202505036/1/R1.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in Uithoorn,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 juli 2025 in zaak nrs. 24/3887 en 25/3273 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Uithoorn.
Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2023 heeft het college aan [appellante] een bouwstop en een last onder dwangsom opgelegd vanwege bouwwerkzaamheden zonder een daarvoor benodigde omgevingsvergunning op het perceel [locatie] in Uithoorn.
Bij besluit van 25 januari 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 23 april 2024 heeft het college de volgens hem verbeurde dwangsom ter hoogte van € 45.000,00 ingevorderd.
Bij besluit van 29 augustus 2024 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 25 juli 2025 heeft de rechtbank de door [appellante] tegen de besluiten op bezwaar ingestelde beroepen gecombineerd behandeld onder nrs. 24/3887 en 25/3273 en deze beroepen beide niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 30 juli 2026, waar [appellante], vertegenwoordigd door [eigenaar], bijgestaan door mr. V.J. Leijh en mr. T.W.S. Mol, advocaten in Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door H.A. Schot, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellante] is eigenaar geweest van het perceel [locatie] in Uithoorn. Op dat perceel was vroeger een hotel gevestigd. Eind 2023 is [appellante] zonder omgevingsvergunning begonnen met het realiseren van een aanbouw aan het hoofdgebouw op het perceel. Volgens het college was dit niet toegestaan, omdat daarmee de maximale oppervlakte aan vergunningsvrije bijbehorende bouwwerken op het perceel werd overschreden. Het college heeft daarom een bouwstop en een last onder dwangsom opgelegd. Het college heeft geconstateerd dat [appellante] vervolgens verder is gegaan met de bouwwerkzaamheden en heeft daarom een besluit tot invordering van de dwangsom genomen. [appellante] heeft het perceel inmiddels verkocht en is niet langer eigenaar van het perceel.
De rechtbank heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard, omdat deze naar haar oordeel niet tijdig zijn ingediend. De rechtbank heeft de zaken samen in één uitspraak behandeld onder zaaknrs. 24/3887 en 25/3273. [appellante] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank, omdat zij meent dat zij in beide zaken tijdig beroep heeft ingesteld en dat voor zover zij de beroepstermijn al heeft overschreden, dit verschoonbaar is.
Het hoger beroep over zaak nummer 24/3887 (de bouwstop met last onder dwangsom)
2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep niet tijdig is ingediend. Hiertoe voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte alleen het schrijven van 31 oktober 2024 heeft aangemerkt als beroepschrift en niet het e-mailbericht van 2 februari 2024 dat zij naar aanleiding van het besluit op bezwaar aan de gemeente heeft gestuurd.
Ook heeft de rechtbank volgens [appellante] niet onderkend dat sprake is van een schending van een geschreven of ongeschreven rechtsbeginsel. Het e-mailbericht van 2 februari 2024 is volgens [appellante] namelijk ten onrechte aangemerkt als klacht.
2.1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken.
2.2. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het schrijven van 2 februari 2024 niet kan worden aangemerkt als beroepschrift en dat het beroepschrift van 31 oktober 2024 te laat is ingediend. De bedoeling van het e-mailbericht van 2 februari 2024 was onduidelijk en daarom heeft een ambtenaar van de gemeente contact gezocht met [appellante] om de bedoeling van het e-mailbericht vast te stellen. Volgens het college heeft [appellante] telefonisch te kennen gegeven dat het schrijven als klacht is bedoeld. De klacht is op 21 februari 2024 schriftelijk door het college afgewezen. In deze brief is uitgelegd waarom de klacht is afgewezen en is toegelicht dat het mogelijk is om beroep in te stellen bij de rechtbank Amsterdam, als [appellante] zich niet kan vinden in het besluit op bezwaar. Deze brief is vóór het einde van de beroepstermijn (7 maart 2024) verstuurd. Onder die omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college het e-mailbericht van 2 februari 2024 niet heeft hoeven kwalificeren als beroepschrift. Het college was dan ook niet gehouden dit door te sturen naar de bevoegde rechtbank. Aangezien [appellante] hier binnen de beroepstermijn op is gewezen, had hij de mogelijkheid om alsnog tijdig beroep in te stellen. [appellante] heeft dit niet gedaan. Pas een aantal maanden later, op 31 oktober 2024, heeft de gemachtigde van [appellante] namens haar beroep aangetekend. Dit beroepschrift is buiten de beroepstermijn en daarom niet op tijd ingediend.
Verder stelt de Afdeling vast dat [appellante] niet heeft onderbouwd welk rechtsbeginsel er zou zijn geschonden. De Afdeling ziet in wat [appellante] hierover aanvoert, dan ook geen reden om aan te nemen dat er een geschreven of ongeschreven rechtsbeginsel is geschonden. Mede in verband daarmee bestaat ook geen grond voor het oordeel dat het overschrijden van de beroepstermijn verschoonbaar is.
Het betoog slaagt niet.
Het hoger beroep over zaak nummer 25/3273 (de invordering van de last onder dwangsom)
- Is het besluit op bezwaar van 29 augustus 2024 op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend gemaakt?
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep niet tijdig is ingediend. Hiertoe voert zij aan dat het besluit op bezwaar pas op 7 oktober 2024 op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, zodat het beroepschrift van 31 oktober 2024 tijdig is ingediend. Op de zitting heeft [appellante] toegelicht dat het besluit van 29 augustus 2024 volgens haar niet op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt door verzending op diezelfde datum, omdat zij het besluit de dagen daarna niet heeft ontvangen en een rechtsmiddelenclausule ontbrak. Hierdoor kan volgens [appellante] niet van de besluitdatum worden uitgegaan bij het berekenen van de beroepstermijn.
3.1. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, door toezending of uitreiking aan hen.
Op grond van artikel 3:45, eerste lid, van de Awb wordt er bij de bekendmaking en bij de mededeling van het besluit melding van gemaakt als tegen het besluit bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld.
Op grond van artikel 3:45, tweede lid, van de Awb, wordt hierbij vermeld door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan bezwaar kan worden gemaakt of beroep kan worden ingesteld.
3.2. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat het besluit op 29 augustus 2024 op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en dat het beroepschrift van 31 oktober 2024 niet tijdig is ingediend. Het besluit van 29 augustus 2024 is per aangetekende post en gewone post aan [appellante] verstuurd. Op 30 augustus 2026 is getekend voor ontvangst van de aangetekend verzonden versie. De stelling van, [appellante] dat zij het besluit toen niet heeft ontvangen, is niet onderbouwd. Voor zover zij op de zitting heeft opgemerkt dat aangetekende brieven vaak door de postbesteller zelf worden ondertekend en dat dit in het dit geval mogelijk ook is gebeurd, heeft zij geen stukken naar voren gebracht die dat laatste ondersteunen.
Verder is de Afdeling van oordeel dat, zoals zij eerder heeft overwogen in de uitspraak van 13 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW8137, onder 2.6.1, dat het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule niet maakt dat geen sprake is van een rechtsgeldig besluit. In het verlengde daarvan maakt het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule ook niet dat het besluit niet op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en dat hierdoor de wettelijke beroepstermijn niet is gaan lopen.
Het betoog slaagt niet.
- Is er sprake van verschoonbare termijnoverschrijding?
4. Voor zover tot het oordeel wordt gekomen dat er van de besluitdatum 29 augustus 2024 moet worden uitgegaan, betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Ook in dat verband wijst [appellante] erop dat een rechtsmiddelenclausule ontbrak. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, had [appellante] naar haar zeggen geen kennis over het instellen van rechtsmiddelen.
Dat [appellante] ervan uitging dat er nog geen rechtsgeldig appellabel besluit was, volgt volgens [appellante] uit het e-mailbericht van 6 oktober 2024, waarin zij het college heeft verzocht om een afschrift van het definitieve besluit.
4.1. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar, als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarvoor is vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend.
Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan.
4.2. De rechtbank heeft onder verwijzing naar uitspraken van de Afdeling overwogen dat het ontbreken van een rechtsmiddelverwijzing bij een besluit of uitspraak in beginsel leidt tot verschoonbaarheid van de termijn, mits de belanghebbende daarop een beroep doet, stellende dat de termijnoverschrijding daarvan het gevolg is. Dit beginsel lijdt uitzondering, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende tijdig wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken dan wel beroep of hoger beroep moest instellen. Van bekendheid met de termijn kan in ieder geval worden uitgegaan, indien de belanghebbende vóór afloop van de termijn al werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Bij een professionele rechtsbijstandverlener mag namelijk kennis over het in te stellen rechtsmiddel en de daarvoor geldende termijn worden verondersteld en diens kennis kan in dit verband aan de belanghebbende worden toegerekend. Ook bij ideële en andere organisaties die regelmatig plegen te procederen, mag die kennis worden verondersteld alsook bij burgers die regelmatig procederen. Voor het aannemen van verschoonbaarheid kan evenwel, ook indien de belanghebbende bijstand heeft van een professionele rechtsbijstandverlener, aanleiding bestaan als gerede twijfel mogelijk is over het besluitkarakter van het door het bestuursorgaan aan die belanghebbende toegezonden stuk.
4.3. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Ten eerste is niet aannemelijk geworden dat [appellante] door het ontbreken van de rechtsmiddelenclausule op het verkeerde been is gezet. Op de zitting van de Afdeling is namelijk door mr. Leijh verklaard dat hij vanaf september 2024 bij de procedure betrokken is. Hierdoor kan worden aangenomen dat [appellante] vóór het verstrijken van de beroepstermijn voor het besluit op bezwaar van 29 augustus 2024 al werd bijgestaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Verder kon er, mede gelet op wat hiervoor is overwogen onder 3.2, geen gerede twijfel over bestaan dat de brief van 29 augustus 2024 een besluit vormt. Daarbij is ook van belang dat de brief namens het college is ondertekend door de Algemeen Directeur van de uitvoeringsorganisatie DUO+. Voor de bevoegdheid tot ondertekening is verwezen naar het Mandaatbesluit, beslissing op bezwaar gemeente Uithoorn 2022.
Daarnaast neemt de Afdeling in aanmerking dat volgens de uitspraak van de rechtbank [appellante] naar aanleiding van haar brief van 21 mei 2024 in een telefoongesprek met een medewerker van de rechtbank Amsterdam heeft verklaard het besluit op bezwaar af te wachten waarna zij eventueel beroep zou instellen. Wat in hoger beroep wordt aangevoerd, geeft geen grond om aan de juistheid van die overweging van de rechtbank te twijfelen. Hieruit volgt dat [appellante] op de hoogte was van de beroepsmogelijkheid bij het ontvangen van een besluit op zijn bezwaar.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het voorgaande leidt de Afdeling tot de slotsom dat de rechtbank de beroepen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Gelet hierop heeft de rechtbank het beroepschrift terecht niet inhoudelijk beoordeeld.
6. Het beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
195-1185