoek om vrijstelling of ontheffing indienen bij DUO. Als [appellant] het niet eens is met de beslissing op dat verzoek, kan zij daartegen bezwaar maken en vervolgens eventueel beroep instellen.

3.4. De hogerberoepsgrond slaagt niet.

Conclusie

4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.E. de Ruijter, griffier.

w.g. De Poorter

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Ruijter

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026

887-1196

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.E. de Ruijter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand