ECLI:NL:RVS:2026:5914

ECLI:NL:RVS:2026:5914

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 202306891/3/R1
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig

Samenvatting

In de tussenuitspraak van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4654, heeft de Afdeling het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht opgedragen om binnen 12 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 3 oktober 2023 te herstellen. In dat besluit heeft het college locatie RE499 en RE500 ter hoogte van de woning Pauwenkamp 210 in Maarssen aangewezen voor het plaatsen van twee ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s). In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het college het besluit van 3 oktober 2023 voor zover dat betrekking heeft op de aanwijzing van locatie RE499 en RE500 niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De Afdeling heeft het college opgedragen om de onder 8.2, 9.2 en 11.3 geconstateerde gebreken te herstellen. [appellant] en anderen hebben in hun zienswijze aangevoerd dat een ruimtelijke onderbouwing ontbreekt en dat het ontwerp van het aan te leggen pad niet past in het uitgewerkte bomenplan dat de afdeling Groen in 2025 heeft opgesteld.

Uitspraak

202306891/3/R1.

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend in Maarssen, gemeente Stichtse Vecht,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht,

verweerder.

Procesverloop

In de tussenuitspraak van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4654, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 12 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 3 oktober 2023 te herstellen. In dat besluit heeft het college locatie RE499 en RE500 ter hoogte van de woning Pauwenkamp 210 in Maarssen aangewezen voor het plaatsen van twee ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s).

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college op 22 december 2025 een aanvullende motivering gegeven.

[appellant] en anderen hebben daarover een zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het college het besluit van 3 oktober 2023 voor zover dat betrekking heeft op de aanwijzing van locatie RE499 en RE500 niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De Afdeling heeft het college opgedragen om de onder 8.2, 9.2 en 11.3 geconstateerde gebreken te herstellen.

2. De Afdeling zal op basis van de nadere motivering van het college en de zienswijze van [appellant] en anderen beoordelen of de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken zijn hersteld.

Toegankelijkheid voor rolstoelgebruikers

3. In de tussenuitspraak onder 8.2 heeft de Afdeling overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het besluit voldoet aan criterium 24, waarin staat dat de locatie (container) goed toegankelijk moet zijn voor rolstoelgebruikers. De Afdeling overwoog daarover dat het college met de enkele stelling dat het pad zal worden verlengd en verhard zonder nadere informatie daarover, onvoldoende zekerheid heeft geboden dat dit daadwerkelijk zal gebeuren.

3.1. Het college heeft een ontwerp voor het aan te leggen pad overgelegd, waarop de beoogde maatvoering en ligging van het aan te leggen pad zijn aangegeven. Ook heeft het college toegelicht dat er een offerteprocedure is gestart voor de aanleg van het pad en dat er ook naar aanleiding van een nader bodemonderzoek geen beletsel is om het pad aan te kunnen leggen.

3.2. [appellant] en anderen hebben in hun zienswijze aangevoerd dat een ruimtelijke onderbouwing ontbreekt en dat het ontwerp van het aan te leggen pad niet past in het uitgewerkte bomenplan dat de afdeling Groen in 2025 heeft opgesteld. Daarin wordt volgens [appellant] en anderen alleen gesproken over het vernieuwen van de toplaag van het bestaande looppad en niet over het volledig verharden/bestraten daarvan. Volgens [appellant] en anderen laat dit zien dat er twee parallelle trajecten lopen die niet op elkaar zijn afgestemd

3.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college deugdelijk gemotiveerd dat het besluit voldoet aan criterium 24. Het college heeft nadere informatie gegeven over de beoogde uitvoering van het pad en heeft toegelicht welke concrete stappen zijn gezet om het pad daadwerkelijk aan te leggen. Wat [appellant] en anderen verder hebben aangevoerd over het bomenplan, leidt niet tot het oordeel dat de motivering van het college ten aanzien van criterium 24 ondeugdelijk is.

Het betoog slaagt niet.

Ondergrondse infrastructuur

4. In de tussenuitspraak onder 9.2 heeft de Afdeling overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de locatie in overeenstemming is met criterium 7 en voldoet aan criterium 12. De Afdeling stelde vast dat volgens de door [appellant] en anderen overgelegde informatie van KLIC op de plek van de locatie ondergronds kabels of leidingen lopen en het college niet inzichtelijk heeft gemaakt of en hoe het met de mogelijke aanwezigheid van die ondergrondse kabels en leidingen ter plaatse rekening heeft gehouden.

4.1. In criterium 7 (zacht) staat dat de locatie zodanig gesitueerd is dat geen kabels en/of leidingen moeten worden verlegd voor het plaatsen van de ondergrondse container. In criterium 12 (hard) staat dat de locatie zich niet bevindt boven een rioolleiding en zich op zo een afstand van het riool moet bevinden dat het riool zo nodig eenvoudig en veilig kan worden vervangen.

4.2. Het college heeft een kaart van KLIC overgelegd waarop de ligging van de ondergrondse kabels en leidingen is weergegeven. Het college heeft daarbij toegelicht dat de aanwezige rioolleiding zich nabij de rijweg bevindt en dus niet ter hoogte van de aangewezen locatie. Ook heeft het college toegelicht dat de andere ondergrondse kabels en leidingen zich aan de overkant van de weg bevinden en dus niet hoeven te worden verlegd voor het plaatsen van de ORAC’s.

4.3. In hun zienswijze voeren [appellant] en anderen aan dat het college niet van de kaart van het KLIC heeft mogen uitgaan, omdat ten onrechte de exacte situering van de ORAC’s ten opzichte van de rioolleiding daarop niet is aangegeven. Ook ligt volgens hen een rioolleiding langs de gehele groenstrook.

4.4. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college deugdelijk gemotiveerd dat de locatie in overeenstemming is met criterium 7 en voldoet aan criterium 12. Aan de hand van de gegeven motivering en de overgelegde kaart van KLIC heeft het college inzichtelijk gemaakt dat en hoe het alsnog met de mogelijke aanwezigheid van kabels en leidingen rekening heeft gehouden. Aan de hand van de door het college overgelegde kaart van KLIC stelt de Afdeling vast dat de locatie zich niet boven een rioolleiding bevindt. De rioolleiding bevindt zich vrijwel direct naast de rijweg, zoals het college ook heeft toegelicht. Volgens het college is er daarom voldoende ruimte om zo nodig onderhoud aan het riool te verrichten. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding aan de juistheid van de motivering van het college te twijfelen. Gelet daarop voldoet de locatiekeuze aan criterium 12. Verder stelt de Afdeling aan de hand van de kaart van KLIC vast dat er geen andere kabels en leidingen lopen aan de zijde van de weg waar de ORAC’s zijn voorzien. Het college mocht daarom locatiekeuze in overeenstemming met criterium 7 achten.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie over de geschiktheid

5. Gelet op wat onder 3.3 en 4.4 is overwogen, zijn de onder 8.2 en 9.2 in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken hersteld. Het college heeft de locatie geschikt mogen achten.

Alternatieve locatie - stoep bij Pauwenkamp 358

6. In de tussenuitspraak onder 11.3 heeft de Afdeling overwogen dat het college, gelet op de feitelijke situatie, niet deugdelijk heeft gemotiveerd, waarom de locatie aan Pauwenkamp 358 geen geschikt alternatief is. In dat kader heeft de Afdeling overwogen dat [appellant] en anderen erop hebben gewezen dat de stoep een bestaande opstelplaats is voor minicontainers en het ervoor moet worden gehouden dat het college het gebruik van de locatie als opstelplaats voor minicontainers uit verkeersoogpunt wel wenselijk acht, terwijl zowel voor het legen van minicontainers als voor het legen van ORAC’s een inzamelvoertuig op de weg moet stilstaan. Verder overwoog de Afdeling dat het college geen andere redenen gegeven heeft waarom de locatie volgens hem niet geschikt is. Daarbij betrok de Afdeling verder dat de weg ter plaatse relatief breed is en dat zij er, gelet op de hoogte van de ORAC’s en de breedte van de weg, niet van overtuigd is dat ORAC’s op die stoep het zicht van automobilisten en fietsers op het tegemoetkomende verkeer belemmeren.

6.1. In zijn nadere motivering heeft het college bevestigd dat de stoep bij Pauwenkamp 358 wordt gebruikt als opstelplaats voor minicontainers. Het college heeft toegelicht waarom volgens hem het legen van minicontainers uit verkeersoogpunt niet gelijk te stellen is met het legen van ORAC’s. Volgens het college vergt het legen van ORAC’s meer tijd dan het legen van minicontainers. Daarnaast heeft het college te kennen gegeven dat het legen van ORAC’s, anders dan het legen van minicontainers, op onregelmatige tijden plaatsvindt. Dat komt, omdat het legen plaatsvindt op basis van de vulgraad van de ORAC’s. Ook heeft het college gemotiveerd dat de ophaalwagen voor ORAC’s groter is dan de ophaalwagen voor minicontainers en dat die wagen in tegenstelling tot de wagen voor minicontainers door één in plaats van drie personen wordt bediend. Ten slotte heeft het college erop gewezen dat de stoep bij Pauwenkamp 358 een aantal verkeerstechnische nadelen heeft die voor de gekozen locatie niet gelden: de locatie ligt in een bocht, ligt nabij een zijstraat en tegenover een school.

6.2. [appellant] en andere betogen in hun zienswijze dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd, waarom de stoep bij Pauwenkamp 358 geen geschikt alternatief is. Zij voeren aan dat de argumenten van het college tegenstrijdig zijn. Eerder werd volgens hen door het college gesteld dat het legen van ORAC’s van korte duur is en nu stelt het college dat legen van ORAC’s over het algemeen meer tijd vergt. Zij wijzen er verder op dat het college eerder stelde dat bij de stoep bij Pauwenkamp 358 leidingen liggen, terwijl uit een kaart van KLIC blijkt dat dat niet het geval is. Ten slotte wijzen zij erop dat in de nadere motivering "Pauwenkamp 354" staat, terwijl "Pauwenkamp 358" wordt bedoeld.

6.3. Onder 5 heeft de Afdeling geconcludeerd dat het college de aangewezen locatie geschikt heeft mogen achten voor het plaatsen van de ORAC’s. De Afdeling zal beoordelen of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de aangewezen locatie vanwege de aangedragen alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

6.4. De Afdeling is van oordeel dat het college aan de aangewezen locatie heeft mogen vasthouden, omdat het alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd dat de locatie op de stoep ter hoogte van Pauwenkamp 358 niet geschikter is dan de aangewezen locatie. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat die locatie uit verkeersoogpunt minder geschikt is. Het heeft voldoende toegelicht dat de omstandigheid dat daar mini-containers ter inzameling mogen worden aangeboden, niet maakt dat de locatie ook geschikt is voor de plaatsing van ORAC’s. Dat het college zich op het standpunt stelt dat het legen van ORAC’s van korte duur is, leidt de Afdeling niet tot een ander oordeel. Dat betekent namelijk niet dat het legen van ORAC’s niet meer tijd kost dan het legen van minicontainers en daarom uit verkeersoogpunt op die plek minder gewenst is.

In de stelling van [appellant] en anderen dat er geen kabels liggen bij de alternatieve locatie, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Dat doet er namelijk niet aan af dat het college de aangewezen locatie uit verkeersoogpunt geschikter heeft mogen achten. Dat er in de nadere motivering "Pauwenkamp 354" staat, is een kennelijke verschrijving, die niet af doet aan de door het college gegeven motivering.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2023 gegrond. Dat besluit moet wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd, voor zover het de aanwijzing van locatie RE499 en RE500 betreft.

Aangezien het college de motivering van het besluit van 3 oktober 2023 heeft aangevuld en de geconstateerde gebreken daarmee zijn hersteld, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover vernietigd, in stand blijven.

Dit betekent dat het besluit in zoverre van kracht blijft en de ORAC’s op locatie RE499 en RE500 mogen worden geplaatst.

8. Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht van 3 oktober 2023, voor zover daarbij locatie RE499 en R500 is aangewezen;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit, voor zover vernietigd, in stand blijven;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 32,00, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 184,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

w.g. Gundelach

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Heusden

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026

1063-163

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R. van Heusden

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand