202306498/1/R1.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland
(het college van GS),
2. Givaudan Nederland B.V. (Givaudan), gevestigd in Naarden,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Gooise Meren,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 12 juli 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied - Huizerstraatweg 113 b, Naarden" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben het college van GS en Givaudan beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[partij A] en Vabo Ontwikkeling B.V. (initiatiefnemers) hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Initiatiefnemers, de raad, het college van GS en
Givaudan hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.
Initiatiefnemers en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 mei 2026, waar Givaudan, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. L.J. Wildeboer, advocaat in Amsterdam, en G.M. Slob, deskundige, het college van GS, vertegenwoordigd door mr. J.L. Damen, J. Dam en E. van Dijk, en de raad, vertegenwoordigd door mr. Q.W.J. de Ruijter, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij A] en Vabo Ontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. W.J. Bosma en mr. S.T.J. Olierook, beiden advocaat in Den Haag, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 21 augustus 2020 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Waar gaat deze zaak over?
2. Het bestemmingsplan maakt de bouw van 30 woningen mogelijk aan de Huizerstraatweg, op gronden waarop voorheen een tuincentrum was gevestigd. Het plangebied grenst aan de overzijde van de Huizerstraatweg aan een gezoneerd bedrijventerrein. In de directe omgeving van het plangebied liggen woningen en kantoren: ten noordwesten, aan de overzijde van de Huizerstraatweg, ligt een lint met in totaal tien woningen; ten zuidwesten van het plangebied liggen twee vrijstaande woningen, een kantoorgebouw, en een dubbele woning; en ten noordoosten en oosten van het plangebied liggen een vrijstaande woning, vijf geschakelde woningen en een kantoorgebouw.
3. Givaudan is gevestigd op het aangrenzende bedrijventerrein. Zij vreest dat haar bedrijfsvoering door de woningbouw wordt beperkt, en betoogt dat de raad geen rekening heeft gehouden met haar actuele en geldende omgevingsvergunning. Volgens Givaudan heeft de raad onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woningen.
4. Het college van GS heeft beroep ingesteld tegen het plan omdat het volgens hem in strijd is met instructieregels van de Omgevingsverordening Noord-Holland 2020 (OVNH 2020). Ook is bij de vaststelling van het plan volgens het college van GS onvoldoende rekening gehouden met de actuele en geldende omgevingsvergunning van Givaudan, waarvoor het college van GS het bevoegd gezag is.
Ingetrokken beroepsgrond
5. Op de zitting heeft Givaudan haar beroepsgrond dat het plan in strijd is met het Besluit externe veiligheid ingetrokken.
Nieuwe beroepsgrond
6. Initiatiefnemers hebben zich op het standpunt gesteld dat de beroepsgrond van het college van GS dat bij de woningen niet in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden voorzien buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat het een nieuwe beroepsgrond betreft. De Afdeling volgt dit standpunt niet. Anders dan initiatiefnemers stellen is er naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van een nieuwe beroepsgrond, maar van een nadere motivering van de eerder aangevoerde beroepsgrond dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Artikel 1.6a van de Chw staat daarom niet in de weg aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgrond.
Het betoog slaagt niet.
Het bestemmingsplan
Wijze van toetsen
7. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Strijd met provinciale regelgeving
8. Het college van GS betoogt dat het plan in strijd is met provinciale regelgeving. Daartoe voert het aan dat het plan in strijd is met de instructieregels ter bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en natuurverbindingen, en met de instructieregels ter bescherming van het Bijzonder Provinciaal Landschap.
- NNN en natuurverbindingen
8.1. Het college van GS voert daartoe aan dat het bestemmingsplan onvoldoende bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN biedt. Op grond van artikel 6.43, derde lid, van de OVNH2020 moet de raad regels stellen ter bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN gebied "Gooi Noord". De in de OVNH2020 als NNN beschermde gronden hebben in het bestemmingsplan de bestemming "Tuin" met de functieaanduiding "natuur". Het bestemmingsplan staat twee verschillende functies toe die in het bestemmingsplan gelijkwaardig of nevengeschikt zijn. Dit is in strijd is met artikel 6.43, vierde lid, van de OVNH2020, omdat dit leidt tot een aantasting en oppervlaktevermindering van het NNN, omdat het bestemmingsplan feitelijke inrichting en gebruik als tuin onvoldoende uitsluit en het natuurbelang onvoldoende beschermt.
Het college van GS voert verder aan dat het plan ten onrechte bouwwerken, geen gebouwen zijnde zoals bijvoorbeeld erfafscheidingen, overkappingen en andere erfbebouwing ten behoeve van de functie tuin, zonder nadere toetsing aan de natuurbelangen toestaat op de gronden. De raad heeft met artikel 3.2.4 van de planregels beoogd om de vergunningvrije erfbebouwing op grond van het Besluit omgevingsrecht (Bor) uit te sluiten, maar artikel 3.2.4 van de planregels leidt niet tot dit beoogde doel. De begripsomschrijving van ‘achtererfgebied’ in het Bor biedt geen ruimte voor de raad om bij bestemmingsplan af te wijken van het Bor. Op grond van het Bor vallen onder het begrip ‘erf’ gronden die zijn ingericht ten dienste van het gebruik van een hoofdgebouw voor zover een bestemmingsplan deze inrichting niet verbiedt. In het onderhavige bestemmingsplan is echter geen sprake van zo’n verbod, omdat het bestemmingsplan deze inrichting juist toestaat, nu de gronden zijn bestemd als tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.
8.2. Artikel 6.43, leden 1, 2, 3 en 4, van de OVNH2020 luiden:
"1. De wezenlijke kenmerken en waarden als bedoeld in dit artikel zijn vastgelegd in bijlage 5.
2. Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Natuurnetwerk Nederland en het werkingsgebied natuurverbindingen strekt in ieder geval tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden.
3. Het ruimtelijk plan stelt in ieder geval regels in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden. Bij het stellen van deze regels moeten de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden in acht worden genomen.
4. Het ruimtelijk plan maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden."
Artikel 3.1 van de planregels luidt:
"De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
b. ter plaatse van de aanduiding 'Natuur' tevens voor de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden zoals toegekend in het kader van de Natuurnetwerk Nederland;
met bijbehorende aan- en uitbouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en parkeervoorzieningen."
8.3. Artikel 3.2.4 luidt:
"Het oprichten van gebouwen binnen de aanduiding 'Natuur' is niet toegestaan. Tevens zijn deze gronden niet aan te merken als achtererfgebied zoals bedoeld in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht."
8.4. Vast staat dat alleen de gronden aan de zuidoostkant van het plangebied in het werkgingsgebied ‘NNN’ liggen. Deze gronden hebben naast de functieaanduiding ‘natuur’ ook de bestemming "Tuin". Naar het oordeel van de Afdeling is het plan in zoverre in strijd met artikel 6.43, vierde lid, van de OVNH2020 vastgesteld. Het plan staat namelijk nieuwe activiteiten toe die leiden tot een vermindering van het oppervlakte van het NNN. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.
8.5. In de eerste plaats acht de Afdeling van belang dat de tuinen onderdeel gaan uitmaken van de percelen waarop de woningen worden gebouwd. In artikel 3.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de planregels staat namelijk dat de gronden met de bestemming "Tuinen" zijn bestemd voor tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen. Weliswaar zijn in bosgebied ook recreatieve activiteiten mogelijk, maar die activiteiten zijn naar aard en intensiteit niet op één lijn te stellen met het gebruik van een tuin bij een woning. Recreatie-activiteiten zoals bijvoorbeeld een barbecue zullen doorgaans in een bosgebied niet plaatsvinden of zijn toegestaan. Daarbij komt dat bijbehorende bouwwerken gebouwd mogen worden, zoals erfafscheidingen, zodat dit deel van het NNN kan worden afgescheiden van de rest van het NNN. De Afdeling verwijst daarvoor naar de bestemmingsomschrijving in artikel 3.1 van de planregels dat toestaat dat op de gronden met de aanduiding "natuur" aan tuinen bijbehorende aan- en uitbouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en parkeervoorzieningen worden opgericht.
Initiatiefnemers voeren aan dat uit de toelichting bij de OVNH2020 volgt dat artikel 6.43, vierde lid, van de OVNH2020 alleen ziet op nieuwe activiteiten die nog niet in ruimtelijke plannen zijn toegestaan en dat bestaande activiteiten wel zijn toegestaan. In dit verband wijzen zij op het vorige bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied", vastgesteld door de raad op 10 september 2008, op grond waarvan deze gronden de bestemming "Bosgebied" hadden, en bestemd waren voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden van het bosgebied. Dit leidt niet tot een ander oordeel. Op basis van de definitie in de bijlage bij de OVNH2020 wordt onder ‘bestaand’ onder andere begrepen dat wat op het tijdstip van inwerkingtreding van de desbetreffende bepaling op grond van een geldend ruimtelijk plan is toegestaan. Weliswaar waren op grond van het vorige bestemmingsplan ook aan de bestemming "Bosgebied" bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogelijk, maar naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad met het toestaan van aan de bestemming "Tuin" bijbehorende aan- en uitbouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en parkeervoorzieningen, andere bouwwerken toegestaan die leiden tot een vermindering van de oppervlakte van het NNN. Naar het oordeel van de Afdeling is dit niet in overeenstemming met artikel 6.43, vierde lid, van de OVNH2020.
Het betoog slaagt.
8.6. Naar het oordeel van de Afdeling voldoet artikel 3.2.4 van de planregels verder niet om vergunningvrije erfbebouwing op grond van het Bor uit te sluiten. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.
Het oprichten van bebouwing zonder omgevingsvergunning is op grond van artikel 2 van bijlage II van het Bor, als aan de daar gestelde eisen wordt voldaan, mogelijk op een perceelgedeelte dat behoort tot het achtererfgebied. Voor beantwoording van de vraag of een perceelgedeelte tot het achtererfgebied behoort is, gelet op de omschrijving daarvan in artikel 1 van die bijlage, van belang of dat perceelgedeelte kan worden aangemerkt als "erf" in de zin van dat artikel. Gelet op de omschrijving van "erf" is daarvan pas sprake als een bestemmingsplan de inrichting als erf niet verbiedt. Daarom kan de planwetgever door in het bestemmingsplan de inrichting van het erf ten dienste van het gebruik als hoofdgebouw te verbieden, toch vergunningvrije bebouwing op een perceelgedeelte uitsluiten wanneer locatie-specifieke omstandigheden hiertoe aanleiding geven en dit strekt tot een goede ruimtelijke ordening. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2710 onder 12.3, volgt hieruit dat een planregeling waarbij delen van een perceel niet als achtererfgebied worden aangemerkt, niet waarborgt dat het oprichten van omgevingsvergunningvrije bebouwing daar is uitgesloten indien niet ook de inrichting van het erf ten dienste van het gebruik als hoofdgebouw wordt verboden. Dat op grond van artikel 3.2.4 van de planregels voor gronden met de aanduiding ‘natuur’ geldt dat die niet als achtererfgebied zijn aan te merken, doet er niet aan af dat de inrichting van deze gronden als erf nog steeds mogelijk is. De raad heeft met deze planregel dus niet geregeld wat hij daarmee beoogde te regelen.
Het betoog slaagt.
- Nieuwe stedelijke ontwikkeling
9. Het college van GS voert aan dat het plan in strijd is met artikel 6.46 van de OVNH2020. Het plan maakt namelijk een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. Bovendien bevat het plan geen regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten, geen beschrijving van de kernkwaliteiten, en ook geen motivering waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de regels ten aanzien van het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL).
9.1. Artikel 6.46, lid 2, 3 en 5, van de OVNH2020 luiden:
"[…] 2. Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Bijzonder provinciaal landschap bevat regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten.
3. In afwijking van artikel 6.3 bevat het ruimtelijk plan geen regels die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken.
[…]
5. De toelichting op het ruimtelijk plan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en een motivering van de wijze waarop wordt voldaan aan het tweede en, indien van toepassing, het vierde lid.[…]"
9.2. Vast staat dat het plangebied (gedeeltelijk) ligt in het werkingsgebied ‘Bijzonder provinciaal landschap’. In bijlage I van de OVNH2020 wordt voor het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ aangesloten bij het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ als bedoeld in 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
9.3. De Afdeling ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de voorgenomen ontwikkeling moet worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, in samenhang bezien met artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro.
9.4. Bij de beantwoording van de vraag of een stedelijke ontwikkeling die een bestemmingsplan mogelijk maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro behelst, moet in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologisch beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan. Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, onder 7.
9.5. In de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017, onder 7.2, heeft de Afdeling overwogen dat een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, in beginsel niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.
Van dit uitgangspunt wordt afgeweken indien die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling (uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1075 (Amersfoort)). Hierbij komt betekenis toe aan de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en die van hetgeen onder het vorige plan mogelijk was (uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1503 (Zundert)).
9.6. In het vorige plan "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied Naarden" was aan de gronden in het plangebied de bestemming "Tuincentrum" en "Bosgebied" toegekend, en aan een deel de bestemming "Woondoeleinden I", waarop één hoofdgebouw met een goothoogte van 6,5 m was toegestaan, en aan- en bijgebouwen met een gezamenlijk oppervlak van 300 m2 met een goothoogte van 6,5 m en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte van 5 m. In het voorliggende plan is aan de gronden de bestemming "Wonen", "Tuin" en "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend, en kunnen 30 hoofdgebouwen voor woningen worden gerealiseerd, waarbij per hoofdgebouw vrijstaande bijgebouwen met een gezamenlijk oppervlakte van 40 m2 zijn toegestaan.
9.7. Een vergelijking tussen het toegestane gebruik van de gronden in het plangebied in het voorliggende bestemmingsplan en die onder het vorige bestemmingsplan, leidt naar het oordeel van de Afdeling tot de conclusie dat het plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Hiervoor is van belang dat de functiewijziging, gelet op de aard ervan, een wezenlijk andere ruimtelijke uitstraling heeft dan de ruimtelijke uitstraling van de op grond van het vorige bestemmingsplan geldende bestemming "Tuincentrum". Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2095. Verder betrekt de Afdeling in haar oordeel dat ten opzichte van de bestaande bebouwing van het tuincentrum, het ruimtebeslag aanzienlijk toeneemt en een verdichting van de bebouwing mogelijk is.
10. Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bestemmingsplan geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Dat is wel het geval. Naar het oordeel van de Afdeling is het plan daarom in strijd met artikel 6.46, derde lid, van de OVNH2020 vastgesteld. De beroepsgronden over de regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten, de toelichting daarvan, de motivering waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de regels ten aanzien van het BPL en dat ten onrechte aan de PRV is getoetst, hoeven geen bespreking. Voor zover initiatiefnemers erop wijzen dat artikel 6.46, elfde lid, van de OVNH2020 onverbindend moet worden geacht omdat deze bepaling in strijd met artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening een (rechtsonzekere) dynamische verwijzing bevat, overweegt de Afdeling dat wat daar van zij, die bepaling in dit geval voor de beoordeling van het beroep niet relevant is. Artikel 6.46, derde lid, van de OVNH 2020 laat namelijk een nieuwe stedelijke ontwikkeling in Bijzonder provinciaal landschap niet toe, ongeacht wat de kernkwaliteiten zijn. De kernkwaliteiten zijn van belang voor de kwaliteiten die een bestemmingsplan moet beschermen of voor ontwikkelingen die op grond van artikel 6.46 nog wel mogelijk zijn, maar geen nieuwe stedelijke ontwikkeling inhouden. De Afdeling laat deze beroepsgrond daarom buiten beschouwing.
Het betoog slaagt.
Beperking bedrijfsvoering Givaudan
11. Givaudan en het college van GS betogen dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van het bestemmingsplan voor haar bedrijfsvoering. Givaudan voert daartoe aan dat haar omgevingsvergunning van 24 mei 2023 ten onrechte niet als uitgangspunt is genomen voor de beoordeling van de vraag of ter plaatse van de nieuwe woonbestemming een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De vergunde situatie wordt belemmerd door de nieuwe woningen. Dit is ook in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Op grond van de geldende omgevingsvergunning is voor de bedrijfsactiviteiten van Givaudan een geurimmissie toegestaan zoals weergegeven in figuren 10 en 11 van het bij de vergunningaanvraag van Givaudan gevoegde geurrapport, dat ook als bijlage 6 bij de plantoelichting is gevoegd, en waaraan in de plantoelichting wordt gerefereerd. Voor het plangebied betekent dit dat een geurimmissie tussen 1 en 2 OUE(H)/m3 als 98-percentiel is toegestaan. Het plan gaat op basis van het geurrapport "Geuronderzoek Woningbouwplan Huizerstraatweg 113b, Naarden" van 18 januari 2023 van M&A Omgeving BV (hierna: het geurrapport van M&A), dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd, uit van een door Givaudan veroorzaakte geurimmissie van tussen 0,6 en 0,8 OUE(H)/m3 als 98-percentiel. Dit is niet met elkaar in overeenstemming. Givaudan betoogt dat ter plaatse van de woningen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.
11.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het de omgevingsvergunning van 24 mei 2023 niet als uitgangspunt behoorde te nemen voor de beoordeling van de geurhinder voor het woon- en leefklimaat bij de woningen. Daartoe voert de raad aan dat het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren en initiatiefnemers beroep hebben aangetekend tegen de omgevingsvergunning. Volgens het college van burgemeester en wethouders van Gooise Meren en initiatiefnemers is het voorliggende woningbouwplan ten onrechte niet betrokken bij de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning, eerste fase, onderdeel milieu van 24 mei 2023. Verder voert de raad aan dat hij er pas na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan achter kwam dat de geurcontour is gewijzigd, omdat het laatste geurrapport van 2020 niet aan hem is toegestuurd.
11.2. De omgevingsvergunning, eerste fase, onderdeel milieu (de revisievergunnning) van 24 mei 2023 is op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2°, gelezen in samenhang met artikel 2.6 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend voor het veranderen van de inrichting en het in werking hebben van de gehele inrichting na die verandering. De omgevingsvergunning, tweede fase, voor het bouwen van een bouwwerk en voor het gebruiken van gronden in strijd met het geldende bestemmingsplan is verleend op 26 mei 2023 op grond van respectievelijk artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo en artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Beide fasen zijn als één omgevingsvergunning op 28 juli 2023 in werking getreden.
Op grond van voorschrift 5.1.7 van de revisievergunning moet Givaudan iedere vier jaar, maar binnen maximaal tien jaar, onderzoeken of kan worden voldaan aan de richtwaarden bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregel beoordeling geurhinder inrichtingen Noord Holland (hierna: Beleidsregel geurhinder). Op grond van voorschrift 5.2.1 mag de geurimmissie van de inrichting de geurcontouren, uitgedrukt in OUE(H)/m3, zoals weergegeven in figuur 10 van het bij de aanvraag gevoegde geurrapport "Geur- en emissierapport ten behoeve van vergunningsaanvraag Givaudan Naarden" van 22 december 2020 van Olfasense, niet overschrijden.
11.3. Bij het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning, eerste fase, en de omgevingsvergunning, tweede fase, kan de komst van de voorziene woningen maken dat een belemmering van de bedrijfsvoering van Givaudan optreedt. Niet is uitgesloten dat de onderzoeksverplichting van voorschrift 5.1.7 van de revisievergunning verzwaard wordt wanneer er extra geurgevoelige objecten tussen de 0,5 en 1 OUE(H)/m3 geurcontouren mogelijk worden gemaakt.
11.4. De revisievergunning en de omgevingsvergunning, tweede fase, waren nog niet onherroepelijk toen het bestemmingsplan op 12 juli 2023 werd vastgesteld. Een niet onherroepelijke omgevingsvergunning vormt echter een zwaarwegend belang dat de raad moet betrekken bij zijn besluitvorming over het bestemmingsplan. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:329. De raad heeft de omgevingsvergunning niet betrokken bij de besluitvorming. De door de raad gestelde onzekere uitkomst van de lopende (hoger)beroepsprocedure inzake de omgevingsvergunningen is geen inhoudelijke afweging. Het plan is in zoverre onzorgvuldig vastgesteld.
Het betoog slaagt.
11.5. Omdat de raad de omgevingsvergunning van 24 mei 2023, en daarmee voorschriften 5.1.7 en 5.2.1, niet heeft betrokken bij de totstandkoming van het plan, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling ook de bedrijfsbelangen van Givaudan en de gevolgen van de omgevingsvergunning op het woon- en leefklimaat van de toekomstige woningen onvoldoende betrokken bij de vaststelling van het plan. Daartoe overweegt de Afdeling dat de raad door het niet betrekken van de in voorschrift 5.2.1 van de omgevingsvergunning vergunde, toegestane geurimmissie van Givaudan, de gevolgen van geur op de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen onvoldoende heeft afgewogen. De raad heeft namelijk niet in kaart gebracht wat de geurimmissie als gevolg van de op 24 mei 2023 verleende omgevingsvergunning is bij de beoogde woningbouw. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zijn standpunt dat ter plaatse van de woningen in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden voorzien onvoldoende onderbouwd.
De raad heeft ook niet in zijn afweging betrokken wat de komst van de woningen voor gevolgen heeft voor Givaudan, gelet op voorschrift 5.1.7 van de omgevingsvergunning, ingevolge waarvan Givaudan verplicht is iedere vier jaar, maar binnen maximaal tien jaar, te onderzoeken of kan worden voldaan aan de richtwaarden bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregel geurhinder. De raad heeft de belangen van Givaudan dan ook onvoldoende betrokken bij de totstandkoming van het plan.
De betogen slagen.
11.6. Initiatiefnemers betogen ten onrechte dat Givaudan alleen gronden mag aanvoeren die gaan over de aantasting van haar bedrijfsvoering en bedrijfsmogelijkheden, en dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op dit punt in de weg staat aan de vernietiging van het bestemmingsplan. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.6, beschermt de norm van een goede ruimtelijke ordening, voor zover die ziet op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een woning, ook de belangen van betrokken bedrijven bij een ongestoorde uitoefening van hun bedrijf. Initiatiefnemers betogen ook ten onrechte dat het relativiteitsvereiste eraan in de weg staat dat de gronden die het college van GS aanvoert in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woningen als gevolg van de geurimmissie van Givaudan tot vernietiging van het bestemmingsplan kan leiden. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd door initiatiefnemers geen aanleiding voor het oordeel dat het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geen in relatie tot Givaudan aan het college van GS toevertrouwd belang is.
11.7. Op de zitting is de afronding van de geurimmissies bij toepassing van de Beleidsregel geurhinder besproken, en de behoefte van partijen aan uitsluitsel over hoe daarmee moet worden omgegaan. De Afdeling begrijpt de behoefte van partijen hieraan, maar komt in deze uitspraak niet toe aan het geven van uitsluitsel over afronding van de immissiegetallen bij toepassing van de Beleidsregel geurhinder, omdat de raad eerst de effecten van de vergunning van 23 mei 2023 in kaart moet brengen en moet afzetten tegen welke geurimmissie in het kader van een goed woon- en leefklimaat aanvaardbaar is.
Conclusie
12. De beroepen zijn gegrond. Het besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikelen 6.43, vierd lid, en 6.46, derde lid, van de OVNH 2020, en artikel 3:2 en 3:46 van de Awb.
13. De raad moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de beroepen van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland en Givaudan Nederland B.V. gegrond;
II. vernietigt het besluit van 12 juli 2023 van raad van de gemeente Gooise Meren tot vaststelling van het bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied - Huizerstraatweg 113 b, Naarden";
III. veroordeelt de raad van de gemeente Gooise Meren tot vergoeding van bij Givaudan Nederland B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat de raad van de gemeente Gooise Meren aan:
a. het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 365,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt;
b. Givaudan Nederland B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 365,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, voorzitter, en mr. J.C.A. de Poorter en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Arneri, griffier.
w.g. Jurgens
voorzitter
w.g. Arneri
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
1010
BIJLAGE
Besluit omgevingsrecht
Artikel 1, eerste lid, van bijlage II:
"In deze bijlage wordt verstaan onder:
achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;
(…)
erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;"
Artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II:
"Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op: […]
een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:[…]"
Omgevingsverordening NH2020
Artikel 6.43, eerste en vierde lid, luidt:
"1. De wezenlijke kenmerken en waarden als bedoeld in dit artikel zijn vastgelegd in bijlage 5.
[…]
4. Het ruimtelijk plan maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden."
Artikel 6.46 luidt:
"Bijzonder provinciaal landschap
1. De kernkwaliteiten van het Bijzonder provinciaal landschap zijn vastgelegd in Bijlage 6.
2. Een ruimtelijk plan ter plaatse van het werkingsgebied Bijzonder provinciaal landschap bevat regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten.
3. In afwijking van artikel 6.3 bevat het ruimtelijk plan geen regels die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken.
4. Het ruimtelijk plan kan regels bevatten die een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, mits deze ontwikkeling de voorkomende kernkwaliteiten niet aantast.
5. De toelichting op het ruimtelijk plan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en een motivering van de wijze waarop wordt voldaan aan het tweede en, indien van toepassing, het vierde lid.
6. Indien uit de motivering volgt dat maatregelen noodzakelijk zijn om te voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, dan dient de uitvoering hiervan te zijn geborgd bij de vaststelling van het ruimtelijk plan.
7. In afwijking van het vierde lid kan het ruimtelijk plan regels bevatten die de volgende ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken:
a. een uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot maximaal twee hectare; of
b. nieuwe bebouwings- en functiemogelijkheden op grond van artikel 6.33, eerste lid, onder e en f en artikel 6.33, tweede en derde lid.
8.In afwijking van het derde en vierde lid kan het ruimtelijk plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling of een andere nieuwe ruimtelijke ontwikkeling die de kernkwaliteiten aantast mogelijk maken, indien:
a. er sprake is van groot openbaar belang;
b. er geen reële alternatieven zijn; en
c. de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt en de aantasting wordt gecompenseerd.
9.In afwijking van het derde en vierde lid kan het ruimtelijk plan voorzien in woningbouw overeenkomstig de afspraken tussen Rijk, provincie en betrokken gemeenten met betrekking tot de Pilot Waterland.
10.Gedeputeerde Staten kunnen nadere regels stellen over de motivering als bedoeld in het vijfde lid en over de wijze van compensatie als bedoeld in het achtste lid, aanhef en onderdeel c.
11.Gedeputeerde Staten kunnen de kernkwaliteiten zoals opgenomen in Bijlage 6 wijzigen."
Bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied - Huizerstraatweg 113 b, Naarden"
Artikel 3.1 luidt:
"De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
c. tuinen bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen;
d. ter plaatse van de aanduiding 'Natuur' tevens voor de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden zoals toegekend in het kader van de Natuurnetwerk Nederland;
met bijbehorende aan- en uitbouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en parkeervoorzieningen."
Artikel 3.2.4 luidt:
"Het oprichten van gebouwen binnen de aanduiding 'Natuur' is niet toegestaan. Tevens zijn deze gronden niet aan te merken als achtererfgebied zoals bedoeld in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht."
Artikel 3.3.1 luidt:
"Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:
a. het aanleggen of verharden van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
b. het ontginnen, aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;
c. het aanleggen van dijken of andere taluds en het vergraven of ontgraven van reeds aanwezige dijken of taluds;
d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
e. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en aanlegplaatsen;
f. het aanleggen van boven- of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
g. het verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting alsmede het verwijderen van oevervegetaties."