202600219/1/A2.
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 9 januari 2026 in zaken nrs. 21/2894 en 22/3072 in het geding tussen:
[appellant]
en
Dienst Toeslagen.
Openbare zitting gehouden op 2 oktober 2026 om 11:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer
griffier: mr. C. Kouidar
Verschenen:
Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigden].
====================================
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 9 januari 2026 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarbij de beroepen van [appellant] tegen de herziene besluiten van 3 november 2022 en 12 oktober 2022 ongegrond zijn verklaard.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering:
1. De Dienst Toeslagen heeft aan [appellant] voor het jaar 2019 voorschotten huur- en zorgtoeslag toegekend. Vanwege een latere wijziging in de Basisregistratie inkomen (Bri) heeft de Dienst Toeslagen de zorgtoeslag voor het jaar 2019 definitief berekend op € 1.169 en hij heeft € 1.210 teruggevorderd. De huurtoeslag voor het jaar 2019 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld op nihil en hij heeft € 2.920 teruggevorderd.
2. Uit wat [appellant] in hoger beroep naar voren heeft gebracht, is niet gebleken dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. Uit artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag volgt dat het recht op en de hoogte van de huurtoeslag afhankelijk is van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen van de huurder en medebewoners. Volgens artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) wordt onder medebewoner verstaan: de persoon die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp) als de belanghebbende, behoudens een aantal aldaar opgesomde uitzonderingen. Die uitzonderingen doen zich in dit geval niet voor. De zoon van [appellant] stond voor het toeslagjaar 2019 ingeschreven in de Brp op het adres van [appellant]. Weliswaar blijkt uit de naderhand overgelegde pagina’s van het paspoort dat de zoon van [appellant] regelmatig naar China is gereisd, maar daaruit volgt niet dat de zoon van [appellant] niet feitelijk woonde op het in de Brp geregistreerde adres. Daarom moest de Dienst Toeslagen het inkomen van de zoon van [appellant] betrekken bij de draagkrachtberekening.
3. Verder is de Dienst Toeslagen terecht uitgegaan van het verzamelinkomen zoals dat volgt uit de Bri op basis van de aanslag inkomstenbelasting van de inspecteur van de Belastingdienst. Daarbij is van belang dat, indien het door [appellant] aangewende rechtsmiddel tegen de aanslag inkomstenbelasting slaagt en het inkomen wordt gewijzigd, de Dienst Toeslagen op grond van artikel 20, eerste lid, van de Awir, verplicht is om de toeslagen met inachtneming van die wijziging te herzien.
4. De overige klachten van [appellant] over onder meer het telefonisch contact met de Dienst Toeslagen kunnen niet tot de conclusie leiden dat de Dienst Toeslagen ten onrechte is overgegaan tot terugvordering van de te veel betaalde voorschotten aan huur- en zorgtoeslag. De betogen slagen niet.
5. Het hoger beroep is ongegrond.
6. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Kouidar
griffier
1120