202405286/1/R3.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 juni 2024 in zaken nrs. 23/4044 en 24/2030 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
In de brief van 23 september 2022 heeft [appellant] het college verzocht om handhavend op te treden tegen de afsluiting van de Assumburgweg.
Op 1 en 8 november 2022 heeft het college aan [appellant] laten weten hem niet als belanghebbende aan te merken.
In de brief van 25 november 2022 heeft [appellant], voor zover hier van belang, daartegen bezwaar gemaakt.
In de brief van 2 maart 2023 heeft [appellant] het college, voor zover hier van belang, in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar.
Op 9 juni 2023 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen, voor zover hier van belang, het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.
In het besluit van 25 januari 2024, verzonden op 26 januari 2024, heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
In de uitspraak van 27 juni 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard en tegen het besluit van 25 januari 2024 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 juli 2026, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Remeijer-Schmitz, mr. H. Smit en mr. M.W. van Amerongen, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 23 september 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] woont aan het [locatie] in Den Haag. Tussen 1 augustus 2022 en 1 december 2022 zijn aan de Assumburgweg werkzaamheden uitgevoerd waardoor delen van de straat niet toegankelijk waren. Omdat volgens [appellant] geen vergunning voor deze werkzaamheden is verleend, heeft hij het college verzocht om handhavend op te treden tegen deze werkzaamheden.
2.1. Het college heeft [appellant] bij brieven van 1 november 2022 en 8 november 2022 medegedeeld dat zijn verzoek om handhavend op te treden wordt afgewezen, omdat hij niet als belanghebbende wordt aangemerkt. In de brief van 8 november 2022 is daaraan toegevoegd dat het verzoek als reguliere melding wordt opgepakt. [appellant] heeft, voor zover hier van belang, tegen deze brieven op 25 november 2022 bezwaar gemaakt. Omdat het college geen besluit op zijn bezwaar heeft genomen, heeft [appellant] het college in gebreke gesteld op 2 maart 2022. Lopende de beroepsprocedure heeft het college op 25 januari 2024 alsnog een besluit op bezwaar genomen. Daarin heeft het college het bezwaar, onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van 24 januari 2024, niet-ontvankelijk verklaard. Omdat [appellant] volgens het college, kort gezegd, geen belanghebbende is, is er geen sprake van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom is de afwijzing van het handhavingsverzoek volgens het college geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.
Beoordeling van het hoger beroep
Ten onrechte geen proceskostenveroordeling
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank het college had moeten veroordelen in de proceskosten die hij heeft gemaakt voor zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar.
3.1. Artikel 6:7 van de Awb luidt:
"De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken."
Artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder b, luidt:
"2. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra:
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is."
Artikel 7:10, eerste lid, luidt:
"1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken."
Artikel 8:75a, eerste lid, luidt:
"1. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep. Indien aan dit vereiste niet is voldaan, wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard."
3.2. Een niet-ontvankelijkverklaring vanwege het ontbreken van procesbelang staat er niet aan in de weg dat wel kan worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Dit heeft de Afdeling eerder overwogen in onder meer de uitspraak van 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2068, onder 6.1. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat het bestuursorgaan aan de appellant is tegemoetgekomen. De Afdeling heeft eerder het alsnog nemen van een uitdrukkelijk besluit hangende de procedure tegen het uitblijven van een tijdig besluit aangemerkt als tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Hiervoor is wel van belang dat is voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit (zie onder meer de uitspraak van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1753, onder 3.2).
3.3. De Afdeling stelt vast dat de bezwaartermijn liep tot en met 13 december 2022, en het college daarom uiterlijk op 7 maart 2023 een besluit op het bezwaar van [appellant] had moeten nemen. Dit volgt uit de artikelen 6:7 en 7:10, gelezen in samenhang met 7:13, van de Awb. [appellant] heeft het college op 2 maart 2023 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar. De Afdeling leidt uit het dossier af dat deze ingebrekestelling is ontvangen op 6 maart 2023, zodat zijn ingebrekestelling twee dagen te vroeg en dus prematuur was. Gelet hierop concludeert de Afdeling dat niet is voldaan aan de voorwaarde voor het instellen van een beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6.12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Awb. Daarom bestaat geen recht op een proceskostenveroordeling en heeft de rechtbank terecht het college niet in de betaling van proceskosten veroordeeld.
Het betoog slaagt niet.
Is [appellant] belanghebbende?
4. [appellant] betoogt dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Daarover heeft hij op de zitting gezegd dat hij door de werkzaamheden moet omfietsen, mede omdat de werkzaamheden op de weg naar zijn huisarts plaatsvinden. Bovendien is hij bij een eerdere uitspraak van 1 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1546, over het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kop Assumburgweg" wel als belanghebbende aangemerkt. Aangezien de werkzaamheden op de Assumburgweg waar [appellant] een handhavingsverzoek voor heeft gedaan plaatsvinden binnen ditzelfde gebied moet hij ook nu weer als belanghebbende worden aangemerkt.
4.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
4.2. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat [appellant] geen belanghebbende is bij de werkzaamheden op de Assumburgweg. De woning van [appellant] ligt namelijk in een stedelijke omgeving op ten minste 200 meter, en daarmee op ruime afstand, van de werkzaamheden. Dat hij vanwege de werkzaamheden tijdelijk moet omfietsen als hij naar zijn huisarts gaat, zoals hij op de zitting heeft gesteld, onderscheidt hem niet voldoende van willekeurige andere weggebruikers. Dat [appellant] eerder wel als belanghebbende is aangemerkt bij het besluit over de vaststelling van het bestemmingsplan "Kop Assumburgweg" doet daar niet aan af. De rechtbank overweegt terecht dat de planologische uitstraling en feitelijke gevolgen van de ontwikkeling die met dat plan mogelijk wordt gemaakt wezenlijk anders zijn dan die van een tijdelijke afsluiting van een weg. Gelet op het voorgaande oordeelt de Afdeling, met de rechtbank, dat het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie en proceskosten
5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, moet worden bevestigd.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Buskermolen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
896-1200