202300079/2/R4.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) in het geding tussen:
Scheepswerf Heerewaarden B.V. en Holding Scheepswerf Heerewaarden B.V., gevestigd in Heerewaarden onderscheidenlijk Boxtel,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Maasdriel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 13 oktober 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2022, Reparatieplan" (reparatieplan) vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft de Scheepswerf beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Scheepswerf heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2026, waar de Scheepswerf, vertegenwoordigd door mr. C.G.J.M. Termaat, advocaat in Nijmegen en A.N. Sepers, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T.W. Tuenter, zijn verschenen.
De beroepen tegen het besluit van 13 oktober 2022 zijn geregistreerd onder zaaknummer 202300079/1/R4. De beroepen van de op het voorblad vermelde appellanten zijn na de zitting administratief afgesplitst en geregistreerd onder zaaknummer 202300079/2/R4.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 30 juni 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Met het reparatieplan is voor een aantal percelen in het buitengebied van Maasdriel een aangepaste planologische regeling getroffen na het besluit van 26 juni 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016" (het moederplan). In de toelichting staat dat het alleen gaat om aanpassingen van geringe omvang om de juridische regeling in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie.
Uit de plantoelichting volgt dat het reparatieplan is vastgesteld om de door de Afdeling, onder meer, in haar uitspraak van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1090 en de uitspraak van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1370, geconstateerde gebreken in het moederplan te herstellen.
3. De Scheepswerf exploiteert een scheepswerf in de Maas, ter hoogte van de Steeg 1 en 2 in Heerewaarden. De Scheepswerf heeft beroep ingesteld tegen het reparatieplan omdat zij zich niet kan vinden in de aan- en afmeermogelijkheden voor vaartuigen die het reparatieplan biedt en vreest dat haar bedrijfsvoering hierdoor ernstig wordt belemmerd.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroep van de Scheepswerf
5. De Scheepswerf betoogt dat met het reparatieplan ten onrechte niet ook mogelijk is gemaakt dat vaartuigen langszij het droogdok en op het water bij de meerpalen, ook wel bekend als "De Bol", kunnen aan- en afmeren.
De Scheepswerf voert daartoe allereerst onder verwijzing naar overweging 5.1 van de uitspraak van de Afdeling 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1370 aan dat de raad in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door niet alsnog mogelijk te maken dat langszij het droogdok kan worden aan-en afgemeerd, terwijl de raad op de zitting van 19 april 2019 heeft toegelicht dat geen ruimtelijke bezwaren bestaan om het aan- en afmeren van schepen langszij het droogdok planologisch toe te staan. Voor zover de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat de richtlijnen en regels van Rijkswaterstaat eraan in de weg staan dat het water langszij het droogdok wordt gebruikt, voert De Scheepswerf aan dat de raad tijdens de zitting over het moederplan al kennis had genomen van dit standpunt van Rijkswaterstaat.
De Scheepswerf voert ook aan dat de met het reparatieplan geboden aan- en afmeermogelijkheden aan een reële bedrijfsvoering in de weg staan. De Scheepswerf stelt dat de mogelijkheid om schepen te laten aan- en afmeren bij de steiger beperkt is door de beperkte diepte van de watergang bij de steiger. Hierdoor kunnen vaartuigen met een grotere diepte, waaronder het door haar gebruikte hulpvaartuig "De Weser", niet direct bij de steiger aan- en afmeren, maar moet daarvoor een minder diep vaartuig worden gebruikt dat tussen het diepere vaartuig en de steiger in wordt gelegd. Als "De Weser" op deze manier wordt aangemeerd steekt deze in de lengte echter zodanig uit dat hierdoor onmogelijk wordt dat tegelijkertijd in het droogdok een vaartuig langer dan 40 m wordt aangelegd. Het reparatieplan maakt een aan- en afmeerlengte van 131 m mogelijk, terwijl De Scheepswerf voor haar bedrijfsvoering een lengte van 142 m nodig heeft.
De Scheepswerf voert ten slotte aan dat het gebruik van De Bol voor het aan- en afmeren en het daar uitvoeren van kleine reparatiewerkzaamheden aan vaartuigen wordt beschermd door het overgangsrecht. De Scheepswerf wijst ter ondersteuning daarvan naar de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6364 over een last onder dwangsom vanwege het afmeren van vaartuigen aan De Bol.
5.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht worden afgeleid dat het betrokken bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid op een bepaalde wijze zou uitoefenen.
Vereist is dat de toezegging, andere uitlating of gedraging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden toegerekend. Van toerekening van een onbevoegde uitlating is sprake als de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.
Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen zwaarder wegen. Bij deze belangenafweging kan ook een rol spelen of betrokkene op basis van de gewekte verwachtingen handelingen heeft verricht of nagelaten als gevolg waarvan zij schade heeft geleden of nadeel heeft ondervonden. Wanneer er andere belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan de geleden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming.
5.2. Aannemelijk is dat de raad op de zitting van de Afdeling in de eerdere procedure heeft verklaard dat ruimtelijk geen bezwaren bestaan tegen het planologisch toestaan van een steiger ter hoogte van het droogdok. De Scheepswerf mocht, gelet op het voorgaande, de gerechtvaardigde verwachting hebben dat aanmeren langszij het droogdok mogelijk gemaakt zou worden in dit reparatieplan.
Hierna heeft Rijkswaterstaat bezwaren geuit tegen het aanmeren langs het droogdok. Rijkswaterstaat vond het niet bevorderlijk voor de veiligheid van het scheepvaartverkeer en de vlotte doorvaart als er meer beperkingen zouden komen in het vaarwater op de locatie. Naar het oordeel van de raad zou aldus het algemeen belang bij het niet mogelijk maken van het afmeren langs het droogdok zwaarder kunnen wegen dan het belang van De Scheepswerf om dat wel te mogen doen. Als die belangenafweging reden is en ook zou kunnen zijn om de terzake bij de Scheepswerf gewekte gerechtvaardigde verwachtingen niet te honoreren, dan zou De Scheepswerf aanspraak kunnen hebben op schadevergoeding. Hierbij heeft de raad bij de vaststelling van het reparatieplan onvoldoende stil gestaan.
5.3. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6364, kort samengevat, overwogen dat het gebruik van het water bij De Bol voor het afmeren van een één vaartuig als wachtlocatie voor de scheepswerf en het uitvoeren van kleine reparatiewerkzaamheden op de bij De Bol afgemeerde vaartuigen, wordt beschermd door het overgangsrecht. Ook met dit door het overgangsrecht beschermde gebruik dat De Scheepswerf van De Bol maakt, heeft de raad bij de vaststelling van het reparatieplan onvoldoende stil gestaan. Daarbij komt ook dat een gebruik dat onder de bescherming van het overgangsrecht valt in beginsel niet voor een tweede maal onder de bescherming van het overgangsrecht mogen worden gebracht.
5.4. Het vorenstaande betekent dat het reparatieplan in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. De raad moet de aan de orde zijnde feiten, omstandigheden en belangen - zoals die onder meer uit het hiervoor gestelde blijken, alsmede het belang van De Scheepswerf bij een reële bedrijfsvoering - in kaart brengen, terzake een nieuwe afweging maken en op basis daarvan tot een planologische keuze komen.
Het betoog slaagt.
Reparatie van uitstekende vaartuigen in het droogdok
6. De Scheepswerf betoogt verder dat de planregeling eraan in de weg staat dat vaartuigen die zich voor reparatie grotendeels in het droogdok bevinden, maar vanwege hun lengte daarbij uitsteken en daardoor gedeeltelijk ter plaatse vangronden met de functieaanduiding "specifieke vorm van water- afmeerplaats 2" liggen, worden onderhouden of gerepareerd. De Scheepswerf wijst er daartoe op dat op grond van artikel 17.1, aanhef en onder m, van de reparatieplanregels het ter plaatse van deze functieaanduiding uitsluitend is toegestaan om schepen te laten aan- en afmeren in afwachting van reparatie en of onderhoud.
6.1. Artikel 17.1, aanhef en onder m, van de reparatieplanregels luidt:
"De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
m. aan- en afmeerplaatsen voor schepen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van water - afmeerplaats 2', met dien verstande dat de aan- en afmeerplaatsen uitsluitend bestemd zijn voor het aan- en afmeren van schepen in afwachting van reparatie en/of onderhoud in de naastgelegen scheepswerf en voor hulpvaartuigen."
6.2. Artikel 17.1, aanhef en onder m, van de planregels regelt dat schepen die zijn aangemeerd binnen gronden met de functieaanduiding 'specifieke vorm van water - afmeerplaats 2' alleen mogen aan- of afmeren in afwachting van reparatie en/of onderhoud in de naastgelegen scheepswerf. Dit betekent dat De Scheepswerf op daar aan- of afgemeerde schepen, zoals zij terecht aanvoert, geen reparatiewerkzaamheden mag uitvoeren. De raad heeft ter zitting erkend dat dit echter niet de bedoeling was. Gelet hierop is het besluit van 13 oktober 2022 ook om die reden onzorgvuldig voorbereid.
Het betoog slaagt.
Slot en conclusie
7. Gelet op wat de Afdeling onder 5.4 en 6.2 heeft overwogen, is het besluit van 13 oktober 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2022, Reparatieplan" niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid, waardoor het in strijd met artikel 3:2 van de Awb is genomen. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil, zal de Afdeling op grond van artikel 8:51d van de Awb de raad opdragen om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen het geconstateerde gebrek in het besluit van 13 oktober 2022 te herstellen.
8. De raad dient de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en een nieuw of gewijzigd besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Bij de voorbereiding van een nieuw of gewijzigd besluit hoeft afdeling 3.4 van de Awb niet te worden toegepast.
9. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, blijft op een gewijzigd of nieuw besluit het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, van toepassing.
10. In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
draagt de raad van de gemeente Maasdriel op om:
- binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van wat daarin is overwogen, de in overweging 5.3 en 6.2 geconstateerde gebreken in het besluit van 13 oktober 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2022, Reparatieplan" te herstellen en;
- de Afdeling en Scheepswerf Heerewaarden B.V. en Holding Scheepswerf Heerewaarden B.V.de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.
w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vermeulen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
700-947