202406517/1/R3.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 7 juni 2018 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen scootmobielbergingen op het Willem Dreespark in Den Haag afgewezen.
In het besluit van 6 september 2024 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 juli 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Remeijer-Schmitz, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 4 mei 2018. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] woont aan het [locatie] in Den Haag. In 2011 en 2014 heeft woningcorporatie Stichting Staedion onder meer 20 betonnen scootmobielbergingen geplaatst bij het Willem Dreespark. Op 4 mei 2018 heeft [appellant] het college verzocht om tegen de twintig scootmobielbergingen handhavend op te treden, omdat volgens hem de eerder verleende tijdelijke omgevingsvergunningen inmiddels waren verlopen en een deel van de gebruikers van de scootmobielbergingen was verhuisd of overleden. Het college heeft het handhavingsverzoek bij besluit van 7 juni 2018 afgewezen. Bij besluit op bezwaar van 18 december 2018 heeft het college deze afwijzing gehandhaafd. De rechtbank Den Haag heeft in de uitspraak van 7 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:11011, overwogen dat het college terecht heeft afgezien van handhavend optreden voor zover het achttien van de twintig scootmobielbergingen betreft. Zes van die achttien bergingen waren ten tijde van het besluit op bezwaar namelijk nog vergund en voor twaalf van de achttien bergingen was op 9 november 2018 een verlengingsbesluit genomen waarmee deze bergingen waren gelegaliseerd. Daarbij heeft de rechtbank in reactie op het betoog van [appellant] overwogen dat in het geval een berging niet wordt gebruikt, dat niet direct betekent dat de noodzaak tot instandhouding zoals verwoord in de vergunning daarmee direct komt te vervallen. Over de overige twee scootmobielbergingen heeft de rechtbank overwogen dat vaststaat dat ten tijde van het besluit op bezwaar voor deze bergingen de omgevingsvergunning was ingetrokken en dat onvoldoende duidelijk is op grond waarvan het college van mening is dat hij voor die twee bergingen mocht afzien van handhaving. De rechtbank heeft het beroep daarom gegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd, voor zover dat ziet op de handhaving ten aanzien van de twee scootmobielbergingen waarvan de omgevingsvergunning was ingetrokken. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld, waarin hij zich heeft gericht tot het oordeel van de rechtbank over de noodzaak tot instandhouding van de scootmobielbergingen.
De Afdeling heeft bij uitspraak van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2067, het hoger beroep gegrond verklaard. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college onvoldoende inzichtelijk gemaakt of aan het vergunningvoorschrift over de noodzaak tot instandhouding van de scootmobielbergingen is voldaan. Daarover heeft de Afdeling overwogen dat uit dit voorschrift weliswaar niet voortvloeit dat wanneer de berging tijdelijk niet voor het stallen van een scootmobiel wordt gebruikt, omdat de voormalige gebruiker bijvoorbeeld is verhuisd, overleden of om andere reden niet meer over een scootmobiel beschikt, de berging direct moet worden verwijderd. Volgens de Afdeling heeft het college echter niet inzichtelijk gemaakt of de scootmobielbergingen waar het handhavingsverzoek betrekking op heeft in gebruik zijn, en zo ja, voor welk gebruik. De Afdeling heeft vervolgens de uitspraak van 7 augustus 2020 vernietigd voor zover aangevallen, het besluit van 18 december 2018 vernietigd en bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.
Geen deugdelijk onderzoek
3. [appellant] betoogt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het van handhavend optreden tegen de scootmobielbergingen afziet. In dat verband wijst hij op het advies van de adviescommissie bezwaarschriften van 30 juli 2024, waarin volgens hem staat dat het college een nieuw onderzoek moet doen, waarvan een fysieke schouw ter plaatse onderdeel moet zijn. Volgens hem heeft het college dit advies ten onrechte naast zich neergelegd. Daarbij heeft hij zelf waargenomen dat de scootmobielbergingen worden gebruikt voor elektrische fietsen. Tot slot heeft het college volgens [appellant] erkend dat een aantal scootmobielbergingen niet vergund is en dus illegaal aanwezig.
3.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 15 september 2021 overwogen dat het college bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar inzichtelijk moet maken of is voldaan aan het vergunningvoorschrift over de noodzaak tot instandhouding van de scootmobielbergingen. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat het dit kan doen door per scootmobielberging inzichtelijk te maken of deze daadwerkelijk gebruikt wordt voor het stallen van een scootmobiel en, zo niet, of de noodzaak tot instandhouding dan nog bestaat. Daarnaast dient het college volgens haar in te gaan op twee scootmobielbergingen waarvan de omgevingsvergunning ten tijde van het besluit op bezwaar van 18 december 2018 was ingetrokken en die dus zonder geldige omgevingsvergunning in stand werden gehouden.
3.2. Het college heeft bij het besluit van 6 september 2024 in bijlage 1 een overzicht van "het nadere, actuele onderzoek" gevoegd. In dat overzicht staan onder meer de huisnummers die horen bij de scootmobielbergingen, of en tot wanneer deze vergund zijn en of deze gebruikt worden voor het stallen van scootmobielen. Ook heeft het college in bijlagen 2 en 3 twee plattegronden overgelegd ter illustratie van de locaties van die scootmobielbergingen. Verder staat in het besluit dat alle scootmobielbergingen in gebruik zijn voor een scootmobiel die is toegekend aan de betreffende bewoner op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Over de scootmobielbergingen die volgens het college niet vergund zijn, staat in het besluit dat het college niet overgaat tot handhaving omdat het belang van [appellant] niet opweegt tegen het belang van de gebruikers, die op basis van de Wmo een scootmobiel toegewezen hebben gekregen, om hun scootmobiel te kunnen stallen.
3.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college met deze stukken onvoldoende gemotiveerd waarom het van handhaving afziet. Het college heeft geen afschriften van de omgevingsvergunningen overgelegd, zodat niet kan worden gecontroleerd of er in zoverre sprake is van een overtreding. Het standpunt van het college dat deze afschriften in de procedure over het besluit met kenmerk B.2.18.2887 zijn overgelegd doet daar niet aan af. Dat besluit is vernietigd in de uitspraak van 15 september 2021 en maakt geen deel uit van deze procedure. Voor zover de scootmobielbergingen al vergund zijn, blijkt uit de stukken niet wanneer en op welke wijze het college heeft vastgesteld dat zou zijn voldaan aan het vergunningsvoorschrift over de noodzaak tot instandhouding van de scootmobielbergingen. Bovendien komt het overgelegde overzicht in bijlage 1 niet overeen met de bijgeleverde plattegronden in bijlagen 2 en 3. Gelet hierop heeft het college ook onvoldoende gemotiveerd waarom de belangen bij het behoud van de scootmobielbergingen, voor zover niet vergund, redelijkerwijs zwaarder wegen dan het belang van [appellant].
Het betoog slaagt. De Afdeling zal hierna onder de conclusie bezien tot welk gevolg dit moet leiden.
Overgelegde omgevingsvergunningen
4. Het college heeft op 7 juli 2026 afschriften overgelegd van nieuwe omgevingsvergunningen voor scootmobielbergingen op de locaties Willem Dreespark 5 t/m 100, Willem Dreespark 107 t/m 202 en Willem Dreespark 210 t/m 300. De Afdeling ziet daarom uit het oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding om te bezien of het hiervoor beschreven gebrek inmiddels is hersteld.
4.1. Op de zitting is door partijen bevestigd dat met deze omgevingsvergunningen alle scootmobielbergingen waarvoor [appellant] om handhaving had verzocht inmiddels zijn vergund. Hierdoor is er in zoverre geen sprake meer van een overtreding en is het hiervoor onder 3.3 geconstateerde gebrek in zoverre hersteld. Daarbij stelt de Afdeling vast dat in deze nieuwe omgevingsvergunningen geen voorschrift meer is opgenomen over de noodzaak tot instandhouding van de scootmobielbergingen. Om die reden bestaat voor het college geen aanleiding meer om in dat kader per scootmobielberging inzichtelijk te maken of de noodzaak tot instandhouding bestaat. De Afdeling zal hierna onder de conclusie bezien tot welk gevolg dit moet leiden.
Hoogte van de dwangsom
5. [appellant] betoogt dat in het besluit van 6 september 2024 de door de Afdeling aan haar uitspraak verbonden nadere dwangsom onjuist is vastgesteld. Volgens hem is het college bij de berekening van de hoogte van de dwangsom ten onrechte uitgegaan van de datum van het besluit op bezwaar in plaats van de verzenddatum. Mocht het beroep leiden tot vernietiging van dat besluit, dan dient de dwangsom volgens hem zelfs door te lopen tot het moment dat het college een gedegen besluit op bezwaar heeft genomen. Verder moet het college volgens [appellant] de eerdere verbeurde dwangsommen wegens het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar vaststellen, omdat deze volgens hem verschuldigd zijn.
5.1. Dit betoog gaat over de hoogte van de dwangsommen die de rechtbank en de Afdeling met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb aan een uitspraak hebben verbonden. De Afdeling overweegt hierover dat zij niet bevoegd is om de verschuldigdheid en hoogte van een op grond van haar eerdere uitspraak, of die van de rechtbank, verbeurde dwangsom vast te stellen. De Afdeling heeft dit eerder overwogen in onder meer de uitspraak van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1657, onder 2.2. Dat het college de hoogte van de dwangsom heeft opgenomen in het besluit van 6 september 2024 over het verzoek om handhaving maakt dit niet anders. Uit artikel 8:55d van de Awb en de geschiedenis van de totstandkoming ervan (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 51) volgt dat een dergelijke dwangsom ten uitvoer kan worden gelegd volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor zover het college in het besluit over het verzoek om handhaving ook de hoogte van de verschuldigde dwangsom heeft opgenomen, bevat dit daarom geen publiekrechtelijke rechtshandeling. De bevoegdheid tot het nemen van deze beslissing is immers niet aan het publiekrecht ontleend. In zoverre is dan ook geen sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zie de uitspraak van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152, onder 7. Dit betekent dat [appellant] niet bij de bestuursrechter kan procederen over de verschuldigdheid en hoogte van de dwangsommen en zich daarvoor tot de burgerlijke rechter zal moeten wenden.
De Afdeling is in zoverre onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Conclusie en proceskosten
6. Het beroep is gegrond. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 3.3, moet het besluit van 6 september 2024 vanwege strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb worden vernietigd. Gelet op wat is overwogen onder 4.1, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten. Dit betekent dat het college geen nieuw besluit op het bezwaar hoeft te nemen.
7. Over de proceskosten overweegt de Afdeling als volgt. [appellant] heeft uitsluitend om vergoeding van zijn verletkosten verzocht. Omdat de Afdeling dit beroep op dezelfde zitting heeft behandeld als het hoger beroep in de zaak met nummer 202500968/1/R3, en de Afdeling het college daarin veroordeelt in de betaling van zijn verletkosten, hoeft het college die kosten in deze zaak niet te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen, voor zover dat betrekking heeft op de verschuldigdheid en hoogte van de door de rechtbank en de Afdeling opgelegde nadere dwangsommen wegens het niet tijdig nemen van een besluit;
II. verklaart het beroep voor het overige gegrond;
III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 6 september 2024 met kenmerk B.2.24.0011.001;
IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder III vernietigde besluit van 6 september 2024 geheel in stand blijven;
V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Buskermolen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
896-1200