ECLI:NL:RVS:2026:5916

ECLI:NL:RVS:2026:5916

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 202405463/1/R2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 13 april 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel een vergunning voor de huisvesting van 400 arbeidsmigranten op de locatie [locatie 1] verleend. De gemeente Boxtel kent een tekort aan huisvesting voor arbeidsmigranten. Op grond van de Verordening huisvesting arbeidsmigranten Boxtel 2022 (Vha 2022) geldt een verdelingsprocedure voor de huisvestingvergunningen voor arbeidsmigranten. Na de inschrijvingen voldeed één aanvraag aan de gronden voor verlening van de vergunning en is de keuze gevallen op SBA Euro B.V op de locatie [locatie 1]. [appellant sub 1] en anderen wonen in de nabije omgeving van dit perceel en vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat en de openbare orde en veiligheid. De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 1] en anderen gegrond verklaard en de vergunning herroepen voor zover deze aan SBA Euro B.V. is verleend. De rechtbank heeft daarnaast bepaald dat de vergunning wordt verleend aan Flex Housing B.V. en heeft de vergunning voor het overige in stand gelaten. Daartoe overweegt de rechtbank dat de brief met daarin de vergunning is gericht aan SBA Euro B.V. en zij daarin wordt aangemerkt als de aanvrager, maar dat het college volgens het bestreden besluit de vergunning had willen verlenen aan Flex Housing B.V., die één van de aanvragers was.

Uitspraak

202405463/1/R2.

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in [woonplaats], respectievelijk Boxtel,

2. het college van burgemeester en wethouders van Boxtel,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-­Brabant van 19 juli 2024 in zaak nr. 23/3040 en 23/3061 in het geding tussen:

[appellant sub 1] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Boxtel.

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2023 heeft het college een vergunning voor de huisvesting van 400 arbeidsmigranten op de locatie [locatie 1] verleend.

Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft het college het door [appellant sub 1] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] en anderen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de vergunning herroepen. De rechtbank heeft bepaald dat de vergunning is verleend aan Flex Housing B.V. en heeft de vergunning voor het overige in stand gelaten.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank.

Flex Housing B.V. heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep tegen de uitspraak van rechtbank ingesteld.

[appellant sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend met het verzoek daarop artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe te passen inhoudende dat alleen de Afdeling hiervan kennis mag nemen. Bij beslissing van 10 juli 2026 heeft de enkelvoudige geheimhoudingskamer van de Afdeling dit verzoek gedeeltelijk ingewilligd.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 juli 2026, waar [appellant sub 1] en [persoon], het college, vertegenwoordigd door mr. H.P. Wiersema, advocaat in 's -Hertogenbosch, en mr. M. Compter, en Flex Housing B.V., vertegenwoordigd door mr. B.F.J. Bollen, advocaat in Tilburg, E. Goedhart en R.L.A.M. van den Brand zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De gemeente Boxtel kent een tekort aan huisvesting voor arbeidsmigranten. Op grond van de Verordening huisvesting arbeidsmigranten Boxtel 2022 (Vha 2022) geldt een verdelingsprocedure voor de huisvestingvergunningen voor arbeidsmigranten. Na de inschrijvingen voldeed één aanvraag aan de gronden voor verlening van de vergunning en is de keuze gevallen op SBA Euro B.V op de locatie [locatie 1]. [appellant sub 1] en anderen wonen in de nabije omgeving van dit perceel en vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat en de openbare orde en veiligheid.

Ingetrokken beroepsgrond

2. Op de zitting hebben [appellant sub 1] en anderen hun betoog dat Flex Housing B.V. niet is onderworpen aan een toets in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) als bedoeld in artikel 5, derde lid, onder b, van de Regeling huisvesting arbeidsmigranten Boxtel 2022 (Rha), ingetrokken.

De uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft het beroep van [appellant sub 1] en anderen gegrond verklaard en de vergunning herroepen voor zover deze aan SBA Euro B.V. is verleend. De rechtbank heeft daarnaast bepaald dat de vergunning wordt verleend aan Flex Housing B.V. en heeft de vergunning voor het overige in stand gelaten. Daartoe overweegt de rechtbank dat de brief met daarin de vergunning is gericht aan SBA Euro B.V. en zij daarin wordt aangemerkt als de aanvrager, maar dat het college volgens het bestreden besluit de vergunning had willen verlenen aan Flex Housing B.V., die één van de aanvragers was. Het college heeft daaraan echter niet de consequentie verbonden om de vergunning op naam van Flex Housing B.V. te stellen. Uit een oogpunt van rechtszekerheid kan volgens de rechtbank niet worden volstaan met de mededeling dat Flex Housing B.V. als vergunninghouder moet worden beschouwd, omdat die mededeling niet wegneemt dat de vergunning aan SBA Euro B.V. is verleend. Voor het overige heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college [persoon] ten onrechte niet als belanghebbende bij het besluit heeft aangemerkt. [persoon] ondervindt namelijk feitelijke gevolgen van de huisvesting doordat zijn woning is gelegen aan één van de verwachte rij- en looproutes van het perceel naar het centrum van Boxtel.

Het incidenteel hoger beroep van het college

4. De Afdeling zal als eerste het incidenteel hoger beroep van het college bespreken, omdat dit betrekking heeft op de vraag of [persoon] als belanghebbende kan worden aangemerkt.

Is er sprake van een incidenteel hoger beroepschrift?

5. [appellant sub 1] en anderen stellen dat er ten aanzien van het hoger beroep van het college geen sprake is van een incidenteel hoger beroep. Dit hoger beroep bevat namelijk gronden die in een principaal hoger beroep aan de orde hadden moeten en kunnen komen. Het college heeft deze gronden niet binnen de termijn van zes weken ingediend en daarom moet dit hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.1. Artikel 8:110, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht

(Awb) bepaalt dat als hoger beroep is ingesteld, degene die ook hoger beroep had kunnen instellen, incidenteel hoger beroep kan instellen. De aanleiding voor het instellen van incidenteel hoger beroep kan zijn gelegen in de enkele omstandigheid dat de principaal appellant in hoger beroep is gekomen en de incidenteel appellant om die reden evenmin wenst te berusten in voor hem onwelgevallige oordelen van de rechtbank.

In dit geval zijn [appellant sub 1] en anderen in hoger beroep gekomen en heeft het college incidenteel hoger beroep ingesteld. De Afdeling ziet in het andersluidende standpunt van [appellant sub 1] en anderen geen aanleiding om het geschrift van het college anders te duiden.

Belanghebbende

6. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [persoon] belanghebbende is. Hij voert daarover aan dat [persoon] weliswaar feitelijke gevolgen kan ondervinden van het besluit, maar deze niet kwalificeren als gevolgen van enige betekenis. In dit verband voert hij aan dat [persoon] op meer dan 670 meter van de projectlocatie woont en dat [persoon] geen enkel zicht heeft op de projectlocatie door bosschages op zijn perceel en de hoge beplanting op het perceel van een boomkwekerij tussen de projectlocatie en de woning.

6.1. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

6.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [persoon] belanghebbende is bij de vergunning. Het oordeel van de rechtbank dat [persoon] rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt als gevolg van de huisvesting van de arbeidsmigranten is juist. Hij woont namelijk aan de [locatie 2] en doordat een groot aantal migranten wordt gehuisvest zullen daar merkbaar meer verkeersbewegingen plaatsvinden. De rechtbank heeft daarbij ook terecht deze gevolgen gekwalificeerd als gevolgen van enige betekenis. De omstandigheden waar het college vanuit is gegaan, te weten de afstand van 400 meter van de woning van [persoon] tot aan de projectlocatie en het ontbreken van direct zicht vanuit de woning op de projectlocatie zijn hiervoor niet doorslaggevend. Voor de vraag naar de betekenis van de gevolgen zijn namelijk ook andere factoren van belang. Van belang is bijvoorbeeld dat [persoon] aan de [locatie 2] woont en dit de enige ontsluitingsroute is van de projectlocatie naar het centrum en de bedrijfsterreinen van Boxtel. Bovendien heeft [persoon] op de zitting aangegeven dat ook de [locatie 3] dicht langs zijn huis loopt en als sluiproute zal worden gebruikt tussen Boxtel en de projectlocatie.

Gelet op het voorgaande ondervindt [persoon] dus feitelijke gevolgen van enige betekenis als gevolg van de vergunning, waardoor de rechtbank hem terecht alsnog als belanghebbende bij dit besluit heeft aangemerkt.

Het betoog slaagt niet.

Herstel in bezwaarfase

7. Verder betoogt het college dat de rechtbank het besluit op bezwaar ten onrechte heeft vernietigd. De heroverweging van het besluit in de bezwaarfase gaf namelijk geen aanleiding voor het nemen van een nieuw besluit maar het college herstelde niet meer dan een vergissing van de verkeerde tenaamstelling. Het college verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling van 1 april 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA2240). Hij voert daarover aan dat SBA Euro B.V. evident per vergissing is aangeschreven en geen aanvrager is. Flex Housing B.V. staat namelijk op het aanvraagformulier en is ook ingeschreven in het register van de Stichting Normering Flexwonen. Daarnaast is Flex Housing B.V. ook al meegenomen in de Bibob-toets omdat zij naast SBA Euro B.V. onderdeel is van de bovenliggende entiteit SBA Holding B.V..

7.1. De Afdeling volgt dit betoog van het college niet. SBA Euro B.V. staat op het aanvraagformulier genoemd als aanvrager van de vergunning en is de geadresseerde van de vergunning van 13 april 2023. Uit de tekst van de vergunning blijkt dat de vergunning verleend is aan de geadresseerde van die vergunning.

Het enkel noemen in het besluit op bezwaar dat de vergunning per abuis aan SBA Euro B.V. is verleend, zonder hier verdere consequenties aan te verbinden is onvoldoende om te kunnen stellen dat als gevolg van het besluit op bezwaar Flex Housing B.V. als vergunninghouder moet worden beschouwd.

De door het college aangehaalde uitspraak maakt dit niet anders. Weliswaar klopt het dat het college in bezwaar de tenaamstelling van een besluit mag veranderen, maar dat is niet de reden dat de rechtbank het besluit heeft vernietigd. De rechtbank komt terecht tot het oordeel dat het college weliswaar de bedoeling had om de tenaamstelling te wijzigen, maar dit niet heeft gedaan. De rechtbank heeft daarom terecht het besluit op bezwaar vernietigd en zelfvoorziend de tenaamstelling van de vergunning aangepast.

Het betoog slaagt niet.

Het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen

Tenaamstelling vergunning

8. [appellant sub 1] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien door te bepalen dat de vergunning aan Flex Housing B.V. is verleend. Op de zitting hebben zij daarover aangevoerd dat het personeel van SBA Flex Uitzendgroep B.V. niet is onderworpen aan de Bibob-toets (artikel 3 Wet Bibob). Dit had volgens hen wel gemoeten omdat SBA Flex Uitzendgroep B.V. een onderliggende entiteit is van Flex Housing B.V.

Verder voeren zij aan dat volgens vaste jurisprudentie hoge eisen worden gesteld aan de procedure voor de verdeling van schaarse vergunningen. Door de tenaamstelling te wijzigen in beroep wordt hier niet aan voldaan en worden de verdelingsregels van een tenderprocedure omzeild.

Ten slotte voeren zij aan dat zij door deze handelswijze geen bezwaren naar voren hebben kunnen brengen tegen de verlening van de vergunning aan Flex Housing B.V.

8.1. De Afdeling ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of artikel 8:69a van de Awb zich verzet tegen vernietiging van de vergunning naar aanleiding van dit betoog.

8.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in hoger beroep komt.

8.3. Artikel 3 van de Wet Bibob strekt tot bescherming van het algemene belang bij het voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert. De individuele belangen van omwonenden van de huisvestingslocatie zijn niet zodanig verweven met dit algemene belang dat deze wet moet worden geacht ook te stekken tot de bescherming van hun belangen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:871, onder 10.4).

Verder geldt in het Nederlandse recht een rechtsnorm die ertoe strekt dat bij de verdeling van schaarse vergunningen door het bestuur op enigerlei wijze aan (potentiële) gegadigden ruimte moet worden geboden om naar de beschikbare vergunning(en) mee te dingen. Deze rechtsnorm is gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927, onder 8). Deze regels strekken kennelijk niet tot bescherming van het belang van [appellant sub 1] en anderen als omwonenden van de voorziene huisvesting.

Gelet op artikel 8:69a van de Awb kunnen de twee bovenstaande betogen dan ook niet leiden tot een gegrondverklaring van het hoger beroep en vernietiging van de vergunning. De Afdeling zal deze gronden daarom ook niet inhoudelijk bespreken.

8.4. Naar het oordeel van de Afdeling kon de rechtbank verder gebruik maken van de bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien (artikel 8:72, derde lid, van de Awb). Het is de rechtbank gebleken dat het college de wens had om de vergunning aan Flex Housing B.V. te verlenen. Deze heeft mede de aanvraag ingediend en van deze partij is een ingevuld Bibob-formulier ontvangen. Hierom had de rechtbank voldoende aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Het betoog van [appellant sub 1] en anderen dat zij geen mogelijkheid hebben gehad om hun bezwaren te uiten tegen de verlening van de vergunning aan Flex Housing B.V. volgt de Afdeling verder niet. Zij hebben in hoger beroep namelijk alsnog hun argumenten hiertegen naar voren kunnen brengen en hebben van die mogelijkheid gebruik gemaakt.

Het betoog slaagt niet.

Financiële positie Flex Housing B.V.

9. Verder betogen [appellant sub 1] en anderen dat Flex Housing B.V. een financieel slechte positie heeft en daarom geen arbeidsmigrantenhuisvesting voor 400 personen kan exploiteren. Zij voeren daarover aan dat in zowel 2022 als in 2023 verlies is geleden en Flex Housing B.V. geen personeel in dienst heeft.

9.1. De Afdeling overweegt dat de financiële gezondheid van een onderneming en de vraag of zij personeel in dienst heeft geen weigeringsgrond is in de Vha 2022 en Rha 2022 om de vergunning te verlenen. Dit betoog van [appellant sub 1] en anderen kan daarom niet slagen.

Conclusie

Conclusie incidenteel hoger beroep van het college

10. Het incidenteel hoger beroep van het college is ongegrond.

11. Het college moet de proceskosten van [appellant sub 1] en anderen ten behoeve van het incidentele hoger beroep van het college vergoeden. Daarbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 1] en anderen een schriftelijke zienswijze naar aanleiding van het incidenteel hoger beroep van het college hebben ingediend.

Conclusie hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen

12. Het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen is ongegrond, de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

13. Het college hoeft de verdere proceskosten van [appellant sub 1] en anderen niet te vergoeden.

Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van Flex Housing B.V.

14. Flex Housing B.V. heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen gegrond is. Nu het hoger beroep van [appellant sub 1] en anderen ongegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van Flex Housing B.V. komen te vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan kan daarom niet worden toegekomen. Het college hoeft de proceskosten van Flex Housing B.V. niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Boxtel tot vergoeding van bij [appellant sub 1] en anderen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Scheele, griffier.

w.g. Besselink

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Scheele

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026

723-1167

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M. Scheele

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand