ECLI:NL:RVS:2026:5913

ECLI:NL:RVS:2026:5913

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 202407867/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij besluit van 30 juli 2024 heeft de raad van de gemeente Rijswijk hogere geluidgrenswaarden vastgesteld voor het bestemmingsplan "De Havenmeester". Het bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van een gedeelte van het Havenkwartier in Rijswijk, waar voorheen een gemengd bedrijventerrein aanwezig was, naar een gemengd gebied met een mix van werken en wonen. Het plan maakt een gebouw met maximaal 199 woningen mogelijk op het perceel Burgemeester Elsenlaan 325. Daarnaast voorziet het plan in 350 m2 niet-woonfuncties in de plint van het gebouw, waaronder bedrijven, dienstverlening en horeca. Het parkeren is voorzien in de nabijgelegen bestaande parkeergarage op het perceel Steenplaetsstraat 6. Het voormalige kantoorgebouw zal worden gesloopt. ZER en Atsa Infra zijn het niet eens met het bestemmingsplan. Zij zijn eigenaar en gebruiker van verschillende bedrijfspanden op korte afstand van het plangebied aan de Koopmansstraat en de Steenplaetsstraat en vrezen nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering.

Uitspraak

202407867/1/R3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

ZER Holding B.V. en Atsa Infra Tel B.V., beide gevestigd in Rijswijk,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Rijswijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juli 2024 heeft het college hogere geluidgrenswaarden vastgesteld voor het bestemmingsplan "De Havenmeester".

Bij besluit van 17 december 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "De Havenmeester" vastgesteld.

Tegen deze besluiten hebben ZER en Atsa Infra beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. De raad heeft zijn zienswijze daarop gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 juli 2026, waar ZER en Atsa Infra, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. B.J.P.M. Zwinkels, advocaat in Honselersdijk, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.T.J. Olierook en mr. E.A.G. Kortstam, advocaten in Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

Intrekking beroep besluit hogere waarden

1. ZER en Atsa Infra hebben op de zitting hun beroep tegen het besluit van 30 juli 2024, waarbij hogere geluidgrenswaarden zijn vastgesteld, ingetrokken.

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 15 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Relevante wet- en regelgeving

3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in deze uitspraak, dan wel in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

4. Het bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van een gedeelte van het Havenkwartier in Rijswijk, waar voorheen een gemengd bedrijventerrein aanwezig was, naar een gemengd gebied met een mix van werken en wonen. Het plan maakt een gebouw met maximaal 199 woningen mogelijk op het perceel Burgemeester Elsenlaan 325. Daarnaast voorziet het plan in 350 m2 niet-woonfuncties in de plint van het gebouw, waaronder bedrijven, dienstverlening en horeca. Het parkeren is voorzien in de nabijgelegen bestaande parkeergarage op het perceel Steenplaetsstraat 6. Het voormalige kantoorgebouw zal worden gesloopt.

5. ZER en Atsa Infra zijn het niet eens met het bestemmingsplan. Zij zijn eigenaar en gebruiker van verschillende bedrijfspanden op korte afstand van het plangebied aan de Koopmansstraat en de Steenplaetsstraat en vrezen nadelige gevolgen voor de bedrijfsvoering.

Toetsingskader

6. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Ontwikkelkader Havenkwartier

7. ZER en Atsa Infra betogen dat het plan in strijd met het Ontwikkelkader Havenkwartier te veel woningen mogelijk maakt in fase 1b van de ontwikkeling van het Havenkwartier, waardoor een beperkt aantal woningbouwmogelijkheden resteert in fase 2, waar de gronden van ZER deel van uitmaken. Ook is de woningdichtheid te hoog. Uit het schema op pagina 4 van het Ontwikkelkader volgt namelijk dat wordt uitgegaan van 95 tot 120 woningen per ha, terwijl het bestreden plan voorziet in 199 woningen op 0,3 ha. Volgens hen is dit geen redelijke, evenwichtige verdeling van woningen over het Havenkwartier, waardoor geen sprake meer kan zijn van een goede ruimtelijke ordening. In dit verband voeren ZER en Atsa Infra aan dat zij bezwaren hebben tegen de koppeling van de bestaande parkeergarage op het perceel Steenplaetsstraat 6 met het in het bestemmingsplan voorziene gebouw. Met deze koppeling zijn de locatie en het gebruik als parkeergarage vastgelegd voor de toekomst, terwijl daarmee de mogelijkheden voor ZER om woningen te bouwen op haar percelen worden belemmerd. ZER en Atsa Infra vrezen dat de bouwhoogte van de parkeergarage en de verkeersstromen van en naar de parkeergarage zullen leiden tot nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van de door ZER beoogde woningen.

7.1. Het Havenkwartier in Rijswijk wordt de komende jaren herontwikkeld tot een gemengd werk- en woongebied, waarbij bestaande bedrijvigheid behouden blijft of wordt vernieuwd. Deze ontwikkeling vindt plaats in verschillende fasen. Het op 2 maart 2021 door de raad vastgestelde Ontwikkelkader Havenkwartier bevat het ruimtelijk kader waarin de stedenbouwkundige uitgangspunten van die herontwikkeling zijn benoemd. Het kader geeft richtlijnen voor concrete planvorming, zoals bestemmingsplannen.

7.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad toereikend gemotiveerd dat het in het plan voorziene aantal van 199 woningen past binnen het beleid dat is opgenomen in het Ontwikkelkader. De raad heeft toegelicht dat de fasering en de verdeling van de aantallen woningen over het gehele Havenkwartier zijn gebaseerd op beleidsmatige keuzes. Voor de fases 0-1, waar het plangebied deel van uitmaakt, heeft de raad gekozen voor een hoger percentage woningen met ook een hogere woningdichtheid en een lager percentage bedrijfsmatig vastgoed dan in fase 2. In het gebied, waar de fases 0-1 over gaan, is grotendeels sprake van een transformatie van leegstaand kantoorvastgoed. Daarbij is bewust gekozen voor hoogbouw aan de randen van het Havenkwartier. In fase 2 wordt gekozen voor een hoger percentage bedrijfsmatige functies dan in de andere fasen, omdat dit beter aansluit bij de huidige situatie in het gebied waar fase 2 over gaat. Daarbij heeft de raad toegelicht dat het gebied in fase 1 relatief snel kan worden getransformeerd, terwijl het gebied in fase 2 naar verwachting pas op de langere termijn kan transformeren. Volgens de raad passen de gemaakte keuzes binnen het beleid in het Ontwikkelkader, want, zoals de raad terecht stelt, vereist het Ontwikkelkader geen specifieke of gelijkmatige verdeling van woningen over de totale oppervlakte van het Havenkwartier. De Afdeling overweegt dat op pagina 4 van het Ontwikkelkader weliswaar de realisatie van in totaal 2.000 tot 2.500 woningen wordt genoemd, maar deze woningen zijn in het Ontwikkelkader niet concreet verdeeld over de verschillende fases. Verder gaat het Ontwikkelkader uit van het vervallen van ongeveer 40.000 m² kantoorruimte en de transformatie van ongeveer 10.000 m² bedrijfsruimte en 20.000 m² kantoorruimte naar voorzieningen, maar deze verdelingen zijn richtwaarden. De Afdeling begrijpt dat de keuze van de raad om in het - tot de fasen 0-1 behorende - plangebied te voorzien in een naar verhouding hogere woningdichtheid en in minder bedrijfsmatig vastgoed dan in fase 2, niet overeenkomt met de wens van ZER, maar de Afdeling acht deze keuze op zichzelf, ook gelet op de beleidsruimte die de raad daarbij toekomt, niet onredelijk. Daarbij overweegt de Afdeling dat ZER en Atsa Infra geen redenen hebben gegeven waarom de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het gekozen aantal woningen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft toegelicht dat hij onderzoek heeft gedaan naar de relevante ruimtelijke aspecten en dat het plan, naast de 199 woningen, voorziet in voldoende ruimte voor niet-woonfuncties en openbare (groen)voorzieningen. ZER en Atsa Infra hebben dit standpunt van de raad niet gemotiveerd bestreden.

7.3. Voor zover het betoog van ZER en Atsa Infra is gericht tegen de aan de gronden van het perceel Steenplaetsstraat 6 toegekende bestemming "Verkeer", met de aanduidingen "parkeergarage" en "bouwvlak", overweegt de Afdeling het volgende.

7.4. De Afdeling stelt vast dat aan de gronden van het perceel Steenplaetsstraat 6 in het voorheen geldende plan "Plaspoelpolder" uit 2013 de bestemming "Bedrijventerrein" was toegekend. Ingevolge artikel 4.1 van de regels van dat plan waren de gronden bestemd voor verschillende bedrijfsactiviteiten, met, onder meer, daaraan ondergeschikte parkeervoorzieningen.

Op het perceel bevindt zich in de huidige situatie een bestaande parkeergarage met drie bouwlagen.

7.5. De Afdeling stelt vast dat op de verbeelding van het bestreden plan een relatielijn is getrokken tussen het plandeel met de bestemming "Gemengd" en het plandeel met de bestemming "Verkeer".

Ingevolge artikel 3.6.1, aanhef en onder c, van de planregels dient de parkeerbehoefte van het plan te worden opgelost op eigen terrein, danwel op het perceel van de met het figuur "relatielijn" aangewezen bestemming "Verkeer".

Ingevolge artikel 4.1, in samenhang gelezen met artikel 4.2.1 van de regels van het bestreden plan zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor, onder meer, een gebouwde parkeervoorziening met een bouwhoogte van 6,5 m. ter plaatse van de aanduidingen "parkeergarage" en "bouwvlak".

7.6. Het enkele feit dat een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling al mogelijk was op grond van een vorig plan, laat onverlet dat de raad bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan moet beoordelen of de ontwikkeling zich verdraagt met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling stelt vast dat de raad dit ook heeft gedaan. In paragraaf 4.2.2 van de plantoelichting heeft de raad toegelicht dat de parkeergarage nodig is om de parkeerbehoefte van het bestreden plan en van de bestaande bedrijfsbestemming van het perceel Steenplaetsstraat 6 op te vangen. Uit artikel 4.4 van de planregels volgt dat de gronden binnen de bestemming "Verkeer" pas in gebruik mogen worden genomen als wordt voldaan aan de eisen uit het beeldkwaliteitsplan en als sprake is van een sociaal veilige inrichting. De Afdeling overweegt dat de door ZER gewenste woningbouw nabij de parkeergarage aan de Steenplaetsstraat niet planologisch mogelijk is gemaakt. In het betoog over de verkeersaantrekkende werking en de bouwhoogte van de parkeergarage ziet de Afdeling onvoldoende concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat de raad op voorhand had moeten inzien dat deze aspecten een belemmering vormen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de omgeving van de parkeergarage. In het belang van ZER om daar in de toekomst woningbouw te realiseren, heeft de raad bij de afweging van de betrokken belangen dan ook geen aanleiding hoeven zien om af te zien van de planologische mogelijkheid om de parkeerbehoefte van het plan op te vangen in de parkeergarage aan de Steenplaetsstraat.

7.7. De betogen slagen niet.

Milieuzonering (geluid)

8. ZER en Atsa Infra betogen dat hun bedrijfsvoering onaanvaardbaar wordt beperkt door het plan. Zij voeren aan dat de aangehouden afstand tussen het plangebied en de percelen Koopmansstraat 5b-5c, van ZER, en Koopmansstraat 5f, waar Atsa Infra is gevestigd, te kort is. Op de percelen zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan en daarvoor geldt in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse gemeenten van 2009 (de VNG-brochure) een aanbevolen richtafstand van 50 m tot gevoelige objecten in gemengd gebied, in verband met geluid. De raad heeft niet toereikend gemotiveerd waarom in dit geval kortere afstanden kunnen worden aangehouden.

ZER en Atsa Infra betogen daarnaast dat de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen is onderschat, omdat in het geluidonderzoek geen rekening is gehouden met eventuele toekomstige wijzigingen of uitbreidingen van bedrijfsactiviteiten op hun percelen. Weliswaar is in 2024 opnieuw akoestisch onderzoek uitgevoerd, maar uit dat onderzoek blijkt niet op welke geluidbronnen de maximale planologische mogelijkheden voor het perceel Koopmansstraat 5b-5c zijn gebaseerd. Ook houdt dit onderzoek ten onrechte geen rekening met geluidbelasting vanaf het open water van de haven.

8.1. Aan de gronden van de percelen Koopmansstraat 5b-5c en 5f is in het bestemmingsplan "Plaspoelpolder" de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend. Ingevolge artikel 4.1 van de regels van dat plan zijn de gronden bestemd voor bedrijfsactiviteiten in de categorieën 1 t/m 3.2, zoals genoemd in de in bijlage 1 bij de regels opgenomen Staat van Bedrijfsactiviteiten.

8.2. Voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de geluidbelasting heeft de raad aansluiting gezocht bij het toetsingskader voor geluid in paragraaf B5.3 van bijlage 5 van de VNG-brochure. Deze toetsingssystematiek bestaat uit vier stappen, waarbij per stap een hogere geluidbelasting aanvaardbaar wordt geacht en telkens hogere eisen worden gesteld aan het benodigde onderzoek en de motivering van het besluit waarmee planologische inpassing mogelijk wordt gemaakt. Als wordt voldaan aan de toepasselijke richtafstand uit de VNG-brochure, is volgens de toetsingssystematiek in beginsel sprake van een aanvaardbare geluidbelasting (stap 1). Als dat niet het geval is, moet de raad volgens die toetsingssystematiek met akoestisch onderzoek aantonen dat de geluidbelasting op de gevel van de woningen voldoet aan de richtwaarden voor geluid als opgenomen in paragraaf B5.3 van bijlage 5 van de VNG-brochure. Voor gemengd gebied geldt voor de maximale geluidbelasting op woningen bij stap 2 als richtwaarde 50 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, 70 dB(A) voor piekgeluid en 50 dB(A) voor het geluid ten gevolge van verkeersaantrekkende werking. Bij stap 3 bedragen deze waarden achtereenvolgens 55 dB(A), 70 dB(A) en 65 dB(A). Bij overschrijding van de richtwaarden in stap 2 is planologische inpassing nog steeds mogelijk. De raad moet dan motiveren waarom hij deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht, waarbij ook de cumulatie met eventueel al aanwezige geluidbelasting moet worden betrokken. Als ook de richtwaarden uit stap 3 worden overschreden is planologische inpassing doorgaans niet mogelijk. Als het bevoegd gezag niettemin tot inpassing wil overgaan, moet het dit grondig onderzoeken, onderbouwen en motiveren (stap 4).

8.3. Niet in geschil is dat er sprake is van een gemengd gebied als bedoeld in de VNG-brochure. Voor bedrijven in categorie 3.2 hoort daar een aanbevolen richtafstand bij van 50 m, voor het aspect geluid. De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen het perceel Koopmansstraat 5f en het plangebied ongeveer 65 m bedraagt, zodat voor dat perceel aan de aanbevolen richtafstand voor het aspect geluid wordt voldaan. De Afdeling gaat daarom in deze uitspraak wat betreft het aspect geluid niet nader in op het perceel Koopmansstraat 5f, maar beperkt zich in zoverre tot het perceel Koopmansstraat 5b-5c van ZER.

De afstand tussen het perceel Koopmansstraat 5b-5c en het plangebied is ongeveer 42,5 m, en dus minder dan de aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure. Daarom heeft de raad akoestisch onderzoek laten verrichten naar de geluidbelasting (stap 2). De bevindingen van het akoestisch onderzoek zijn neergelegd in de rapporten van Peutz "Woningbouw Havenkwartier Rijswijk" van 13 september 2023 en "Geluid op gevels woningbouw Urban Parks en Havenmeester ten gevolge van representatieve maximale planologische invulling van bedrijven op Havenkwartier te Rijswijk" van 15 november 2024. Deze rapporten zijn als bijlage 6 en bijlage 21 bij de plantoelichting gevoegd. In het rapport van Peutz van 2023 is de geluidbelasting van bedrijven op de gevels van de beoogde woningbouw onderzocht, waarbij rekening is gehouden met de werkelijke bedrijfsactiviteiten en voorziene uitbreidingen van de bestaande bedrijven die zich binnen de richtafstanden van het plangebied bevinden. In het rapport van 2024 is rekening gehouden met een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden van die bedrijven. Verder heeft de raad een notitie van Peutz van 12 februari 2026 overlegd. Deze nadere notitie gaat over de geluidbelasting vanwege de huidige bedrijfsactiviteiten op het perceel Koopmansstraat 5b-5c en de geluidbelasting bij een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden van een bedrijf op dat perceel. De raad stelt zich op basis van die akoestische rapporten en de nadere notitie op het standpunt dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, en dat ZER en Atsa Infra niet onaanvaardbaar worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.

8.4. De Afdeling ziet in wat ZER en Atsa Infra hebben aangevoerd geen reden om dit standpunt van de raad niet te volgen. De Afdeling overweegt het volgende.

8.5. In de rapporten van Peutz is ervan uitgegaan dat het bedrijf Fusion is gevestigd op het perceel Koopmansstraat 5c. Dit bedrijf heeft de akoestische bedrijfssituatie niet opgegeven, maar op basis van een locatiebezoek heeft Peutz de huidige geluidbelasting niet relevant geacht omdat Fusion een architectenbureau is. Omdat planologisch niet is uitgesloten dat zich op het perceel Koopmansstraat 5c in de toekomst een ander bedrijf vestigt, gaat de Afdeling hierna wel nader in op de geluidbelasting van dit perceel. De Afdeling bespreekt dit gelijktijdig met de verwachte geluidbelasting van het perceel Koopmansstraat 5b. De Afdeling maakt hierbij onderscheid in het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en piekgeluid.

Wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau staat op pagina 9 van het rapport van 2024 dat Peutz per bedrijf bij alle huidige geluidbronnen de geluidemissie zodanig heeft opgevoerd, dat op de thans hoogst geluidbelaste positie op 50 m afstand van de perceelsgrens de waarde van 50 dB(A) wordt gerealiseerd, overeenkomend met de richtwaarde voor categorie 3.2 bedrijven. Peutz heeft in bijlage 2 bij het rapport de dan optredende geluidbelastingen per bedrijf in de vorm van contouren weergegeven. Ook voor het perceel Koopmansstraat 5b-5c heeft Peutz een zogenoemde oppervlaktebron van totaal 93,2 dB(A) aan de noordoostzijde van het perceel ingevoerd in het akoestisch rekenmodel van de representatieve maximale invulling. De Afdeling stelt vast dat het plangebied is gelegen buiten de in bijlage 2 op pagina 25 van het rapport van Peutz van 2024 weergegeven 50 dB(A) contour van de Koopmansstraat 5b-5c. De conclusie op pagina 12 van het rapport van 2024 is dat de richtwaarde van 50 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de gevel van de nieuwe woningen in het plangebied niet wordt overschreden.

De berekende maximale geluidniveaus (piekgeluid) heeft Peutz weergegeven in tabel 3.1 van het rapport van 2024. Uit deze tabel volgt dat een maximale planologische invulling ter plaatse van het dichterbij gelegen perceel Koopmansstraat 5a, waar autobedrijf Carsell is gevestigd, maximale geluidsniveaus kan veroorzaken van 74, 69 en 64 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Deze theoretische waarden zullen volgens Peutz in werkelijkheid lager zijn, omdat alleen licht verkeer maximale geluidniveaus kan veroorzaken aan de zijde van het plangebied. De reden hiervoor is dat voor de meeste bedrijven aan de Koopmansstraat geldt dat laad- en losactiviteiten bepalend zijn voor de effecten op de omgeving. Die activiteiten vinden overwegend plaats aan de achterzijde van de bedrijven, zodat de geluidemissie vooral is gericht naar de achterzijde (noordoostzijde) van deze bedrijven, en dus niet naar de voorzijde waar het plangebied zich bevindt (zuidwestzijde). Peutz baseert dit op onderzoeken die zijn uitgevoerd bij de maatgevende bedrijven, waaronder het autobedrijf Carsell op het perceel Koopmansstraat 5a. Hoewel op het perceel Koopmansstraat 5b-5c, net als bij Carsell, laad- en losactiviteiten kunnen plaatsvinden via een overheaddeur aan de voorzijde van het op dit perceel aanwezige bedrijfspand, zal de equivalente geluidimmissie daar volgens Peutz lager zijn. Aan de voorzijde worden de maximale geluidniveaus alleen veroorzaakt door licht verkeer, omdat aan die zijde niet genoeg ruimte is voor uitgebreide bedrijfsactiviteiten. Die ruimte is er aan de achterzijde wel. In de nadere notitie van 12 februari 2026 heeft Peutz toegelicht dat de maximale geluidniveaus van laad- en losactiviteiten op het perceel Koopmansstraat 5b-5c bovendien nog ongeveer 3 dB lager zullen zijn dan de berekende waarden voor het autobedrijf Carsell, door de grotere afstand tot het plangebied. Vanwege de representatief maximaal planologische invulling bij Carsell was al sprake van een acceptabele situatie, wat volgens Peutz dan zeker zo zal zijn vanwege het op grotere afstand van het plangebied gelegen perceel Koopmansstraat 5b-5c.

8.6. Peutz concludeert dan ook dat onaanvaardbare geluidhinder bij de nieuwe woningen in het plangebied bij een representatief maximaal planologische invulling van het perceel Koopmansstraat 5b-5c niet te verwachten is. ZER en Atsa Infra hebben geen tegenrapport van een deskundige overgelegd of anderszins aannemelijk gemaakt dat de uitgangspunten, bevindingen en conclusies in de rapporten en notitie van Peutz onjuist zijn.

De stelling dat in het rapport van 2024 ten onrechte geen rekening is gehouden met geluidbelasting van de haven, volgt de Afdeling niet. Daargelaten het antwoord op de vraag of ZER en Atsa Infra hiermee opkomen voor hun eigen belangen, is de omvang van de haven niet zodanig dat moet worden aangenomen dat de daar toegestane activiteiten zullen leiden tot een relevante geluidbelasting op de nieuwe woningen.

In de overige door ZER en Atsa Infra op de zitting geplaatste kanttekeningen bij de rapporten en notitie van Peutz, ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de inhoud van deze stukken.

8.7. Overigens heeft de raad erop gewezen dat zich aan de voorzijde van het perceel Koopmansstraat 5b-5c, op ongeveer 14 m afstand, onherroepelijke woonbestemmingen bevinden. De woningen die hier worden gebouwd zullen volgens de raad maatgevend zijn voor de maximaal toegestane geluidbelasting van de bedrijfsactiviteiten op, onder meer, het perceel Koopmansstraat 5b-5c. ZER en Atsa Infra hebben op de zitting betoogd dat de ontwikkelingsmogelijkheden van bedrijven desalniettemin worden beperkt door het bestreden besluit, maar zij hebben niet met concrete feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt dat het bestreden besluit leidt tot een verdergaande beperking van de geluidruimte van die bedrijven, met onevenredig nadeel voor hun bedrijfsvoering als gevolg.

8.8. Het betoog slaagt niet.

Parkeren

9. ZER en Atsa Infra betogen dat het plan zal leiden tot een hogere parkeerdruk in de omgeving, waardoor zij hinder zullen ondervinden als bewoners of bezoekers van het plangebied op de gronden voor hun bedrijfspanden gaan parkeren. Zij voeren aan dat de raad de totale parkeerbehoefte onjuist heeft vastgesteld, omdat niet duidelijk is waarop de in bijlage 1 bij de regels van het plan opgenomen parkeernormen zijn gebaseerd. De normen van 0,6 parkeerplaats per appartement van meer dan 50 m² en 0,4 parkeerplaats per appartement van minder dan 50 m², zijn in elk geval te laag. Daarnaast zijn de in bijlage 1 van de planregels opgenomen parkeernormen in strijd met artikel 4.1 van de regels van het bestemmingsplan "parapluherziening parkeernormering Rijswijk" uit 2018. Volgens ZER en Atsa Infra bedraagt de totale parkeerbehoefte van het bestreden besluit 261,2 parkeerplaatsen, terwijl de capaciteit van de parkeergarage aan de Steenplaetsstraat 6 met 139 parkeerplaatsen ontoereikend is.

9.1. Ingevolge artikel 3.6.1, aanhef en onder a, van de planregels wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen slechts verleend als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig bijlage 1 bij de planregels.

9.2. Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd pas in het kader van de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van de in het plan voorziene ontwikkelingen aan de orde zal zijn, moet de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan al wel bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarom zal de Afdeling hierna beoordelen of op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien, en dat de raad zich om die reden redelijkerwijs niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:2762).

9.3. De Afdeling ziet geen grond voor de conclusie dat op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien. Daarbij is het volgende van belang.

In paragraaf 4.2.2 van de plantoelichting is toegelicht dat voor het Havenkwartier, waar het plangebied onderdeel van is, specifieke gebiedsparkeernormen zijn vastgesteld. Deze parkeernormen zijn gebaseerd op het waargenomen autobezit in vergelijkbare appartementencomplexen op vergelijkbare locaties en zijn opgenomen in bijlage 1 bij de planregels. Volgens de raad zijn de gekozen normen niet onrealistisch, omdat deze passen binnen de bandbreedtes van de parkeerkencijfers die in de CROW-publicatie 744 worden gehanteerd voor "zeer sterk stedelijk gebied" en "rest bebouwde kom". De STAB concludeert in paragraaf 6.6 van haar verslag dat de raad de parkeernormen voldoende heeft onderbouwd. ZER en Atsa Infra hebben geen zienswijze naar voren gebracht over het STAB-verslag, zodat de Afdeling geen reden ziet om deze conclusie van de STAB niet te volgen.

Het betoog dat de in bijlage 1 bij de planregels opgenomen parkeernormen in strijd zijn met artikel 4.1 van de regels van het bestemmingsplan "parapluherziening parkeernormering Rijswijk" uit 2018, volgt de Afdeling niet. Met de vaststelling van het bestreden plan en de daarin opgenomen parkeernormen voor de gronden van het plangebied, heeft het plan "parapluherziening parkeernormering Rijswijk" daar zijn gelding verloren.

9.4. In het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat de totale parkeervraag bij een maximale invulling van de bestemming "gemengd", in het worst-case scenario, 268 parkeerplaatsen bedraagt. Deze parkeerbehoefte is dus hoger dan waarvan ZER en Atsa Infra uitgaan. Omdat er op het perceel Burgemeester Elsenlaan 325 geen ruimte is om in de parkeerbehoefte te voorzien, heeft de raad aan de gronden van het nabijgelegen perceel Steenplaetsstraat 6 de bestemming "Verkeer" toegekend. De raad stelt zich op het standpunt dat de volledige, worst-case berekende parkeerbehoefte kan worden opgevangen in de bestaande parkeergarage op dat perceel. Volgens de raad ligt deze garage hemelsbreed op minder dan 100 m afstand van het perceel Burgemeester Elsenlaan 325 en bedraagt de loopafstand tot de garage ongeveer 250 m. De raad vindt deze afstanden acceptabel, omdat deze in lijn zijn met de Nota Parkeernormen en de maximale afstanden die worden aangehouden in de CROW-publicatie 744 "Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering", van 19 juni 2024. Op termijn zal een openbare kade langs de zuidoostkant van het havenbekken worden gerealiseerd, waardoor de loopafstand wordt verkort tot ongeveer 90 m. ZER en Atsa Infra hebben niet gemotiveerd onderbouwd waarom dit standpunt van de raad niet kan worden gevolgd. De stelling dat de parkeergarage een capaciteit heeft van 139 parkeerplaatsen, hebben zij niet onderbouwd. Onder verwijzing naar het document "Upgrading Steenplaetsstraat 6", dat als bijlage 3 bij de planregels is gevoegd, stelt de raad dat de bestaande parkeergarage, na aanpassing, een capaciteit heeft van 272 parkeerplaatsen. ZER en Atsa Infra hebben dat standpunt niet gemotiveerd bestreden.

9.5. De Afdeling ziet in het betoog van ZER en Atsa Infra geen aanleiding om aan te nemen dat het parkeren in de omgeving van het plangebied niettemin in zodanige mate zal toenemen, dat dit tot parkeeroverlast zal leiden op de gronden voor hun bedrijfspanden.

De Afdeling acht het niet waarschijnlijk dat toekomstige bewoners van het plangebied alsnog in de openbare ruimte zullen parkeren, zoals ZER en Atsa Infra vrezen. In het deskundigenverslag van de STAB staat dat in de omgeving van het bestemmingsvlak "Gemengd" betaald parkeren geldt in de avonduren, waarin de parkeervraag van woningen het grootst is. Voor niet-woonfuncties is de parkeervraag niet het grootst in de avond en in de nacht, maar overdag. Het maatgevende moment is de werkdagmiddag en de parkeervraag bedraagt dan afgerond 56 parkeerplaatsen.

Omdat in de werkdagmiddag geen betaald parkeren geldt in de omgeving van het plangebied, zou deze parkeervraag volgens de STAB op de omgeving kunnen worden afgewenteld. In een reactie op het STAB-advies heeft de raad toegelicht dat 48 van de 56 parkeerplekken voor niet-woonfuncties de parkeerbehoefte is van de bestaande bedrijfsbestemming van het perceel Steenplaetsstraat 6, meer specifiek van het bedrijfsverzamelgebouw aan de voorzijde van de parkeergarage. De raad acht het niet waarschijnlijk dat de bestaande parkeergarage niet zal worden benut voor deze bestaande parkeerbehoefte. Voor de overige 8 parkeerplaatsen voor de niet-woonfuncties waarin het bestreden plan voorziet, is eveneens ruimte in de parkeergarage. Als zich toch de situatie voordoet dat deze automobilisten uitwijken naar de openbare ruimte, verwacht de raad niet dat dit tot onaanvaardbare parkeerproblemen zal leiden. Onder verwijzing naar een parkeerdrukmeting uit september 2025 stelt de raad dat de parkeerdruk in de omgeving tijdens de werkdagochtend en werkdagmiddag niet zodanig is, dat er geen ruimte zou zijn om deze extra parkeervraag eventueel op te vangen. ZER en Atsa Infra hebben hier niets tegenover gesteld, zodat de Afdeling geen aanknopingspunten ziet om dit standpunt van de raad niet te volgen.

9.6. Het betoog slaagt niet.

Vertrouwensbeginsel

10. ZER en Atsa Infra hebben een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, maar dat betoog slaagt niet. De door de projectleider geschetste randvoorwaarden in een e-mailbericht van 6 oktober 2021, waar zij zich op beroepen, gaan niet over de woningen die het bestreden plan mogelijk maakt, maar over plannen van ZER om woningen te bouwen op haar eigen percelen die zich buiten het plangebied bevinden. De randvoorwaarden zijn geen toezegging of andere uitlating van de raad waaruit ZER in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat de raad met de vaststelling van het bestreden plan zou voorzien in woningen op de percelen van ZER. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de raad met de vaststelling van het bestreden plan niet in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld.

Conclusie en proceskosten

11. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

12. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. M.M. Kaajan, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Kemerink op Schiphorst-Hofman, griffier.

w.g. Ten Veen

voorzitter

w.g. Kemerink op Schiphorst-Hofman

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026

933

BIJLAGE

Artikel 3.1 van de planregels luidt:

"De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding 'wonen': woningen in de vorm van gestapelde woningen, met beroep aan huis;

b. niet-woonfuncties, zijnde:

1. bedrijven geschikt voor functiemenging;

2. dienstverlening;

3. horeca;

4. maatschappelijke voorzieningen;

5. ondergeschikte horeca;

6. ondergeschikte detailhandel;

bij deze bestemming behorende voorzieningen waaronder: (gebouwde) parkeervoorzieningen, ontsluitingen, tuinen, erven, paden, groen, water, hekwerken, straatmeubilair, fietsenstallingen, bergingen, (ondergrondse) afvalinzameling en containervoorzieningen."

Artikel 3.6.1 van de planregels luidt:

"a. een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen, wordt slechts verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de Bijlage 1 Parkeernormen Havenkwartier, tenzij de aard en omvang van de omgevingsvergunning voor het bouwwerk en/of de uitbreiding van bouwwerken en/of gronden niet leidt tot extra parkeerbehoefte;

b. het bepaalde onder a is niet van toepassing indien op basis van het advies van een verkeerskundige blijkt dat er op andere wijze is/wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, of het voldoen aan het geldende gemeentelijke parkeerbeleid door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit;

c. deze parkeerbehoefte dient te worden opgelost op eigen terrein, danwel op het perceel van de met het figuur 'relatielijn' aangewezen bestemming 'Verkeer';

d. parkeergelegenheid die is gerealiseerd om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid dient in stand te worden gehouden."

Artikel 3.10.1 van de planregels luidt:

"a. binnen de bestemming zijn ten hoogste 199 wooneenheden toegestaan;

b. de woningen zijn niet toegestaan op de begane grond."

Artikel 4.1 van de planregels luidt:

"De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage', een gebouwde parkeervoorziening;

b. ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsgebied', een verblijfsgebied;

met daaraan ondergeschikt:

c. bermen en beplanting;

d. geluidwerende voorzieningen;

e. erftoegangswegen en verblijfsgebieden;

f. parkeervoorzieningen;

met de daar bijbehorende:

g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde."

Artikel 4.2.1 van de planregels luidt:

"Ten aanzien van de in lid 4.1 bedoelde gronden gelden voor hoofdgebouwen de volgende regels:

a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 6,5 meter."

Artikel 4.4 van de planregels luidt:

"De gronden binnen de bestemming ‘Verkeer’ mogen pas in gebruik worden genomen als parkeergarage voor bewoners indien:

a. wordt voldaan aan de eisen uit het beeldkwaliteitsplan;

b. er sprake is van een sociaal veilige inrichting conform de eisen van het Politiekeurmerk Veilig Wonen zoals beschreven in de toelichting onder 2.2.3."

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand