202404100/1/R4.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd in [plaats] en anderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 mei 2024 in zaak nr. 22/5922 in het geding tussen:
[appellante] en anderen
en
het college van burgemeester en wethouders van Hilversum.
Procesverloop
Bij besluit van 27 oktober 2021 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een omgevingsvergunning voor het gebruik van een monumentaal kantoorpand als woonhuis op het adres [locatie] in Hilversum afgewezen.
Bij besluit van 21 november 2022 heeft het college het door [persoon A] en [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het door [persoon B] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij tussenuitspraak van 12 december 2023 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het college in de gelegenheid gesteld een in die uitspraak geconstateerd gebrek aan het besluit van 21 november 2022 te herstellen.
Bij besluit van 13 februari 2024 heeft het college de onderbouwing van het besluit van 21 november 2022 aangevuld.
[appellante] en anderen hebben een zienswijze gegeven.
Bij uitspraak van 15 mei 2024 (de einduitspraak) heeft de rechtbank het door [appellante] en anderen tegen het besluit van 21 november 2022 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
Tegen de einduitspraak hebben [appellante] en anderen hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellante] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2026, waar [appellante], [persoon A] en [persoon B], respectievelijk vertegenwoordigd en bijgestaan door mr. T.A. Phijffer, advocaat in Amsterdam, en mr. J.R. Dobbelsteijn Bisschops, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. Hoogenboom en N. Muijsert, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 16 september 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellante] is de beheerder van het pand aan de [locatie] en heeft een aanvraag ingediend om het pand te verbouwen naar een woonhuis met kantoorruimte. Deze verbouwing is in strijd met het bestemmingsplan. Op grond van het bestemmingsplan "Noordwestelijk Villagebied" rust op de gronden de bestemming "Kantoordoeleinden". Volgens de bestemmingsregels mag in het pand niet worden gewoond.
3. Het college heeft de bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van een bestemmingsplan. Uit artikel 2.12 van de Wabo volgt dat de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
4. Het college vindt de aanvraag in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Uit het coalitieakkoord 2018-2020 volgt dat er voldoende werklocaties moeten blijven in Hilversum. In beginsel verleent het college geen medewerking aan transformatie van kantoorvilla's met economisch toekomstperspectief. Het economisch toekomstperspectief wordt bepaald door onder meer de ligging ten opzichte van andere villa's en kantoren, de bereikbaarheid, de zichtbaarheid en de nabijheid van centrumvoorzieningen. Het pand aan de [locatie] heeft als kantoor economisch toekomstperspectief. Daarom heeft het college de aanvraag afgewezen. Dit besluit heeft het in bezwaar gehandhaafd.
Tussenuitspraak van de rechtbank
5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het besluit van 21 november 2022 onvoldoende heeft gemotiveerd, dat het geen kenbare belangenafweging heeft gemaakt en dat het onvoldoende is ingegaan op panden die volgens [appellante] en anderen vergelijkbaar zijn, die wel zijn omgezet naar wonen. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak het college in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen.
Aanvullende motivering
6. In de aanvullende motivering is het college ingegaan op de door de rechtbank genoemde onderdelen. Allereerst heeft het uiteengezet waar het uitganspunt dat kantoorlocaties behouden moeten blijven uit volgt. Dit volgt uit de economische visie uit 2007, de structuurvisie uit 2014 en het stuk Economisch perspectief 2040. In het stuk Economisch perspectief 2040 staat: "Voor de bedrijventerreinen en de informele werklocaties ligt er een ruimtebehoefte waar Hilversum nu nog niet in voorziet. Hier ligt nog een aanvullende opgave." Het college heeft toegelicht dat voor 2018 het aanbod van kantoorvilla's zodanig ruim was dat er met regelmaat medewerking werd verleend aan omzetting van het gebruik naar wonen op de locaties waar een kantoorvilla een bestemming kantoordoeleinden had. Ook door de uitloop van de economische crisis van 2008 was er geen tekort aan deze kantoren in het segment. In 2017 werd een trend zichtbaar dat de leegstandscijfers dalende waren. Hieruit is de conclusie getrokken dat omzetting niet meer wenselijk was binnen dit segment.
6.1. De cijfers over vraag en aanbod heeft het college gehaald uit de Monitor Economie 2021 en de Monitor Economie 2023. Uit de Monitor Economie 2021 blijkt dat van de kantorenleegstand van 10% slechts 5,9% courant is en uit de tabel op pagina 19 van deze Monitor blijkt dat de leegstand van informele werklocaties een afnemende trend (3,2 — 4,2 %) laat zien. Deze ingezette lijn wordt volgens het college bevestigd in de cijfers van de Monitor Economie 2023. Omzetting van de kantoorfunctie naar een ander gebruik is ongewenst wanneer leegstandspercentages onder de gezonde norm van frictieleegstand van 8% komen. Vanwege de dalende trend in het gehele beschikbare kantooraanbod is volgens het college ook sprake van een dalende trend in het segment kantoorvilla's. Uit de door [appellante] en anderen overgelegde Monitor werklocaties Noord-Holland 2021-2022 kan volgens het college niet worden afgeleid dat de hiervoor genoemde leegstandscijfers niet juist zijn. In dit stuk zijn alleen cijfers opgenomen voor de hele provincie Noord-Holland en voor de hele Gooi- en Vechtstreek.
6.2. Bij de belangenafweging heeft het college meegewogen dat het gebruik van het pand als kantoorpand een langere historie heeft dan het oorspronkelijke gebruik als woning. Omzetting van dit pand heeft maar een geringe invloed op de totale hoeveelheid m2 aan kantoorruimte binnen dit segment, maar precedentwerking kan ertoe dat het segment uiteindelijk toch aanzienlijk kleiner zal worden. De monumentale status hoeft niet in de weg te staan aan het gebruik van het pand als kantoor. [appellante] en anderen hebben niet onderbouwd waarom het niet rendabel is om het pand aan de arbo-eisen te laten voldoen. Er is subsidie beschikbaar voor monumentale panden.
6.3. Het college heeft de door [appellante] en anderen genoemde andere panden onderzocht en per pand een toelichting gegeven waarom deze niet vergelijkbaar zijn met het pand aan de [locatie].
Einduitspraak rechtbank
7. In de einduitspraak is de rechtbank eerst ingegaan op het door het college gehanteerde uitgangspunt. Het college heeft de economische visie uit 2007 en de structuurvisie uit 2013 niet eerder genoemd en niet duidelijk gemaakt hoe deze stukken in de beoordeling zijn betrokken. Daarom heeft de rechtbank deze twee stukken niet meegenomen in de beoordeling. Van het stuk Economisch perspectief 2040 is onduidelijk wat de status is, maar het college kan dit stuk wel betrekken bij de beoordeling van de aanvraag.
7.1. De conclusie van het college dat de leegstand van kantoorvilla's afneemt kan naar het oordeel van de rechtbank op basis van de leegstandscijfers over informele werklocaties in de Monitor Economie 2021 niet zonder meer worden getrokken, omdat de informele werklocaties betrekking hebben op alle typen bedrijfspanden en niet alleen op kantoorvilla’s. Met de verwijzing naar de leegstandscijfers in de Monitor Economie 2023, die ook betrekking heeft op 2022, is naar het oordeel van de rechtbank wel voldoende toegelicht dat de trend van afnemende kantorenleegstand is bevestigd, dat er in 2022 een grote vraag was naar informele kantoorlocaties, waaronder kantoorvilla's, en dat het aanbod daalt. Ook de leegstandscijfers in de Monitor 2023 zijn weliswaar niet uitgesplitst, zodat geen specifieke leegstandcijfers beschikbaar zijn voor informele kantoorlocaties, maar de rechtbank acht aannemelijk dat een steeds kleiner wordend aanbod in kantoorpanden leidt tot een toename van de druk op informele kantoorlocaties zoals kantoorvilla's. De rechtbank acht daarbij van belang dat uit de Monitor Economie 2023 blijkt dat er in 2022 een substantieel deel van het kantorenaanbod is verdwenen vanwege omzetting naar andere functies zoals wonen. Het college heeft daarom volgens de rechtbank bij de beoordeling van de aanvraag het behoud van informele kantoorlocaties, waaronder kantoorvilla's, als uitgangspunt kunnen hanteren.
7.2. De belangenafweging van het college vindt de rechtbank nu voldoende. Ook is de rechtbank van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Het college is op het pand aan de Steijnlaan 14 niet ingegaan in zijn aanvullende motivering. Over dat pand hebben [appellante] en anderen zelf informatie overgelegd. Daaruit blijkt dat dat pand voor de beleidswijziging in 2018 naar wonen was omgezet. Ook dat pand is dus niet vergelijkbaar.
Toetsingskader in hoger beroep
8. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
Mag het college als uitgangspunt hanteren dat kantoren niet worden omgezet naar woningen?
9. [appellante] en anderen betogen dat het uitgangspunt van het college om wonen in kantoorvilla’s niet toe te staan in strijd is met de uitgangspunten van het bestemmingsplan. Uit de in artikel 10 van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan opgenomen beschrijving in hoofdlijnen volgt namelijk dat het uitgangspunt is om de woonfunctie te handhaven en waar mogelijk te versterken. Dit is ook als motivering gebruikt in een in 2016 verleende vergunning voor omzetting van een kantoorvilla. Verder voeren ze aan dat de economische visie uit 2007 en structuurvisie uit 2013 te vage termen hanteren om een uitgangspunt op te baseren en dat de status van het stuk Economisch perspectief 2040 onduidelijk is. De rechtbank is ten onrechte meegegaan in het uitgangspunt van het college, aldus [appellante] en anderen.
9.1. Vanaf 2018 is het uitgangspunt van het college gewijzigd. Hilversum wil een prettige woon- én werkstad zijn. Dat betekent dat er ook voldoende plek voor werken beschikbaar moet zijn. Die ruimte voor werken wordt behouden door, sinds het coalitieakkoord van 2018, terughoudend te zijn met het transformeren van werklocaties naar andere functies, zoals wonen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college dit uitgangspunt heeft kunnen baseren op het stuk Economisch perspectief 2040. De andere genoemde stukken heeft de rechtbank niet meegenomen. Dat hierin volgens [appellante] en anderen vage termen staan, is dus ook niet relevant. In hoger beroep heeft het college het raadsbesluit van 21 april 2021 overgelegd, waarin het stuk Economisch perspectief 2040 is vastgesteld. De rechtbank had overigens al terecht geoordeeld dat het stuk, ook met een onduidelijke status, door het college betrokken mag worden bij het invullen van zijn beleidsruimte. De algemene tekst in de beschrijving in hoofdlijnen en de toelichting daarop in het uit 2010 daterende bestemmingsplan betekent niet dat het college dit uitgangspunt niet mag hanteren. Een motivering in een vergunning die in 2016 is verleend is in dit kader niet meer relevant.
9.2. Het betoog slaagt niet.
Mag het uitgangspunt ook gelden bij de kantoorvilla?
9.3. [appellante] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het uitgangspunt van toepassing mag zijn op het pand. Een algemene afname van leegstand van kantoren betekent niet automatisch dat ook de leegstand van kantoorvilla’s afneemt. De cijfers waar het college naar verwijst, met name afkomstig uit de Monitor Economie 2021 en 2023, zijn niet uitgesplitst voor kantoorvilla’s en niet voor de specifieke locatie en daarom kan daaruit niet die conclusie worden getrokken. In het algemeen daalt de vraag naar kantoorruimte al jaren. Ze onderbouwen dit met het rapport Leegstandsimpact hybride werken te overzien door wendbaarheid Nederlandse kantorenmarkt uit oktober 2023 van CBRE. Ze wijzen erop dat ook in het stuk Economisch perspectief 2040 staat dat steeds meer wordt thuisgewerkt en dat een groot deel van de benodigde vierkante meters op informele werklocaties gevonden kan worden in woningen. Ook wijzen ze op tabel 4.2, waarin het aantal verhuisde Hilversumse bedrijven tussen 2011 en 2020 staat. Daaruit blijkt dat in de sector Financiële en zakelijke dienstverlening en Media & ICT de meeste bedrijven zijn verhuisd. Dit is juist de doelgroep voor de kantoorvilla. In het stuk staat weliswaar dat er een additionele ruimtevraag is naar onder andere informele werklocaties, maar dit betreft een ruwe schatting en de trend van meer thuiswerken is gekomen na de totstandkoming van het stuk. In de Monitor werklocaties Noord-Holland 2021-2022 staat dat de toename van banen in woningen fors toenam en dat de kantorenmarkt in Noord-Holland in balans is. Verder wijzen [appellante] en anderen erop dat de werkgelegenheid op informele werklocaties sterk is teruggelopen.
Verder heeft een stedenbouwkundige voor [appellante] en anderen aantekeningen gemaakt. Hij heeft opgemerkt dat in het stuk Economisch perspectief 2040 staat dat het huidige aanbod niet alle vraag naar kantooroppervlak kan accommoderen en dat dit te maken kan hebben met de courantheid van het aanbod. Deze kantoorvilla is volgens de stedenbouwkundige niet courant en daarom kan gezegd worden dat het nauwelijks een bijdrage levert aan het gevraagde kantooroppervlak. [appellante] en anderen stellen dat hun pand slecht verhuurbaar is doordat het niet in goede staat verkeert. De huurprijzen zijn lager dan gemiddeld en er is veel verloop van huurders. Het pand moet worden opgeknapt om aan de arbo-eisen te voldoen, maar dat kost tonnen. Als zij het pand voor wonen kunnen gebruiken, lopen ze niet aan tegen deze kosten, omdat ze dan zelf keuzes kunnen maken over wat ze wanneer renoveren.
Tot slot hebben [appellante] en anderen een rapport van Brainbay over het aanbod kantoren in de regio Hilversum in 2025, een overzicht van te huur staande objecten, een analyse van de structurele leegstand in de regio Hilversum sinds 2022 van ChatGPT en een overzicht van het actuele aanbod van kantoren in de regio Hilversum overgelegd.
9.4. De Afdeling volgt dit betoog niet. In het algemeen blijkt uit de stukken dat de leegstand van kantoorpanden daalt. Zo staat in het CBRE-rapport waar [appellante] en anderen naar verwijzen op pagina 4 dat hybride werken nog nauwelijks invloed heeft op kantorenleegstand. Sinds eind 2019 wordt een forse daling gezien van de leegstand in nagenoeg alle Nederlandse kantorenregio’s. In de Monitor Werklocaties Noord-Holland 2021-2022 staat dat de kantorenmarkt stabiel is. Deze conclusies gaan over respectievelijk de G5-gemeenten, waar Hilversum niet onder valt, en de provincie Noord-Holland. Hieraan kan dus maar beperkte waarde worden gehecht. Het stuk Economisch perspectief 2040 en de Monitor Economie 2021 en 2023 gaan over alleen Hilversum en daarom heeft het college daar meer waarde aan mogen hechten. In het stuk Economisch perspectief 2040 wordt een banengroei realistisch geacht en wordt daarom een additionele ruimtevraag naar informele werklocaties verwacht. Er wordt benoemd dat in de toekomst waarschijnlijk vaker zal worden thuisgewerkt, maar desondanks ruimte nodig blijft en wordt in het stuk benadrukt dat ruimte voor werklocaties moet worden behouden. Over de werkgelegenheid wordt opgemerkt dat deze krimpt, zoals [appellante] en anderen schrijven, maar dat wordt juist veroorzaakt doordat er te weinig ruimte is voor ondernemen.
9.5. In het stuk Economisch perspectief 2040 en in de Monitor Economie 2021 en 2023 wordt vraag en aanbod van kantoorvilla’s niet afzonderlijk beoordeeld. De rechtbank heeft dat ook onderkend. Anders dan [appellante] en anderen betogen, leidt dat niet tot het oordeel dat van kantoorvilla’s niet gezegd kan worden dat het van belang is deze te behouden om tegemoet te komen aan de verwachte vraag naar kantoorlocaties. Het is aannemelijk dat een steeds kleiner wordend aanbod van kantoorpanden, waaronder ook informele werklocaties, ook leidt tot een toename van de druk op kantoorvilla's, zoals de rechtbank ook heeft overwogen. De cijfers over 2025 die Van Vinken B.V. en anderen hebben overgelegd zijn niet relevant, omdat die niet iets zeggen over het moment waarop getoetst moet worden, namelijk het moment van de besluitvorming. De analyse van ChatGPT, voor zover deze al meegenomen kan worden, bevestigt juist dat de leegstand van kantoren laag is in die periode.
9.6. Het standpunt dat dit pand door zijn incourantheid niet tegemoet zou kunnen komen aan de vraag naar kantoorlocaties wordt evenmin gevolgd. Zoals het college in zijn verweerschrift schrijft, kunnen [appellante] en anderen hun pand renoveren waardoor het wel courant wordt. Dit zal ook nodig zijn als het pand wordt gebruikt om in te wonen. Eigenaren zijn zelf verantwoordelijk voor het onderhoud van hun pand. Over de lage huurprijzen en het verloop van de huurders hebben zij in hun beroepschrift verklaard dat de huurders opzegbare kortlopende of tijdelijke huurcontract hebben vanwege het plan om in het pand te gaan wonen. Als goedmaker voor de kortlopende huur wordt een lage huurprijs gevraagd. De huurprijzen en het verloop komen dus niet, of in ieder geval niet uitsluitend, door de staat van het pand.
9.7. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande terecht geoordeeld dat het college ook bij deze kantoorvilla het uitgangspunt mag hanteren dat deze niet wordt omgezet naar een woonfunctie.
9.8. Het betoog slaagt niet.
Belangenafweging
10. [appellante] en anderen vinden dat de rechtbank had moeten oordelen dat aan hun belang bij toekennen van een woonfunctie een groter gewicht had moeten worden toegekend dan aan het belang van het college bij behoud van kantoren. Zij willen het pand in oude luister herstellen. Het is namelijk als woonvilla gebouwd. Dat het een lange tijd als kantoor in gebruik is, doet niet af aan de oorsprong als woning. Het is aangewezen als gemeentelijk monument. De afwijzing van de aanvraag heeft tot gevolg dat zij hoge kosten moeten maken om het pand aan de arbo-eisen te laten voldoen, die zij beter kunnen spreiden als zij het pand mogen omzetten naar wonen. De vrees voor precedentwerking is ongefundeerd. Het college heeft daarvoor geen bewijs overgelegd.
10.1. De grond die [appellante] en anderen over de belangenafweging in hoger beroep hebben aangevoerd is zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die grond ingegaan. [appellante] en anderen hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die grond in de einduitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank.
10.2. Het betoog slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
11. [appellante] en anderen betogen dat de rechtbank had moeten verlangen dat het college zijn stellingen over de genoemde vergelijkbare woningen met bewijs onderbouwde. Het college is niet ingegaan op de Steijnlaan 14. Ten aanzien van de Koninginneweg 10 wordt door het college gesteld dat het een woonbestemming heeft terwijl uit de verleende vergunningsstukken blijkt dat er sprake was van omzetting van kantoor naar wonen.
11.1. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien om aan de omschrijving van het college over de door [appellante] en anderen genoemde vergelijkbare panden te twijfelen. De Koninginneweg 10 is een voormalig kantoorpand van de gemeente Hilversum. In een vergunningaanvraag uit 2012 staat omschreven dat het pand van gemeentekantoor de functie woonhuis krijgt. Het college heeft hierover geschreven dat dit adres al in 2010 een woonbestemming heeft gekregen binnen het bestemmingsplan Noordwestelijk Villagebied. Wat er ook van zij dat dit pand is omgezet, dit was voor 2018 en dus voor de beleidswijziging. Daarmee is dit geen gelijk geval. Over de Steijnlaan 14 heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat ook dit geen gelijk geval is, omdat de omgevingsvergunning is verleend voor de beleidswijziging.
11.2. Het betoog slaagt niet.
Verzoek om schadevergoeding
12. Op de zitting hebben [appellante] en anderen gewezen op de lange duur van de procedure en gevraagd om een vergoeding.
12.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
12.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellante] en anderen ontvangen op 7 december 2021. De redelijke termijn is in deze procedure dus met ruim 10 maanden overschreden. Deze overschrijding moet aan het college en de Afdeling worden toegerekend. De overschrijding moet voor 2/3e deel aan het college en voor 1/3e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
12.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.000,00. Daarbij wordt opgemerkt dat [appellante] samen met [partij] A en [partij] B] procedeert, waarin de Afdeling in dit geval aanleiding ziet om het bedrag te matigen. Dat betekent dat aan hen samen in totaal een bedrag van € 1.000,00 wordt toegekend. Deze matiging acht de Afdeling redelijk vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lange procedure.
Conclusie
13. Het hoger beroep van [appellante] en anderen is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank van 24 mei 2024 voor zover aangevallen. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
14. Het verzoek om schadevergoeding wordt toegewezen. Het college en de Staat (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) moeten de proceskosten van het verzoek vergoeden, beide voor de helft. De Afdeling rekent daarvoor 1 punt met een wegingsfactor van 0,5.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank van 15 mei 2024, voor zover aangevallen;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding toe;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hilversum om aan [appellante] en anderen een schadevergoeding van € 666,67 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen, het college aan zijn verplichting heeft voldaan;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellante] en anderen een schadevergoeding van € 333,33 te betalen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen, de Staat aan zijn verplichting heeft voldaan;
V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hilversum tot vergoeding van bij [appellante] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
VI. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij [appellante] en anderen in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 233,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, de Staat aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Greben, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Greben
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
1210