ECLI:NL:RVS:2026:5911

ECLI:NL:RVS:2026:5911

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 202304490/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

In het besluit van 23 mei 2023 heeft de raad van de gemeente Ooststellingwerf het bestemmingsplan "Bruggelaan 62, Appelscha" vastgesteld. Het plan voorziet in de mogelijkheid om een caravanstalling en 15 camperstandplaatsen met bijbehorende voorzieningen te realiseren op het perceel Bruggelaan 62 in Appelscha. Daarnaast voorziet het plan in de mogelijkheid om binnen de bestaande bebouwing een kampeerwinkel en een werkplaats voor onderhoud en reparatie van caravans en campers te vestigen, elk met een vloeroppervlak van maximaal 150 m2. Eerder gold voor een gedeelte van de gronden aan de noordwestelijke kant van het plangebied het bestemmingsplan "Buitengebied 2016" dat de bestemming "Agrarisch" en "Waarde - Cultuurhistorie 1" aan die gronden toekende. Op de overige gronden van het plangebied was de beheersverordening "Appelscha 2014" (de beheersverordening) van toepassing. De beheersverordening kende de besluitsubvlakken "randen" en "Bestaand" aan de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en het omliggende erf toe. Op 2 augustus 2022 heeft het college een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor de duur van vijf jaar voor het realiseren van 5 camperstandplaatsen en een kampeerwinkel.

Uitspraak

202304490/1/R3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend in Appelscha, gemeente Ooststellingwerf,

2. [appellant sub 2], wonend in Appelscha, gemeente Ooststellingwerf,

3. [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend in Appelscha, gemeente Ooststellingwerf,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Ooststellingwerf,

verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 23 mei 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Bruggelaan 62, Appelscha" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 9 juli 2026, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J.F. Nuijens, advocaat in Groningen, A.M. Kleine Staarman, en S.M. Verkuil, zijn verschenen. Ook is op de zitting Camper en Caravan Appelscha, vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 7 juni 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2. Het plan voorziet in de mogelijkheid om een caravanstalling en 15 camperstandplaatsen met bijbehorende voorzieningen te realiseren op het perceel Bruggelaan 62 in Appelscha (het perceel). Daarnaast voorziet het plan in de mogelijkheid om binnen de bestaande bebouwing een kampeerwinkel en een werkplaats voor onderhoud en reparatie van caravans en campers te vestigen, elk met een vloeroppervlak van maximaal 150 m2. Eerder gold voor een gedeelte van de gronden aan de noordwestelijke kant van het plangebied het bestemmingsplan "Buitengebied 2016" dat de bestemming "Agrarisch" en "Waarde - Cultuurhistorie 1" aan die gronden toekende. Op de overige gronden van het plangebied was de beheersverordening "Appelscha 2014" (de beheersverordening) van toepassing. De beheersverordening kende de besluitsubvlakken "randen" en "Bestaand" aan de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en het omliggende erf toe. Op 2 augustus 2022 heeft het college een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor de duur van vijf jaar voor het realiseren van 5 camperstandplaatsen en een kampeerwinkel.

3. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] zijn allemaal directe omwonenden van het perceel. [appellant sub 2] woont op de [locatie 1], [appellant sub 1] op de [locatie 2]. [appellanten sub 3] wonen op respectievelijk de [locatie 3] en [locatie 4]. Zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Beroepsgronden

Procedurele fout

5. [appellanten sub 3] betogen dat de raad bewust een procedurele fout heeft gemaakt door het planidentificatienummer na afloop van de zienswijzetermijn te wijzigen, met als doel dat zij beroep tegen het verkeerde plan zouden instellen. Dit staat volgens hen aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen procedurele fout in de totstandkoming van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden. [appellanten sub 3] hebben de mogelijkheid gehad om beroep in te stellen tegen het besluit. Zij hebben deze mogelijkheid ook tijdig benut.

5.2. De Afdeling begrijpt het betoog zo dat [appellanten sub 3] doelen op het verschil tussen het planidentificatienummer van het ontwerpplan en het vastgestelde plan. Het planidentificatienummer van het ontwerp eindigt op "0N01" en het vastgestelde plan op "VG01". Niet is gebleken dat zij door dit verschil in de planidentificatienummers geen beroep hebben kunnen instellen. De Afdeling wijst er op, zoals de raad ook heeft gedaan, dat [appellanten sub 3] de gelegenheid hebben gehad om beroep in te stellen en zij dat ook tijdig hebben gedaan. Het plan is op de juiste manier ter inzage gelegd. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat procedurele fouten aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg staan.

Het betoog slaagt niet.

Omgevingsvergunning

6. [appellant sub 2] betoogt dat de raad niet heeft onderkend dat met de vaststelling van het plan de tijdelijke omgevingsvergunning van 2 augustus 2022 voor 5 camperstandplaatsen niet is ingetrokken. Volgens haar is het nu mogelijk om op basis van het plan en de tijdelijke omgevingsvergunning 20 camperstandplaatsen te realiseren.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan alleen 15 camperstandplaatsen mogelijk maakt en niet meer.

6.2. De Afdeling stelt vast dat de tijdelijke omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) is verleend. Met deze omgevingsvergunning wordt afgeweken van de beheersverordening om, voor zover hier relevant, voor de duur van 5 jaar 5 camperstandplaatsen achter op het perceel naast de bestaande schuur te kunnen realiseren. Met het besluit van 23 mei 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Bruggelaan 62, Appelscha" vastgesteld en het zo mogelijk gemaakt om onder meer op deze plek camperstandplaatsen te realiseren. Uit artikel 3.1, aanhef en onder n, van de planregels van dat bestemmingsplan volgt dat het aantal camperstandplaatsen niet meer mag bedragen dan 15. De 5 camperstandplaatsen die met de omgevingsvergunning voor afwijken van de beheersverordening mogelijk zijn gemaakt, zijn daar onderdeel van gaan uitmaken en mogen daar niet bij worden opgeteld. Aan de omgevingsvergunning komt door deze vervangende regeling van het bestemmingsplan geen betekenis meer toe.

Het betoog slaagt niet.

6.3. [appellant sub 2] is er bij verschillende van haar beroepsgronden vanuit gegaan dat het mogelijk is om op basis van het plan en de tijdelijke omgevingsvergunning 20 camperstandplaatsen te realiseren. De Afdeling zal er bij de beoordeling van deze beroepsgronden, voor zover relevant, van uitgaan dat het plan maximaal 15 camperstandplaatsen mogelijk maakt.

Omgevingsvisie

7. [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] betogen dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie Ooststellingwerf (de Omgevingsvisie). Zij voeren aan dat dit plan geen meerwaarde heeft voor de gemeente, terwijl uit de Omgevingsvisie volgt dat een bestemmingsplan dat wel moet hebben. Volgens [appellanten sub 3] onderscheidt het plan zich namelijk niet van andere camperplaatsen.

Zij voeren verder aan dat de raad de recreatieve ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt ten onrechte aanmerkt als kleinschalig zoals bedoeld in de Omgevingsvisie. Volgens hen kan het realiseren van 15 camperstandplaatsen met bijbehorende voorzieningen niet worden gezien als een kleinschalige recreatieve ontwikkeling.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat van strijd met de Omgevingsvisie geen sprake is. De toegevoegde waarde van het plan zit in de kwaliteit en ligging van de locatie en in de clustering van functies. Zo hebben de kampeerders vrij uitzicht over de esgronden. Ook de combinatie van caravanstalling, werkplaats en kampeerwinkel is uniek. Bovendien kunnen degenen die hun caravan of camper in het plangebied stallen er ook terecht voor onderhoud en kampeerbenodigdheden. Door deze unieke factoren zijn de recreatieve voorzieningen binnen het plangebied van toegevoegde waarde voor het toeristisch-recreatieve aanbod in de regio.

De raad stelt zich verder op het standpunt dat sprake is van een kleinschalige ontwikkeling vanwege de schaal en omvang van de voorzieningen. Het realiseren van 15 camperstandplaatsen wordt onder andere ook in het bestemmingsplan "Buitengebied 2016" gezien als een kleinschalige vorm van kamperen. Daarnaast is het sanitair alleen ten behoeve van de camperstandplaatsen. Verder zijn de kampeerwinkel en de werkplaats voor maximaal 2 campers en caravans alleen aanvullend ten opzichte van de camperplekken en de al vergunde camperstalling. De kampeerwinkel en de werkplaats worden bovendien inpandig gerealiseerd in de bestaande bebouwing, zodat het bouwvolume niet toeneemt. Het geheel kan daarom worden gezien als een kleinschalige recreatieve ontwikkeling.

7.2. Het is aan de raad om te beoordelen of de recreatieve voorziening meerwaarde heeft en kleinschalig van aard is. De raad komt daarbij beoordelingsruimte toe. Het is dus niet aan [appellanten sub 3] of aan de Afdeling om in de plaats van de raad te bepalen of de recreatieve voorziening meerwaarde heeft of kleinschalig van aard is. De Afdeling toetst de desbetreffende standpunten van de raad daarom terughoudend.

Gelet op de gegeven toelichting van de raad is de Afdeling van oordeel dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan een meerwaarde heeft voor de gemeente.

De enkele stelling dat het plan geen meerwaarde heeft, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. [appellanten sub 3] hebben hun stelling dat het plan zich niet onderscheidt andere camperplaatsen verder niet onderbouwd, zodat dit ook geen aanleiding geeft voor een ander oordeel.

De Afdeling is verder van oordeel dat de raad, ook gelet op de gegeven toelichting, zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de recreatieve voorzieningen die met dit bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt kleinschalig van aard zijn. De enkele stelling dat geen sprake is van kleinschaligheid geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie.

Het betoog slaagt niet.

Verkeersoverlast en verkeerskundige inpasbaarheid

8. [appellant sub 1], [appellanten sub 3] en [appellant sub 2] vrezen als gevolg van de toename van het aantal camperstandplaatsen voor verkeersoverlast.

[appellant sub 2] voert aan dat de te verwachten verkeersintensiteit een stuk hoger is dan het in de plantoelichting genoemde totaal van 50 verkeersbewegingen per etmaal. [appellanten sub 3] hebben er in dit kader ook op gewezen dat een definitie van "ondergeschikte en ondersteunende horeca-activiteiten" ontbreekt. De horeca-activiteiten kunnen daarom een verkeersaantrekkende werking hebben.

[appellant sub 1] en [appellanten sub 3] voeren verder aan dat de raad ten onrechte geen verkeersonderzoek heeft laten uitvoeren. [appellanten sub 3] wijzen in dit verband ook op de "Verordening Romte Fryslân 2014" (de verordening) waarin verschillende eisen worden gesteld aan het uitbreiden van bestaande, of toevoeging van nieuwe recreatieve voorzieningen. Uit de verordening volgt volgens hen dat in de plantoelichting duidelijk moet worden gemaakt dat het plan verkeerskundig inpasbaar is. Dat heeft de raad niet gedaan.

8.1. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting staat dat de recreatieve voorzieningen binnen het plangebied leiden tot een beperkte toename aan verkeersbewegingen. De raad heeft op de zitting toegelicht dat het aantal verwachte verkeersbewegingen is gebaseerd op de ervaring van de afgelopen jaren en input van de initiatiefnemer. De raad heeft in het verweerschrift en op de zitting nader toegelicht dat een aantal van 15 camperstandplaatsen bij een maximale bezetting maximaal 30 verkeersbewegingen per etmaal tot gevolg zal hebben. In de werkplaats worden, op grond van artikel 3.1, aanhef en onder d, onder 6, van de planregels maximaal twee campers of caravans tegelijkertijd gerepareerd. Een aantal van 5 verkeersbewegingen per etmaal is dan realistisch om vanuit te gaan, aldus de raad. De caravanstalling is al een aantal jaar open. Gebleken is dat er gemiddeld 5 tot 10 verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden, zodat van 10 verkeersbewegingen per etmaal kan worden uitgegaan. De kampeerwinkel is kleinschalig en ook al een aantal jaar open. Gebleken is dat er gemiddeld 5 verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden, zodat van 5 verkeersbewegingen per etmaal kan worden uitgegaan. Het totaal van maximaal 50 te verwachten verkeersbewegingen kan gemakkelijk via de Bruggelaan aan de noordoostzijde van het plangebied worden afgewikkeld, aldus de raad. Daarbij merkt de raad op dat er in het verleden een agrarisch bedrijf was gevestigd en dat de verkeersbewegingen van en naar dat bedrijf ook eenvoudig afgewikkeld konden worden. De verkeersgeneratie van het plan leidt volgens de raad daarom niet tot onaanvaardbare verkeersoverlast en er bestaat geen verplichting om een nader verkeersonderzoek uit te voeren.

8.2. De Afdeling overweegt, wat betreft het betoog dat de horeca-activiteiten een verkeersaantrekkende werking hebben, dat uit artikel 3.1, aanhef en onder d, onder 1, van de planregels volgt dat het moet gaan om aan de bestemming ondergeschikte en ondersteunende horeca-activiteiten. Dit betekent dat de horeca altijd ondergeschikt moet zijn aan het recreatieve karakter van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" en ondersteunend moet zijn aan de hoofdactiviteit, namelijk de camping. Dit betekent dat de horeca dus ter ondersteuning moet zijn van de daar al recreërende gasten. De raad heeft dit op de zitting ook bevestigd. Gelet op het ondersteunende en ondergeschikte karakter van de horeca-activiteiten heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat van deze activiteit geen extra verkeersaantrekkende werking is te verwachten.

Gelet hierop, het beperkte aantal camperstandplaatsen en de kleinschaligheid van de mogelijke nevenactiviteiten die kunnen worden ontplooid, en de hiervoor onder 8.1 weergegeven toelichting van de raad, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij het vaststellen van het plan is uitgegaan van een te laag aantal verkeersbewegingen.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

8.3. Over het betoog dat de raad ten onrechte geen verkeersonderzoek heeft laten uitvoeren, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft in paragraaf 2.2.3 van de plantoelichting op de door [appellanten sub 3] genoemde vereisten uit de verordening gewezen. Daar staat dat op de verkeerskundige aspecten in hoofdstuk 3 van de plantoelichting zal worden ingegaan. In hoofdstuk 3 staat vervolgens dat de maximaal 50 te verwachten verkeersbewegingen gemakkelijk via de Bruggelaan aan de noordoostzijde van het plangebied kan worden afgewikkeld. Vanuit het plangebied is goed zicht op de openbare weg (en andersom), zodat het treffen van verkeerskundige maatregelen niet noodzakelijk is. [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] hebben geen redenen aangevoerd waarom de maximaal verwachte 50 verkeersbewegingen per etmaal niet via de Bruggelaan kunnen worden afgewikkeld en waarom een verkeersonderzoek noodzakelijk is. Het betoog slaagt op dit punt alleen al daarom niet.

8.4. De Afdeling concludeert dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen onaanvaardbare verkeersoverlast voor omwonenden van het plangebied zal ontstaan en dat verder onderzoek naar de verkeerskundige inpasbaarheid niet noodzakelijk is.

Het betoog slaagt niet.

Geluidsoverlast

9. [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] vrezen voor een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat door geluidsoverlast als gevolg van de activiteiten die in het plan worden toegestaan. Zij stellen dat zij nu al geluidsoverlast ervaren en verwachten dat het met de uitbreiding van de camping zal toenemen. Zij hebben hiertoe verschillende gronden aangevoerd die de Afdeling hierna zal bespreken.

VNG-Brochure

10. [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] betogen dat de raad de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (de VNG-brochure) onjuist heeft gehanteerd. [appellant sub 2] voert aan dat de raad de omgeving van het plangebied ten onrechte heeft aangemerkt als gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure. De aanwezigheid van het Verkeers- & Attractiepark Duinen Zathe (het attractiepark) maakt niet dat er sprake is van een gemengd gebied. Volgens haar is er in plaats daarvan sprake van het omgevingstype rustige woonwijk, zodat de richtafstanden ook niet met één afstandsstap hadden mogen worden verkleind.

[appellant sub 2] voert verder aan dat de raad de richtafstanden ten onrechte heeft gemeten tussen de grenzen van de verschillende functieaanduidingen in het bestemmingsplan en gevels van de omliggende woningen. De raad had volgens haar in plaats daarvan moeten meten vanaf de grens van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie", aangezien het gehele perceel die bestemming heeft en de verschillende recreatieve activiteiten op het gehele perceel zijn toegestaan. Zij wijst er in dit verband ook op dat de camperaars gebruik zullen maken van het gedeelte van het perceel aan de oost- en noordwestzijde, aangezien daar de kampeerwinkel, het sanitair en horecagebouw zijn gelegen en camperaars daar ook mogen staan wanneer zij bijvoorbeeld niet willen overnachten maar wel nog even op het terrein willen blijven. Dat gedeelte van het perceel ligt direct aan de aangrenzende percelen.

[appellant sub 2] en [appellanten sub 3] voeren tot slot aan dat de raad voor de werkplaats een onjuiste SBI-code heeft gehanteerd. Volgens [appellant sub 2] valt de activiteit die feitelijk in de werkplaats wordt uitgeoefend onder de SBI-code 452, 451. Onder deze code vallen onder meer bedrijven die actief zijn in de reparatie van auto’s. De richtafstand van de werkplaats voor geluid zou dus eigenlijk 30 m moeten zijn en niet 10 m zoals in de plantoelichting staat.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plangebied is gelegen in gemengd gebied en dat aan de richtafstanden, zoals bedoeld in de VNG-brochure, wordt voldaan. Hij wijst erop dat gelet op de verschillende functies in de omgeving, waaronder het attractiepark, winkels en recreatievoorzieningen, het plangebied niet kan worden aangeduid als een rustig buitengebied, maar dat sprake is van gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure. De richtafstanden mogen daarom met één afstandsstap worden verkleind. De richtafstanden moeten verder gemeten worden vanaf de grens van de bestemming die een milieubelastende activiteit toelaat tot de uiterste situering van de gevel van de woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. In dit geval wordt de grens van de verschillende toegelaten activiteiten bepaald door de functieaanduidingen en bestaande bebouwing. De grenzen van de percelen van [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] liggen, als ze gemeten worden vanaf de grenzen van de functieaanduidingen en de kampeerwinkel in de bestaande bebouwing, buiten de richtafstanden. Daarmee staat vast dat het bestemmingsplan op dit punt niet in strijd met de goede ruimtelijke ordening is vastgesteld.

10.2. De Afdeling stelt voorop dat uit paragraaf 4.3 van de plantoelichting blijkt dat de raad bij het maken van de ruimtelijke afweging aansluiting heeft gezocht bij de VNG-brochure. Deze brochure geeft richtafstanden die gelden tussen de grens van de bestemming die bedrijven toelaat enerzijds en de uiterste situering van de gevel van een woning anderzijds. Als aan deze richtafstanden wordt voldaan, kan er in beginsel vanuit worden gegaan dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De VNG-brochure heeft een indicatief karakter, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3859, overweging 7.4.

10.3. De VNG-brochure maakt voor de richtafstanden onderscheid tussen verschillende omgevingstypen, namelijk "rustige woonwijk" en "gemengd gebied". Een "gemengd gebied" is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Onder het omgevingstype "rustige woonwijk" wordt een woonwijk verstaan die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen er volgens de VNG-brochure bij zo’n omgevingstype vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor.

10.4. De Afdeling stelt vast dat er in de omgeving van het perceel verschillende bestemmingen voorkomen. Op ongeveer 70 m van het perceel ligt het Verkeer & Attractiepark Duinen Zathe en een bestaande camperstandplaats. Daarnaast bevinden zich op ongeveer 150 m diverse winkels en recreatieve voorzieningen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat de omgeving van het perceel als "gemengd gebied" moet worden aangemerkt. Dit betekent dat de richtafstanden uit de VNG-brochure met één afstandsstap verkleind kunnen worden.

10.5. De Afdeling stelt verder vast dat aan het gehele plangebied de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" is toegekend. De verschillende activiteiten die het plan mogelijk maakt, mogen alleen plaatsvinden binnen de bijbehorende functieaanduiding of de bestaande bebouwing. Zo is de caravanstalling alleen toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - caravanstalling", zijn camperstandplaatsen alleen toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - camperstandplaatsen", is de werkplaats alleen toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - werkplaats" en is de kampeerwinkel echter alleen toegestaan binnen de bestaande bebouwing.

De hiervoor genoemde activiteiten moeten als maatgevend worden beschouwd voor de gehele ontwikkeling en mogen niet op het gehele perceel plaatsvinden. Het plan staat weliswaar in de bestaande bebouwing nog verschillende andere activiteiten dan de kampeerwinkel toe, waaronder horeca, maar daarbij gaat het om activiteiten die ondergeschikt en ondersteunend zijn aan de bestemming. Deze kunnen dus niet maatgevend worden geacht. Het is verder niet aannemelijk dat de campers en camperaars met het enkele lopen tussen de bestaande bebouwing en de verschillende functieaanduidingen, gelet op de kleinschaligheid en de aard van de ontwikkeling, onaanvaardbare hinder voor omwonenden zullen veroorzaken. Het plan staat buiten de verschillende functieaanduidingen en de bestaande bebouwing dus geen andere hinderveroorzakende activiteiten toe die als maatgevend kunnen worden beschouwd voor het gehele perceel. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de richtafstanden onjuist heeft gehanteerd, doordat de raad bij het bepalen van de richtafstanden niet is uitgegaan van grens van de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie".

10.6. Wat betreft het betoog dat de raad de verkeerde SBI-code voor de werkplaats heeft gehanteerd, wijst de Afdeling op het volgende. Als zou moeten worden uitgegaan van de SBI-code 452, 451 is de richtafstand in gemengd gebied 10 m. De dichtstbijzijnde grens van de percelen aan de zuidoostelijke kant ten opzichte van de werkplaats is minstens 15 m. Ook dan wordt er dus aan de richtafstand voldaan. De raad heeft hier ook op gewezen.

10.7. Er is dus geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de VNG-brochure onjuist heeft gehanteerd. [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] hebben verder niet betwist dat aan de richtafstanden wordt voldaan in het geval dat de raad voor het bepalen van de richtafstanden van de verschillende functieaanduidingen in het bestemmingsplan en de kampeerwinkel kon uitgaan. Gelet hierop heeft de raad zich op het standpunt kunnen stellen dat aan de richtafstanden wordt voldaan, zodat er in beginsel vanuit worden gegaan dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

Het betoog slaagt niet.

Is de indicatieve akoestische berekening deugdelijk?

11. [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] betogen dat de indicatieve akoestische berekening, die is opgenomen in paragraaf 4.3 van de plantoelichting, op onjuiste uitgangspunten berust. Zij hebben hiertoe verschillende argumenten aangevoerd.

11.1. De raad heeft in het verweerschrift toegelicht dat de indicatieve akoestische berekening betrekking heeft op de relevante geluidbronnen voor de dichtstbijzijnde woningen. Die geluidbronnen zijn verkeersbewegingen van personenauto's, geluid van de werkplaats en stemgeluid van bezoekers.

11.2. De Afdeling overweegt dat hiermee sprake is van een representatieve invulling van de bedrijfsvoering van het plan. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de indicatieve akoestische berekening op onjuiste uitgangspunten berust.

De Afdeling ziet daarom aanleiding om in de uitspraak niet op de door [appellant sub 2], [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] aangevoerde argumenten in te gaan.

Het betoog slaagt niet.

Geurhinder

12. [appellant sub 2] betoogt dat de al ervaren geurhinder met de realisering van het plan zal toenemen. Zij wijst erop dat op het terrein een container met sanitaire voorzieningen aanwezig is. Deze mag daar volgens haar niet staan. Op ongeveer 15 m van haar terras is bovendien een lozingspunt voor chemische toiletten van campers gemaakt die al geurhinder veroorzaakt. Zij vreest dat deze hinder zal toenemen, omdat met de realisering van het plan meer camperstandplaatsen op het terrein aanwezig mogen zijn, en er dus ook meer chemische toiletten geloosd kunnen worden. De plaatsing van dit lozingspunt is volgens [appellant sub 2] bovendien in strijd met de geldende regels uit het Besluit lozen buiten inrichting (Blbi).

12.1. Over de container met een sanitaire voorziening overweegt de Afdeling dat door Camper en Caravan Appelscha op de zitting is toegelicht dat vanwege een verbouwing van het sanitairgebouw een tijdelijke toiletunit was geplaatst. Na het gereedkomen van de sanitaire voorziening in de bestaande bebouwing is deze weer weggehaald. De Afdeling ziet geen aanleiding daaraan te twijfelen.

Wat betreft het lozingspunt stelt de Afdeling voorop dat deze op meer dan 30 m van het perceel van [appellant sub 2] is gelegen. De raad heeft op de zitting toegelicht dat dit lozingspunt deugdelijk is uitgevoerd. Vanwege de toepassing van een zwanenhals is er geen sprake van een open verbinding en er is een tuinslang aanwezig om de afvoer door te spoelen. Dit wordt ook bevestigd in een inspectierapport van de gemeente Ooststellingwerf van 24 augustus 2023, dat deel uitmaakt van het dossier, en naar aanleiding van een melding van stankoverlast is opgesteld. In het inspectierapport is verder aangegeven dat de toezichthouders geen stankoverlast hebben waargenomen.

Over het betoog dat het lozingspunt in strijd is met het Blbi, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] deze stelling niet verder heeft onderbouwd. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het aspect geurhinder in de weg staat aan de vaststelling van het plan.

Het betoog slaagt niet.

Uitzicht

13. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan leidt tot een aantasting van het vrije uitzicht vanuit hun woningen. Zij voeren aan dat geen sprake is van de vereiste landelijke inpassing. Volgens [appellant sub 2] is de landschappelijke inpassing ter plaatse van de aanduiding "groen" onvoldoende om het zicht op de campers weg te nemen. Daar komt bij dat uit het plan niet duidelijk blijkt waar de campers op het terrein mogen parkeren of rijden. Daarom is volgens haar niet uitgesloten dat de campers niet alleen aan de westzijde, maar ook aan de oostzijde van het perceel, en dus dichter bij haar woning, aanwezig zullen zijn.

[appellant sub 2] voert verder aan dat de toezegging om een hekwerk met beplanting aan te brengen om de campers aan het zicht te onttrekken, die gedaan is in het kader van de tijdelijke omgevingsvergunning, niet is nagekomen. Volgens [appellant sub 2] zal het nog jaren duren voor de beplanting voldoende gegroeid is om de campers aan het zicht te onttrekken.

Volgens [appellant sub 1] maakt het plan naast de realisering van de 15 camperstandplaatsen ook de aanplant van nieuwe bomen en struiken mogelijk. Dat is volgens hem in strijd met gemeentelijk en provinciaal beleid.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. Wat betreft het betoog van [appellant sub 2] wijst de raad er op dat de camperstandplaatsen op meer dan 50 m van het perceel van [appellant sub 2] zijn voorzien. De raad heeft verder een inrichtingsplan opgenomen in bijlage 2 bij de planregels om een goede landschappelijke inpassing te waarborgen. Uit artikel 3.4.2, aanhef en onder e, van de planregels volgt dat het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de camperstandplaatsen en bijbehorende voorzieningen niet is toegestaan, indien de landschappelijke inpassing, zoals weergegeven in het inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 2, niet is gerealiseerd binnen 1 jaar nadat het bestemmingsplan is vastgesteld en daarna in stand wordt gehouden ter plaatse van de aanduiding "groen".

Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] wijst de raad er op dat van een vrij uitzicht vanuit zijn woning al geen sprake meer was. Achter de woning van [appellant sub 1] bevindt zich immers de caravanstalling die al op grond van de tijdelijke omgevingsvergunning was toegestaan. Op grond van de tijdelijke omgevingsvergunning waren vijf camperstandplaatsen bovendien ook al toegestaan.

13.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich met de hiervoor in 13.1 gegeven motivering op het standpunt kunnen stellen dat de verandering van het uitzicht van [appellant sub 2] niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van haar woon- en leefklimaat. De Afdeling acht van belang dat, zoals de raad ook terecht heeft opgemerkt, de afstand tussen de plek waar de camperstandplaatsen zijn voorzien en het perceel van [appellant sub 2] meer dan 50 m is. Daarnaast is de landschappelijke inpassing door de voorwaardelijke verplichting uit artikel 3.4.2, aanhef en onder e, van de planregels geborgd. Wat [appellant sub 2] voor het overige heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

13.3. De Afdeling overweegt verder dat [appellant sub 1] vanuit zijn woning wegens de bestaande bebouwing, begroeiing en het attractiepark al een beperkt vrij uitzicht had. De raad heeft op de zitting toegelicht dat in het inrichtingsplan achter de woning van [appellant sub 1] op zijn eigen verzoek geen bomen en struiken zijn voorzien. De landschappelijke inpassing van het plan leidt dus niet tot een beperking van het uitzicht van [appellant sub 1]. [appellant sub 1] heeft zijn stelling dat de aanplant van nieuwe bomen en struiken in strijd is met gemeentelijk en provinciaal beleid verder niet onderbouwd. De raad heeft zich daarom redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het plan het uitzicht van [appellant sub 1] niet onaanvaardbaar aantast.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

13.4. De raad heeft op de zitting aan de Afdeling gevraagd om zelf voorziend artikel 3.1, onder f, en artikel 3.4.2, onder e, van de planregels aan te passen. Uit artikel 3.1, aanhef en onder f, van de planregels volgt nu dat de voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor landschappelijke inpassing, ter plaatse van de aanduiding "groen". Artikel 3.4.2, aanhef en onder e, van de planregels is hiervoor weergegeven in overweging 13.1. De raad heeft toegelicht dat het de bedoeling is dat het inrichtingsplan in zijn geheel wordt gerealiseerd en niet alleen ter plaatse van de aanduiding "groen". De aanduiding "groen" is per abuis alleen aan de westelijke kant van het perceel voorzien. Dit leidt er dus toe dat het ruimtelijke inrichtingsplan alleen daar dient te worden gerealiseerd en niet op het gehele perceel, zoals de bedoeling is. De raad heeft daarom op de zitting een tekstvoorstel gedaan om de desbetreffende planregels aan te passen. De andere op de zitting aanwezige partij had daar geen opmerkingen over. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het tekstvoorstel dat de raad tijdens de zitting heeft gedaan, is niet weersproken. De Afdeling ziet ook geen aanleiding om dat voorstel aan te passen. Zij zal daarom hierna bepalen dat het tekstvoorstel in de plaats treedt van artikel 3.1, onder f, en artikel 3.4.2, aanhef en onder e, van de planregels zoals die regels bij het besluit van 23 mei 2023 is vastgesteld.

Het betoog slaagt in zoverre.

Privacy

14. [appellant sub 1] betoogt dat de realisering van het plan leidt tot een aantasting van zijn privacy. Hij voert aan dat de camperstandplaatsen te dicht bij de erfgrens komen. Volgens hem heeft de raad hiermee onvoldoende rekening gehouden.

14.1. De Afdeling overweegt dat de camperstandplaatsen alleen zijn toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van recreatie - camperstandplaatsen" en dat deze functieaanduiding op meer dan 30 m van het perceel van [appellant sub 1] is gelegen. Tussen de camperstandplaatsen en de perceelgrens van [appellant sub 1] bevindt zich bovendien nog de caravanstalling. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling daarom op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een onaanvaardbare schending van de privacy van [appellant sub 1].

Het betoog slaagt niet.

Oppervlakte bebouwing

15. [appellanten sub 3] betogen dat het plan te ruime mogelijkheden bevat voor het aanbrengen van extra gebouwen. Zij voeren aan dat het plan het mogelijk maakt om een sanitairgebouw van 50 m2 aan te leggen. Dat staat volgens hen niet in verhouding tot het aantal van 15 camperstandplaatsen.

15.1. De raad heeft er naar het oordeel van de Afdeling terecht op gewezen dat het plan geen extra bebouwing mogelijk maakt. De sanitaire voorziening wordt gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing. Dit is ook opgenomen in artikel 3.1, aanhef en onder d, onder 4, van de planregels. Het betoog slaagt alleen al daarom niet.

Onduidelijkheid regeling parkeer- en stallinggelegenheid

16. [appellanten sub 3] betogen dat met de vaststelling van het plan onduidelijk is wat met de regeling voor de parkeer- en stallinggelegenheid voor caravans van 1 mei tot 1 oktober gebeurd. Deze is opgenomen in het huidige plan.

16.1. De Afdeling stelt vast dat in het bestemmingsplan "Buitengebied 2016" en de beheersverordening geen regeling voor parkeer- en stallinggelegenheid voor caravans van 1 mei tot 1 oktober is opgenomen. Het betoog slaagt alleen al daarom niet.

Watertoets

17. [appellanten sub 3] betogen dat de voor het plan uitgevoerde watertoets ongeldig is en dat het plan ten onrechte niet voorziet in passende maatregelen voor het versneld afvoeren van hemelwater. Zij voeren aan dat sprake is van een toename van oppervlakteverharding met 1.100 m2, terwijl de raad bij de vaststelling van het plan is uitgegaan van 750 m2.

17.1. In paragraaf 4.8 van de plantoelichting is toegelicht dat het verhard oppervlak met de realisatie van het plan toeneemt met ongeveer 750 m2. [appellanten sub 3] hebben niet toegelicht waarom de raad daar niet vanuit kon gaan.

Het betoog slaagt alleen al daarom niet.

Stikstof

18. [appellanten sub 3] betogen dat de raad de stikstofdepositie op het zuidelijk gelegen Natura 2000-gebied onvoldoende in kaart heeft gebracht. Als gevolg hiervan kan volgens hen niet worden uitgesloten dat het plan geen schade toebrengt aan het beschermde natuurgebied.

18.1. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of het relativiteitsvereiste aan [appellanten sub 3] moet worden tegengeworpen.

18.2. De bepalingen in de Wet natuurbescherming (Wnb) over de beoordeling van projecten die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden.

Uit de overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun woon- of leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Bij de beantwoording van de vraag of zo’n verwevenheid kan worden aangenomen, moet onder meer rekening worden gehouden met de afstand tussen de woning van betrokkene en het natuurgebied. Als het Natura 2000-gebied deel uitmaakt van de woon- en leefomgeving van betrokkene, dan is in beginsel sprake van verwevenheid als hiervoor bedoeld.

18.3. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het belang van [appellanten sub 3] bij behoud van een goede kwaliteit van hun woon- en leefomgeving verweven is met het algemeen belang uit de Wnb. Daarvoor is van belang dat hun woonpercelen op ongeveer 450 m afstand liggen van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelig Natura 2000-gebied "Drents-Friese Wold & Leggelderveld". Daartussen liggen onder andere woningen, een sportveld en agrarisch bebouwing. Verder is vanaf de woonpercelen van [appellanten sub 3] ook geen rechtstreeks zicht op het Natura-2000 gebied. De Afdeling is daarom van oordeel dat er geen duidelijke verwevenheid bestaat tussen de individuele belangen van [appellanten sub 3] bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Gelet hierop staat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan vernietiging van het besluit vanwege strijd met de Wnb in de weg. De Afdeling bespreekt de beroepsgrond hierover daarom niet inhoudelijk.

Economische uitvoerbaarheid

19. [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] betogen dat de raad niet heeft onderkend dat het plan economisch niet uitvoerbaar is. Zij voeren aan dat het plan niet voorziet in een behoefte. Volgens [appellant sub 1] is de behoefte aan recreatieplaatsen juist afgenomen. Ook biedt het plan volgens hem geen meerwaarde ten opzichte van de al bestaande camperstandplaatsen in de omgeving.

Volgens [appellanten sub 3] blijkt uit navraag bij ondernemers met camperstandplaatsen en campings in de omgeving van Appelscha dat zij geen groei verwachten, mede door het grote aanbod in de omgeving. Volgens [appellanten sub 3] is het aanbod van camperstandplaatsen in de omgeving van Appelscha dus zo gegroeid dat met de realisering van het plan een overaanbod zal ontstaan.

[appellanten sub 3] voeren tot slot aan dat het huidige aantal overnachtingen op het perceel bovendien al beperkt is. Dat laat volgens hen zien dat de vraag overschat is door de initiatiefnemer.

19.1. Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is.

19.2. In paragraaf 2.3.1 van de plantoelichting staat onder meer dat voor toeristische en zakelijke overnachtingen behoefte is aan accommodaties in het luxe segment. Dat luxere segment kan binnen het plangebied terecht. De raad heeft in het verweerschrift verder toegelicht het terrein uniek is in de omgeving, omdat er goede voorzieningen aanwezig zijn en er de mogelijkheid is om onderdelen voor je caravan of camper te kopen dan wel deze te laten repareren. Dat ergens anders sprake is van terugloop staat dus ook niet in de weg aan de economische uitvoerbaarheid van dit plan.

19.3. In wat [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand had moeten inzien dat het plan financieel niet uitvoerbaar is. Daarom heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat er geen redenen zijn waarom het plan op voorhand niet uitvoerbaar is.

Het betoog slaagt niet.

Planschade

20. Wat betreft de door [appellanten sub 3] gevraagde vergoeding voor planschade wijst de Afdeling erop dat een verzoek voor tegemoetkoming in planschade een aparte procedure is, zodat deze op zichzelf niet aan de orde komt in de bestemmingsplanprocedure.

Conclusie

21. In wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling gelet op wat zij onder 13.4 heeft overwogen, aanleiding voor het oordeel dat het besluit, voor zover het artikel 3.1, onder f, en artikel 3.4.2, onder e, van de planregels betreft, is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre moet worden vernietigd. Het beroep van [appellanten sub 3] is ongegrond.

22. Omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, namelijk door de planregels aan te passen op de wijze zoals door de raad is voorgesteld, en door te bepalen dat deze uitspraak wat deze planregels betreft in plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dit is vernietigd.

23. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.

24. De raad moet de proceskosten van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 3] tegen het tegen het besluit van de raad van de gemeente Ooststellingwerf van 23 mei 2023, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bruggelaan 62, Appelscha", ongegrond;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van de raad van de gemeente Ooststellingwerf van 23 mei 2023, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bruggelaan 62, Appelscha", gegrond;

III. vernietigt het besluit van 23 mei 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bruggelaan 62, Appelscha", voor zover het de volgende planregels betreft:

- artikel 3.1, onder f;

- artikel 3.4.2, onder e;

IV. bepaalt dat de onder III genoemde planregels als volgt komen te luiden:

- artikel 3.1, onder f: "landschappelijke inpassing;";

- artikel 3.4.2, onder e: "het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van de camperstandplaatsen en bijbehorende voorzieningen, indien de landschappelijke inpassing, zoals weergegeven in het ruimtelijk inrichtingsplan zoals opgenomen in Bijlage 2 Inrichtingsplan, niet is gerealiseerd binnen 1 jaar nadat het bestemmingsplan is vastgesteld en daarna in stand wordt gehouden.";

V. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft onderdeel IV in de plaats treedt van het besluit van de gemeente Ooststellingwerf van 23 mei 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Bruggelaan 62, Appelscha", voor zover dit onder III is vernietigd;

VI. draagt de raad van de gemeente Ooststellingwerf op binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen IV en IV worden verwerkt op de landelijke voorziening;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Ooststellingwerf tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van in beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Ooststellingwerf tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van in beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de raad van de gemeente Ooststellingwerf aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht van € 184,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt;

X. gelast dat de raad van de gemeente Ooststellingwerf aan [appellant sub 2] het door hem betaalde griffierecht van € 184,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.

w.g. Borman

voorzitter

w.g. Van der Heijden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026

884-1139

BIJLAGE

Bestemmingsplan Bruggelaan 62, Appelscha

Artikel 3.1

De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. camperstandplaats, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - camperstandplaatsen';

b. caravanstalling, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - caravanstalling';

c. opslag van caravans en campers, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - opslag';

d. beheer en dienstverlening in bestaande bebouwing, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

1. aan de bestemming ondergeschikte en ondersteunende horeca-activiteiten;

2. aan de bestemming ondergeschikte en ondersteunende dienstverlenende activiteiten;

3. aan de bestemming ondergeschikte en ondersteunende detailhandelsactiviteiten;

4. sanitaire voorzieningen;

5. een kampeerwinkel van maximaal 150 m2;

6. een inpandige werkplaats van maximaal 150 m2, uitsluitend voor onderhoud en reparatie van caravans en campers, waarbij maximaal 2 caravans of campers tegelijkertijd voor onderhoud en reparatie aanwezig mogen zijn, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - werkplaats';

7. een recreatieve ruimte ten behoeve van de camperstandplaats en rustpunt van een fiets- en wandelroute;

e. het wonen ten behoeve van het bedrijf;

f. landschappelijke inpassing, ter plaatse van de aanduiding 'groen';

met de daarbij behorende:

g. verkeers- en verblijfsvoorzieningen;

h. parkeervoorzieningen;

i. nutsvoorzieningen;

j. voorzieningen ten behoeve van het waterbeheer;

k. groenvoorzieningen;

l. water;

m. tuinen, erven en terreinen;

met dien verstande dat:

n. het aantal camperstandplaatsen niet meer bedraagt dan 15.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.J. Borman
  • mr. C.C.W. Lange
  • mr. J.A.W. Huijben

Griffier

  • mr. E.W.L. van der Heijden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand