202600740/1/A2.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
en
het College van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 21 oktober 2025 heeft de examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid het verzoek van [appellant] om bij tentamens gebruik te mogen maken van voorleessoftware en een digitale wettenbundel tijdens tentamens afgewezen en zijn verzoek voor extra tentamentijd toegewezen.
Bij beslissing van 20 februari 2026 heeft het CBE het administratief beroep van [appellant] gegrond verklaard voor zover dat de afwijzing van het gebruik van voorleessoftware betrof, het beroep inzake de digitale wettenbundel ongegrond verklaard en bepaald dat de examencommissie binnen twee weken na verzending van deze beslissing met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuwe beslissing neemt op het verzoek.
Tegen de beslissing van het CBE van 20 februari 2026 heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. G.T.P.J. Bremmers, advocaat in Sittard, en het CBE, vertegenwoordigd door mr. A. van der Weerd-Kramer, zijn verschenen. Ook is de examencommissie, vertegenwoordigd door prof. dr. A.F. Salomons, op de zitting gehoord.
Ter zitting is afgesproken dat de zaak wordt aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen tot overeenstemming te komen. Het CBE en [appellant] hebben de Afdeling meegedeeld dat geen overeenstemming is bereikt, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.
Overwegingen
Inleiding
1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
2. [appellant] volgt sinds 1 september 2025 de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam. Hij heeft bij de examencommissie vanwege zijn Non-Verbal Learning Disabilities (NLD) verschillende tentamenvoorzieningen aangevraagd. NLD is een visueel-motorische functiebeperking die problemen geeft bij het verwerken van informatie die niet door middel van gesproken taal wordt aangeboden.
Besluitvorming
3. Bij beslissing van 20 oktober 2025 heeft de examencommissie het verzoek van [appellant] om gebruik te maken van een digitale wettenbundel afgewezen, omdat het leren werken met wettenbundels en het doorgronden van de systematiek hiervan een van de pijlers gedurende de hele rechtenstudie is. Daarnaast biedt gebruik van een digitale wettenbundel volgens de examencommissie een niet te rechtvaardigen voordeel tegenover andere studenten.
4. Bij beslissing van 20 februari 2026 heeft het CBE het administratief beroep tegen de afwijzing van het verzoek om het gebruik van een digitale wettenbundel ongegrond verklaard. Het CBE heeft daartoe overwogen dat [appellant] met de overgelegde verklaring van 25 januari 2016 aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een functiebeperking, maar dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat de examencommissie het verzoek had moeten toewijzen. Uit de verklaring van 2016 en het overgelegde intelligentieonderzoek uit 2022 volgt namelijk niet welke concrete belemmeringen [appellant] ervaart en dat het gebruik van een digitale wettenbundel met zoekfunctie hiervoor een passende voorziening is. Het gebruik van een digitale wettenbundel met zoekfunctie tijdens tentamens, zonder dat is gebleken dat dit noodzakelijk is om bepaalde belemmeringen weg te nemen, levert een onevenredig voordeel op ten opzichte van andere studenten en doet afbreuk aan de kwaliteit van het getuigschrift. In de artikelen B-2.1 en B-2.1a van de Onderwijs- en Examenregeling van de faculteit Rechtsgeleerdheid (de OER) is per rechtsgebied aangegeven dat een doel en eindterm van de opleiding is dat de afgestudeerde grondige kennis en inzicht heeft in de belangrijkste onderdelen van het rechtsgebied en de systematiek daarvan. Gelet hierop mocht de examencommissie bij haar beslissing betrekken dat het leren werken met een wettenbundel een belangrijk onderdeel is van het begrijpen van de systematiek van het recht en dat een doorzoekbare wettenbundel om die reden de eindtermen van de opleiding raakt.
5. Na kennisname van de beslissing van het CBE heeft de examencommissie bij beslissing van 17 februari 2026 het gebruik van voorleessoftware toegewezen, maar de afwijzing van de digitale wettenbundel gehandhaafd. De examencommissie is van oordeel dat de overgelegde verklaring van de huisarts van 27 januari 2026 onvoldoende aantoont wat de medische beperking van [appellant] inhoudt en welke voorzieningen daarvoor getroffen zouden moeten worden.
Beroep
6. [appellant] betoogt dat het CBE ten onrechte voorbij is gegaan aan de aanvullende overgelegde verklaring van zijn huisarts van 27 januari 2026 en de verklaring van een GZ-psycholoog van 4 april 2026 en van 10 april 2026. Uit deze verklaringen volgt duidelijk de aanbeveling om hem vanwege zijn functiebeperking zijn tentamens met een digitale wettenbundel met zoekfunctie te laten afleggen. Met alle overgelegde medische documenten, afzonderlijk, dan wel in samenhang bezien, heeft hij concreet aannemelijk gemaakt wat zijn medische beperking is en welke voorzieningen getroffen dienen te worden om zijn beperking te compenseren. Het gebruik van een digitale wettenbundel, met opzoekfunctie, levert hem daarom geen onevenredig voordeel op.
7. [appellant] heeft op 16 maart 2026 verzocht om mondelinge afname van tentamens en extra tentamenkansen voor tentamens die hij eerder heeft afgelegd zonder de voorzieningen. De examencommissie heeft op 30 maart 2026 in reactie daarop aangegeven dat geen grond bestaat voor de toewijzing van die verzoeken. [appellant] stelt in zijn beroepschrift dat uit wat hij daarin naar voren heeft gebracht volgt dat zijn verzoeken toegewezen hadden moeten worden.
Beoordeling van het beroep
7.1. De Afdeling stelt voorop dat het verzoek van 16 maart 2026 van [appellant] om mondelinge afname van tentamens en extra tentamenkansen en de daaropvolgende reactie van de examencommissie van 30 maart 2026 buiten de omvang van deze procedure valt.
7.2. Vast staat dat [appellant] een functiebeperking heeft. Tussen partijen is in geschil of een digitale wettenbundel met zoekfunctie een passende en doeltreffende voorziening is voor zijn beperking en of [appellant] door het toestaan van het gebruik van een doorzoekbare wettenbundel niet meer voldoet aan de eindtermen van de opleiding.
7.3. In de verklaring van zijn huisarts van 27 januari 2026 en de verklaring van de GZ psycholoog van 4 april 2026 en van 10 april 2026 is geconstateerd dat [appellant] de functiebeperking NLD heeft en welke concrete belemmeringen hij daardoor in zijn studie ondervindt. Hierin wordt vastgesteld dat de voorziening om bij tentamens gebruik te maken van een digitale wettenbundel met zoekfunctie noodzakelijk is om zijn functiebeperkingsbelemmeringen weg te nemen. Verder is door de
GZ-psycholoog bevestigd dat gegeven de beperking van [appellant] het gebruik van een digitale wettenbundel geen voordeel oplevert ten opzichte van andere studenten, maar hem juist gelijktrekt met andere studenten. De examencommissie noch het CBE heeft enig (medisch) stuk overgelegd dat aan deze verklaringen afbreuk doet. Het CBE is daarom de examencommissie ten onrechte gevolgd dat het gebruik van een doorzoekbare wettenbundel voor [appellant] geen passende en doeltreffende voorziening is.
7.4. Het standpunt van het CBE dat als [appellant] wordt toegestaan gebruik te maken van een doorzoekbare wettenbundel hij niet meer voldoet aan de eindtermen van de opleiding volgt de Afdeling niet. Het gebruik moeten kunnen maken van een niet doorzoekbare (papieren) wettenbundel is niet expliciet in de OER genoemd als een eindterm of doel van de opleiding. In dergelijk geval ligt het op de weg van het CBE om aannemelijk te maken dat de eindtermen in gevaar komen als [appellant] tijdens de opleiding niet heeft geleerd om zonder hulpmiddelen informatie uit wettenbundels te halen. Daar is het CBE niet in geslaagd. Gegeven de functiebeperking van [appellant] valt niet in te zien dat het gebruik van een doorzoekbare digitale wettenbundel in zijn geval dermate verschilt van een reguliere wettenbundel met trefwoordenregister dat het afwijzing van het verzoek rechtvaardigt.
Conclusie
8. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt de beslissing van het CBE van 20 februari 2026, voor zover bestreden. De Afdeling verklaart het administratief beroep gegrond voor zover dit de afwijzing van het verzoek van [appellant] betreft om gebruik te mogen maken van een digitale wettenbundel tijdens tentamens, vernietigt de beslissing van de examencommissie van 17 februari 2026 in zoverre en veroordeelt de examencommissie tot vergoeding van de door [appellant] in administratief beroep gemaakte proceskosten. De Afdeling draagt de examencommissie verder op om binnen een nader te stellen termijn met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen en [appellant] daarbij in staat te stellen voor zijn tentamens gebruik te maken van een doorzoekbare digitale wettenbundel.
9. Het CBE moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt de beslissing van het College van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam van 20 februari 2026, voor zover dit de afwijzing van het verzoek van [appellant] betreft om gebruik te mogen maken van een digitale wettenbundel tijdens tentamens;
III. verklaart het administratief beroep in zoverre gegrond;
IV. vernietigt de beslissing van de examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam van 20 februari 2026 in zoverre;
V. draagt de examencommissie op binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een beslissing te nemen met inachtneming van wat de Afdeling heeft overwogen;
VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de onder II vermelde beslissing;
VII. veroordeelt de examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het administratief beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 666,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand;
VIII. veroordeelt het College van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IX. gelast dat het College van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 54,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. J.J.W.P. van Gastel en mr. J.C.A. de Poorter, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
284-1180
BIJLAGE
Wettelijk kader
Onderwijs- en Examenregeling van de faculteit Rechtsgeleerdheid
Artikel B-2.1 - Doel en eindtermen van de opleiding Rechtsgeleerdheid
1. Met de bacheloropleiding wordt beoogd:
a. het verwerven van grondige kennis van en inzicht in het navolgende lid bedoelde rechtsgebieden;
b. het verwerven van de vaardigheid om complexe juridische problemen te analyseren, te evalueren en op te lossen;
c. het verwerven van academische vaardigheden op het gebied van schrijven, spreken en het doen van onderzoek en het ontwikkelen van een zelfstandige en kritische leerhouding.
[…]
Artikel 6.6 - Studenten met een functiebeperking of chronische ziekte
1. Een student met een functiebeperking of chronische ziekte kan een schriftelijk verzoek indienen voor noodzakelijke aanpassingen in het onderwijs en tentamens. Deze aanpassingen worden zoveel mogelijk op de individuele functiebeperking van de student afgestemd, maar mogen de kwaliteit of moeilijkheidsgraad van een onderwijseenheid of een tentamen niet wijzigen. In alle gevallen zal de student moeten voldoen aan de eindtermen van de opleiding.
2. Op verzoeken voor aanpassingen die de onderwijsvoorzieningen betreffen, beslist de decaan of namens deze de onderwijsdirecteur. Studenten die speciale onderwijsvoorzieningen nodig hebben, dienen dit verzoek in conform de procedure ‘Functiebeperking’ zoals vermeld op de studentenwebsite.
3. Op verzoeken voor tentamenvoorzieningen beslist de studentendecaan namens de Examencommissie. De studentendecaan geeft de geldigheidsduur van het besluit aan. Ingeval van een chronische beperking of ziekte kan de geldigheidsduur van het besluit onbeperkt zijn. Een student kan binnen zes weken na bekendmaking van de beslissing zoals afgegeven door de studentendecaan in beroep gaan bij het College van Beroep voor de Examens (CBE). De student kan binnen deze termijn ook contact opnemen met de Examencommissie voor een heroverweging van de beslissing, maar dit zal de beroepstermijn bij het CBE niet opschorten.
4. De procedure voor het indienen van een verzoek is bekendgemaakt op de studentenwebsite. Als een student gebruik wil maken van een door de studentendecaan toegekende tentamenvoorziening, dan dient de student tentamengerechtigd te zijn. De tentamenvoorziening dient uiterlijk tien werkdagen voor het tentamen te zijn geregistreerd in SIS.
5. Een verzoek tot aanpassing conform lid 1 t/m 4 kan slechts dan worden afgewezen, wanneer toekenning ervan een buitenproportioneel beslag legt op de organisatie of de middelen van de faculteit of universiteit.