ECLI:NL:RVS:2026:5921

ECLI:NL:RVS:2026:5921

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 07-10-2026
Datum publicatie 07-10-2026
Zaaknummer 202501422/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

In het besluit van 23 november 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning aanbrengen van twee muurschilderingen op de gevels van de appartementencomplexen op de locaties [locatie 1] en [locatie 2] afgewezen. [appellant] woont aan het [locatie 3] in Den Haag. Op 9 juni 2022 en 7 oktober 2022 zijn aan de zuidkant van appartementencomplexen met de huisnummers 107-202 en 210-305 aan het [locatie 1] twee muurschilderingen aangebracht. [appellant] heeft het college op 11 november 2022 tweemaal verzocht om tegen deze muurschilderingen handhavend op te treden omdat daar geen omgevingsvergunning voor is verleend. Het college heeft besloten niet handhavend op te treden, omdat er volgens het college geen omgevingsvergunning voor de muurschilderingen vereist is.

Uitspraak

202501422/1/R3.

Datum uitspraak: 7 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 januari 2025 in zaak nr. 23/2076 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

In het besluit van 23 november 2022 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning aanbrengen van twee muurschilderingen op de gevels van de appartementencomplexen op de locaties [locatie 1] en [locatie 2] afgewezen.

In het besluit van 31 januari 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

In de uitspraak van 13 januari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 januari 2023 vernietigd, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 juli 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Smit, mr. M.W. van Amerongen en mr. M.C. Remeijer-Schmitz, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.

Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 11 november 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [appellant] woont aan het [locatie 3] in Den Haag. Op 9 juni 2022 en 7 oktober 2022 zijn aan de zuidkant van appartementencomplexen met de huisnummers 107-202 en 210-305 aan het [locatie 1] twee muurschilderingen aangebracht. [appellant] heeft het college op 11 november 2022 tweemaal verzocht om tegen deze muurschilderingen handhavend op te treden omdat daar geen omgevingsvergunning voor is verleend. Het college heeft besloten niet handhavend op te treden, omdat er volgens het college geen omgevingsvergunning voor de muurschilderingen vereist is.

Is [appellant] belanghebbende?

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet als belanghebbende kan worden aangemerkt. Hij voert daarover aan dat hij wel degelijk gevolgen ondervindt van de twee muurschilderingen. Volgens [appellant] moeten zijn complex en de twee complexen waar de muurschilderingen op zijn aangebracht als één geheel worden gezien, en daalt door de muurschilderingen het geheel in aanzien. Ook leiden de muurschilderingen ertoe dat de woningen van de complexen waarop de schilderingen zijn aangebracht warmer worden, waar die bewoners last van hebben. Bovendien heeft [appellant] zicht op de muurschilderingen als hij rondom zijn appartementencomplex loopt. Tot slot had het geld volgens hem beter besteed kunnen worden aan andere werkzaamheden zoals achterstallig onderhoud.

3.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Een belang dat zich onvoldoende onderscheidt van de belangen van willekeurige anderen, is geen persoonlijk belang. Als iemand uitsluitend opkomt voor het belang van een ander, komt hij niet op voor een eigen belang.

3.2. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] geen belanghebbende is bij de muurschilderingen. Hiervoor is van betekenis dat [appellant] in deze zaak alleen voor zichzelf procedeert en niet mede namens andere omwonenden. Daarin kan dus geen belang worden gevonden. Verder betrekt de Afdeling hierbij dat [appellant] vanuit zijn woning geen direct zicht heeft op de muurschilderingen. Dat hij daar wel zicht op heeft als hij buiten loopt, onderscheidt hem onvoldoende van willekeurige anderen. Daarnaast leidt wat [appellant] aanvoert over de daling in aanzien van de appartementencomplexen en dat het geld beter aan onderhoud besteed had kunnen worden, ook niet tot het oordeel dat hij als belanghebbende moet worden aangemerkt. Ook als de appartementencomplexen als één geheel moeten worden beschouwd, zoals [appellant] stelt, zijn dit namelijk louter subjectieve oordelen die geen objectief belang opleveren.

Het betoog slaagt niet.

Overige gronden

4. Omdat de rechtbank het besluit van 31 januari 2023 heeft vernietigd en het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 23 november 2022 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, komt de Afdeling niet toe aan wat [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd over de totstandkoming en inhoud van het besluit van 31 januari 2023.

Conclusie en proceskosten

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.

w.g. Bangma

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Buskermolen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026

896-1200

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. J. Buskermolen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand