ECLI:NL:RVS:2026:5909

ECLI:NL:RVS:2026:5909

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 202400680/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 21 juli 2022 heeft de minister voor Rechtsbescherming het verzoek van [appellant sub 2] om een kopie van zijn dossier bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en een afschrift van alle overige gegevens die de RvdK over hem heeft opgeslagen, gedeeltelijk afgewezen. Deze zaak gaat over het verzoek van [appellant sub 2] op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) om inzage in zijn persoonsgegevens die de RvdK verwerkt. De minister heeft [appellant sub 2] zijn zogenoemde raadsdossier verstrekt, maar daarin de gegevens van derden weggelakt. Andere persoonsgegevens van [appellant sub 2] heeft de minister niet gevonden. De minister vindt dat [appellant sub 2] volledige inzage heeft gehad. In deze uitspraak beoordeelt de Afdeling of de minister [appellant sub 2] alles heeft laten zien waar hij recht op heeft. De rechtbank heeft de besluiten op bezwaar vernietigd en de minister opgedragen opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 2] te beslissen. Volgens de rechtbank heeft de minister het verzoek van [appellant sub 2] te beperkt opgevat door alleen te zoeken naar gegevens in het raadsdossier en niet naar persoonsgegevens van hem daarbuiten. Verder overweegt de rechtbank dat de minister moet zoeken naar het volgens hem verwijderde e-mailbericht van 13 januari 2021. Tot slot oordeelt de rechtbank dat [appellant sub 2] geen recht heeft op schadevergoeding.

Uitspraak

202400680/1/A3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de minister voor Rechtsbescherming,

2. [appellant sub 2], wonend in [woonplaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West-Brabant van 14 december 2023 in zaak nr. 22/5639 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2022 heeft de minister het verzoek van [appellant sub 2] om een kopie van zijn dossier bij de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en een afschrift van alle overige gegevens die de RvdK over hem heeft opgeslagen, gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 25 oktober 2022 heeft de minister het besluit van 21 juli 2022 gehandhaafd en het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 10 augustus 2023 heeft de minister het besluit van 25 oktober 2022 aangevuld.

Bij uitspraak van 14 december 2023 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de besluiten van 25 oktober 2022 en 10 augustus 2023 vernietigd en de minister opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 2] heeft ook incidenteel hoger beroep ingesteld.

De minister en het Landelijk Expertiseteam Jeugdbescherming (LET JB) en Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (LJ&R) hebben zienswijzen gegeven op het incidenteel hoger beroep.

Bij besluit van 5 maart 2024 heeft de minister het bezwaar van [appellant sub 2] opnieuw ongegrond verklaard.

[appellant sub 2] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 5 maart 2024.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

LET JB en LJ&R hebben een reactie ingediend.

De minister en LET JB en LJ&R hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft in andere samenstelling beslist op het verzoek om beperkte kennisneming van de motivering bij de geweigerde e-mail van 13 januari 2021.

De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 7 september 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Danopoulos, advocaat in Rotterdam, en mr. T. Vlug, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. drs. M.E. Schermerhorn en [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts zijn LET JB en LJ&R, vertegenwoordigd door mr. M. Stroes, advocaat in Maastricht, als partij gehoord.

[appellant sub 2] heeft op de zitting van de Afdeling toestemming verleend om kennis te nemen van de e-mail van 13 januari 2021.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1. Deze zaak gaat over het verzoek van [appellant sub 2] op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) om inzage in zijn persoonsgegevens die de RvdK verwerkt.

De minister heeft [appellant sub 2] zijn zogenoemde raadsdossier verstrekt, maar daarin de gegevens van derden weggelakt. Andere persoonsgegevens van [appellant sub 2] heeft de minister niet gevonden. De minister vindt dat [appellant sub 2] volledige inzage heeft gehad. In deze uitspraak beoordeelt de Afdeling of de minister [appellant sub 2] alles heeft laten zien waar hij recht op heeft.

Welke regels?

2. Aan de orde zijn de AVG en de Uitvoeringswet Algemene Verordening Gegevens bescherming (UAVG). De bepalingen die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

In het bijzonder gaat het om artikel 15 van de AVG. Dat artikel voorziet in de mogelijkheid van een betrokkene om inzage te vragen in de eigen persoonsgegevens. Dat kan in de vorm van een overzicht van de persoonsgegevens die zijn verwerkt en waarbij onder meer het doel van de verwerking staat. Soms wordt een kopie van de documenten waarin die persoonsgegevens voorkomen verstrekt. In dat geval mag geen afbreuk worden gedaan aan de rechten en vrijheden van anderen.

Wat heeft de rechtbank geoordeeld?

3. De rechtbank heeft de besluiten op bezwaar vernietigd en de minister opgedragen opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 2] te beslissen. Volgens de rechtbank heeft de minister het verzoek van [appellant sub 2] te beperkt opgevat door alleen te zoeken naar gegevens in het raadsdossier en niet naar persoonsgegevens van hem daarbuiten. Verder overweegt de rechtbank dat de minister moet zoeken naar het volgens hem verwijderde e-mailbericht van 13 januari 2021. Tot slot oordeelt de rechtbank dat [appellant sub 2] geen recht heeft op schadevergoeding.

Hoe behandelt de Afdeling deze zaak?

4. De Afdeling zal eerst het hoger beroep van de minister tegen de uitspraak van de rechtbank beoordelen. Daarna behandelt de Afdeling het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] en tot slot zijn beroep van rechtswege tegen het nieuwe besluit op bezwaar van de minister. Allereerst volgt een verkorte weergave van de standpunten van partijen.

Hoger beroep van de minister en incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]

Waarom zijn de minister en [appellant sub 2] het niet eens met de uitspraak van de rechtbank?

5. De minister komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 2] moet beslissen. De minister betoogt dat hij wel heeft gekeken naar persoonsgegevens buiten het dossier van de RvdK. In beginsel worden geen documenten bewaard buiten het (digitale) dossier, maar naar aanleiding van het verzoek heeft de minister onder meer gezocht in interne e-mailboxen van betrokken medewerkers. Hij heeft niet nog meer persoonsgegevens gevonden. [appellant sub 2] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat er buiten het raadsdossier en het e-mailbericht van 13 januari 2021 meer persoonsgegevens zijn. Het e-mailbericht heeft de minister voordat hij het heeft vernietigd onderzocht. Daarin komen geen persoonsgegevens van [appellant sub 2] voor. De inhoud van de e-mail is volgens de minister niet relevant voor het raadsonderzoek naar [appellant sub 2].

6. [appellant sub 2] is het niet eens met een aantal overwegingen van de rechtbank. Hij voert aan dat de rechtbank ten onrechte niets heeft overwogen over het ontbreken van persoonsgegevens in de e-mail van 13 januari 2021 en de verwijdering van de e-mail. Verder heeft de rechtbank volgens [appellant sub 2] onvoldoende gemotiveerd waarom de minister het standpunt mocht innemen dat sprake is van veiligheidsrisico’s bij LET JB en LJ&R en daarom passages mochten worden weggelakt in het inzagedossier. De rechtbank heeft ook nagelaten te oordelen over de onduidelijkheid en onbegrijpelijkheid van de inzage. [appellant sub 2] had ook de verslagen van 18 november 2020 en 20 januari 2021 van het multidisciplinair overleg moeten krijgen.

[appellant sub 2] verzoekt de Afdeling het besluit tot verwijdering van de e-mail van 13 januari 2021 onrechtmatig te verklaren en hem een immateriële schadevergoeding toe te kennen als blijkt dat de e-mail blijvend is verwijderd/vernietigd.

Wat oordeelt de Afdeling over het hoger beroep van de minister?

7. Het hoger beroep van de minister is gegrond. Hierna zal de Afdeling toelichten waarom.

7.1. Anders dan de rechtbank oordeelt de Afdeling dat de minister wel volledig heeft beslist op het verzoek van [appellant sub 2]. Zoals de minister terecht aanvoert, blijkt uit de besluiten dat hij het verzoek van [appellant sub 2] heeft opgevat als een verzoek om inzage in al zijn persoonsgegevens die de RvdK verwerkt. De minister heeft op de zitting bij de Afdeling toegelicht dat daarom niet alleen is gezocht in het raadsdossier van [appellant sub 2], maar ook naar persoonsgegevens daarbuiten. Daarvoor zijn onder meer de e-mailboxen van de medewerkers van de RvdK doorgelicht. Buiten het raadsdossier heeft de minister echter geen persoonsgegevens van [appellant sub 2] aangetroffen. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister verder weersproken dat zij op de zitting bij de rechtbank zou hebben gezegd dat niet naar persoonsgegevens buiten het raadsdossier is gezocht. [appellant sub 2] heeft dat niet betwist. Gezien deze uitleg, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister nog nader onderzoek moet doen naar persoonsgegevens van [appellant sub 2] buiten het raadsdossier.

7.2. De Afdeling volgt de rechtbank ook niet in haar oordeel dat de minister moet zoeken naar de e-mail van 13 januari 2021 en moet beoordelen of daarin persoonsgegevens van [appellant sub 2] staan.

Op het moment van het verzoek zat het e-mailbericht van 13 januari 2021 nog in het raadsdossier. De minister betoogt terecht dat hij blijkens de besluiten daarom al naar de e-mail heeft gekeken. Volgens de minister staan daarin echter geen persoonsgegevens van [appellant sub 2] en ook niet van anderen. De Afdeling heeft deze e-mail ingezien en deelt het standpunt van de minister daarover. Omdat de e-mail geen persoonsgegevens van [appellant sub 2] bevat, mocht de minister deze uit het raadsdossier van [appellant sub 2] verwijderen.

Het betoog van de minister slaagt.

Wat oordeelt de Afdeling over het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]?

8. Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De redenen daarvoor zijn de volgende.

8.1. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant sub 2] zijn beroepsgrond ingetrokken dat de rechtbank ten onrechte niets heeft overwogen over het ontbreken van persoonsgegevens in de e-mail van 13 januari 2021 en de verwijdering van de e-mail. De Afdeling zal die grond daarom niet bespreken.

8.2. [appellant sub 2] heeft gelijk dat de rechtbank niet uitgebreid heeft gemotiveerd waarom de minister de gegevens van derden mocht weglakken. Voor de Afdeling is dat echter geen reden om de overwegingen van de rechtbank te corrigeren. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat artikel 15 van de AVG [appellant sub 2] het recht geeft op inzage in zijn eigen persoonsgegevens zodat hij de juistheid ervan kan controleren. De minister is in beginsel op grond van het vierde lid van dat artikel verplicht om de persoonsgegevens van derden weg te lakken (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2559, onder 3.5). De Afdeling oordeelt dat het weglakken van die gegevens in dit geval geen afbreuk doet aan de volledige uitoefening van het recht van [appellant sub 2] om inzage van zijn persoonsgegevens.

Ook het ontbreken van expliciete overwegingen in de uitspraak van de rechtbank over de wijze van verstrekking aan [appellant sub 2] leidt niet tot een geslaagd betoog. Volgens vaste rechtspraak is voor de wijze van verstrekking niet verplicht dat een kopie wordt verstrekt. Betrokkene moet met de gekozen wijze zijn gegevens kunnen controleren (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:487). [appellant sub 2] heeft een kopie van het raadsdossier gekregen. Daarmee kan hij naar het oordeel van de Afdeling zijn persoonsgegevens controleren en zijn andere rechten uit de AVG uitoefenen. Dat sommige documenten, zoals contactlijsten, moeilijk leesbaar zijn zonder aanvullende informatie, betekent niet dat het voor [appellant sub 2] onmogelijk is om zijn gegevens die daarin staan te controleren.

Omdat de rechtbank de minister heeft opgedragen opnieuw op het bezwaar van [appellant sub 2] te beslissen, hoefde zij in dit geval niet ook nog in te gaan op de andere gronden waarom het bezwaar volgens [appellant sub 2] gegrond had moeten worden verklaard.

De door [appellant sub 2] genoemde verslagen van het multidisciplinair overleg zaten volgens de minister niet meer in het raadsdossier. Zulke werkaantekeningen maken volgens de minister geen deel uit van het raadsdossier dat moet worden bewaard en worden daaruit verwijderd na afronding van het onderzoek. De minister zegt dat dat in dit geval ook is gebeurd. De minister heeft ze daarom niet meer en kon ze dus ook niet aan [appellant sub 2] geven. De Afdeling vindt deze verklaring niet ongeloofwaardig. [appellant sub 2] heeft niet iets aangevoerd waardoor moet worden getwijfeld aan deze verklaring van de minister. Het betoog van [appellant sub 2] slaagt niet.

Conclusie hoger beroepen

9. Het hoger beroep van de minister is gegrond en het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 2] moet alsnog ongegrond worden verklaard.

Beroep van rechtswege

Het nieuwe besluit

10. Bij besluit van 5 maart 2024 heeft de minister het besluit van 21 juli 2022 gehandhaafd met een aanvullende motivering. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

11. Omdat dit besluit stoelt op de uitspraak van de rechtbank en die uitspraak door de Afdeling wordt vernietigd, is de grondslag van dit nieuwe besluit op bezwaar er niet meer. Het nieuwe besluit op bezwaar moet daarom worden vernietigd. Aan de behandeling van de gronden die [appellant sub 2] tegen dit besluit heeft aangevoerd, komt de Afdeling niet toe.

Verzoek om schadevergoeding

12. De Afdeling wijst het verzoek van [appellant sub 2] om schadevergoeding af. De reden daarvoor is dat, zoals hiervoor is overwogen, de e-mail van 13 januari 2021 niet onrechtmatig is vernietigd. Er is dus geen onrechtmatig besluit van of onrechtmatige handeling door de minister die schade heeft veroorzaakt bij [appellant sub 2].

Proceskosten

13. De minister hoeft de proceskosten niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van de minister voor Rechtsbescherming gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West­-Brabant van 14 december 2023 in zaak nr. 22/5639;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

V. vernietigt het besluit van 5 maart 2024, kenmerk KD-1-59NTZCO;

VI. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.

w.g. Drop

voorzitter

w.g. Van Tuyll van Serooskerken

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026

290

BIJLAGE

AVG

Artikel 15

Recht van inzage van de betrokkene

1.De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet

verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die

persoonsgegevens en van de volgende informatie:

a) de verwerkingsdoeleinden;

b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;

c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;

d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;

e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;

f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;

g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;

h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.

2. Wanneer persoonsgegevens worden doorgegeven aan een derde land of een internationale organisatie, heeft de betrokkene het recht in kennis te worden gesteld van de passende waarborgen overeenkomstig artikel 46 inzake de doorgifte.

3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt.

4. Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.

UAVG

Artikel 41 Uitzonderingen op rechten betrokkene en plichten verwerkingsverantwoordelijke

1. De verwerkingsverantwoordelijke kan de verplichtingen en rechten, bedoeld in de artikelen 12 tot en met 21 en artikel 34 van de verordening, buiten toepassing laten voor zover zulks noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van:

a. de nationale veiligheid;

b. landsverdediging;

c. de openbare veiligheid;

d. de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid;

e. andere belangrijke doelstellingen van algemeen belang van de Europese Unie of van Nederland, met name een belangrijk economisch of financieel belang van de Europese Unie of van Nederland, met inbegrip van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden, volksgezondheid

en sociale zekerheid;

f. de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures;

g. de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen;

h. een taak op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houdt, al is het incidenteel, met de uitoefening van het openbaar gezag in de gevallen, bedoeld in de onderdelen a, b, c, d, e en g;

i. de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van

anderen; of

j. de inning van civielrechtelijke vorderingen.

2. Bij de toepassing van het eerste lid houdt de verwerkingsverantwoordelijke rekening met in ieder geval, voor zover van toepassing:

a. de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking;

b. de categorieën van persoonsgegevens;

c. het toepassingsgebied van de ingevoerde beperkingen;

d. de waarborgen ter voorkoming van misbruik of onrechtmatige toegang of doorgifte;

e. de specificatie van de verwerkingsverantwoordelijke of de categorieën van verwerkingsverantwoordelijken;

f. de opslagperiodes en de toepasselijke waarborgen, rekening houdend met de aard, de omvang en de doeleinden van de verwerking of van de categorieën van verwerking; g. de risico’s voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen; en h. het recht van betrokkenen om van de beperking op de hoogte te worden gesteld, tenzij dit afbreuk kan doen aan het doel van de beperking.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand