ECLI:NL:RVS:2026:5955

ECLI:NL:RVS:2026:5955

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 08-10-2026
Zaaknummer 202403489/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij afzonderlijke besluiten van 17 november 2021 heeft de Dienst Toeslagen, voor zover van belang, geweigerd aan [appellant] een compensatie toe te kennen voor de jaren 2007 tot en met 2010.[appellant] heeft op 4 december 2019 verzocht om een herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag. Bij besluit van 26 mei 2021 is aan hem een compensatie van € 30.000,00 toegekend op grond van de zogenoemde Catshuisregeling. Bij besluit van 29 juni 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellant] een compensatie van € 9.002,00 toegekend vanwege vooringenomen handelen in de maanden november en december 2006. Omdat al een voorlopig compensatiebedrag van € 30.000,00 aan [appellant] is toegekend, heeft hij hiervoor geen aanvullend bedrag uitbetaald gekregen.

Uitspraak

202403489/1/A2.

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 april 2024 in zaak nr. 23/4895 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Dienst Toeslagen.

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 17 november 2021 heeft de Dienst Toeslagen, voor zover van belang, geweigerd aan [appellant] een compensatie toe te kennen voor de jaren 2007 tot en met 2010.

Bij besluit van 14 juni 2023 heeft de Dienst Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Dienst Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 maart 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Nieuwstraten, advocaat in Rotterdam, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst om nadere inlichtingen van Dienst Toeslagen te verkrijgen.

De Dienst Toeslagen heeft inlichtingen verschaft.

[appellant] en de Dienst Toeslagen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak opnieuw op een zitting behandeld op 4 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Nieuwstraten, advocaat in Rotterdam, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde C], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de Dienst Toeslagen wordt hierna ook verstaan: diens rechtsvoorganger de Belastingdienst/Toeslagen.

2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

3. [appellant] heeft op 4 december 2019 verzocht om een herbeoordeling van zijn recht op kinderopvangtoeslag. Bij besluit van 26 mei 2021 is aan hem een compensatie van € 30.000,00 toegekend op grond van de zogenoemde Catshuisregeling. Bij besluit van 29 juni 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellant] een compensatie van € 9.002,00 toegekend vanwege vooringenomen handelen in de maanden november en december 2006. Omdat al een voorlopig compensatiebedrag van € 30.000,00 aan [appellant] is toegekend, heeft hij hiervoor geen aanvullend bedrag uitbetaald gekregen.

4. Bij het besluit van 17 november 2021 heeft de Dienst Toeslagen geweigerd aan [appellant] voor de jaren 2007 tot en met 2010 compensatie toe te kennen. Bij het besluit van 14 juni 2023 is de Dienst Toeslagen, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftenadviescommissie, bij de weigering gebleven. Volgens de Dienst Toeslagen waren de terugvorderingen over die jaren het gevolg van reguliere correcties. Dat kan niet worden aangemerkt als vooringenomen handelen en dat wijst ook niet op onbillijkheden vanwege hardheid waarmee het wettelijk systeem werd toegepast.

Hoger beroep

Schending wettelijke beslistermijn aanvraag

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen niet vooringenomen heeft gehandeld door de wettelijke beslistermijn te overschrijden bij de beoordeling van zijn aanvraag over toeslagjaar 2007. De Dienst Toeslagen heeft erkend dat voor de maanden november en december 2006 vooringenomen is gehandeld, doordat geen voorschot kinderopvangtoeslag aan hem is toegekend, terwijl moet worden verondersteld dat hij daartoe wel een aanvraag had ingediend. Als de Dienst Toeslagen hem wel een voorschot kinderopvangtoeslag voor de maanden november en december van 2006 had verleend, zou zijn aanvraag automatisch zijn gecontinueerd voor het jaar 2007. Nu dat niet is gebeurd, heeft hij een nieuwe aanvraag voor 2007 moeten doen. Doordat pas eind april 2007 op deze aanvraag is beslist, heeft hij van november 2006 tot en met april 2007 ongeveer € 13.000,00 aan kinderopvangtoeslag moeten voorschieten. Omdat de handelwijze van de Dienst Toeslagen in het kader van het voorschot over 2007 voortkomt uit de handelwijze in 2006, moet volgens [appellant] worden geoordeeld dat ook in 2007 vooringenomen is gehandeld. Ook in het Handboek Integrale Beoordeling - Vaktechniek staat dat sprake is van een sterke aanwijzing van vooringenomenheid wanneer het nog niet vaststellen van de beschikking in combinatie met de lange duur van het verwerken van de aanvraag van kinderopvang, leidt tot financiële problemen. Dit maakt dat de bewijslast dat geen sprake is van vooringenomenheid volgens [appellant] op de Dienst Toeslagen rust.

5.1. De beoordeling of sprake is van omstandigheden die aanleiding geven voor toepassing van een herstelregeling moet per berekeningsjaar worden gemaakt. Dat de Dienst Toeslagen in het jaar 2006 vooringenomen heeft gehandeld, betekent dus niet vanzelfsprekend dat ook voor het jaar 2007 vooringenomenheid moet worden aangenomen. [appellant] heeft op 6 december 2006 een aanvraag om kinderopvangtoeslag voor het jaar 2007 gedaan. Beoordeeld moet daarom worden of de handelwijze van de Dienst Toeslagen met betrekking tot deze aanvraag vooringenomen is geweest. Niet in geschil is dat de Dienst Toeslagen niet tijdig op deze aanvraag heeft beslist. Het enkele feit dat de termijn om op de aanvraag te beslissen is overschreden, maakt nog niet dat vooringenomen is gehandeld. Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden nodig die tot dat oordeel kunnen leiden. Daarvan is in dit geval niet gebleken. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat de schending van de wettelijke beslistermijn weliswaar onzorgvuldig is, maar in dit geval geen aanknopingspunt biedt voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen in 2007 vooringenomen heeft gehandeld.

5.2. Het betoog faalt.

Niet-behandelen bezwaarschriften

6. [appellant] betoogt dat de rechtbank had moeten oordelen dat het niet-behandelen van zijn bezwaarschriften die zijn gericht tegen de besluiten tot vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2007 en 2008 tot vooringenomenheid leidt. Uit de verslaglegging van de Parlementaire onderzoekscommissie Kinderopvangtoeslag van het verhoor van [persoon] volgt dat de Dienst Toeslagen zich doelbewust van deze praktijk heeft bediend om ouders te ontmoedigen, aldus [appellant].

6.1. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 30 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1961) heeft overwogen, leidt het niet op de juiste wijze behandelen van een bezwaarschrift op zichzelf niet tot het oordeel dat vooringenomen is gehandeld. [appellant] heeft geen bijkomende omstandigheden aangevoerd waardoor het als informatieverzoek behandelen van zijn bezwaarschriften over de kinderopvangtoeslag over 2007 en 2008 in dit vooringenomen handelen oplevert.

Het betoog faalt.

Hoge Toeslag, Hoog Risico

7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen aanwijzing heeft gezien voor het oordeel dat het door de Dienst Toeslagen uitgeoefende toezicht in dit geval verder ging dan regulier toezicht. Uit de stukken blijkt dat hij in de in geschil zijnde toeslagjaren een Hoge Toeslag, Hoog Risico-signalering (HOTHOR) had. Uit het rapport ‘Vooronderzoek naar de vermeende discriminerende effecten van de werkwijzen van de Belastingdienst/Toeslagen’ van het College voor de Rechten van de Mens (het College) van 15 september 2022 (het rapport) volgt dat mensen met een niet-Nederlandse achtergrond vaker aan HOTHOR werden onderworpen. Voor dit onderscheid bestaat geen grond, wat volgens het College maakt dat sprake is van indirecte discriminatie. Uit de door de Dienst Toeslagen op verzoek van de Afdeling overgelegde stukken volgt daarnaast dat de Dienst Toeslagen bij de toepassing van het Risicoclassificatiemodel voor kinderopvangtoeslag nationaliteit als variabele heeft gebruikt. Volgens [appellant] is hij gediscrimineerd, omdat zijn echtgenote een buitenlandse achternaam heeft. [appellant] voert verder aan dat HOTHOR ook een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen mensen met een hoog en mensen met een laag inkomen. Gelet op het ongerechtvaardigde onderscheid waartoe de toepassing van HOTHOR leidt, is dit een ongeoorloofd toezichtmiddel. Doordat de Dienst Toeslagen in reactie op het verzoek om inlichtingen van de Afdeling geen werkinstructies over de jaren 2006 en 2007 heeft overgelegd, is ook niet transparant op basis waarvan in die jaren de selectie voor controle werd gemaakt. Verder volgt volgens [appellant] uit de verslaglegging van de Parlementaire onderzoekscommissie Kinderopvangtoeslag dat door de Dienst Toeslagen is gesteld dat HOTHOR bedoeld is om hoge terugvorderingen te voorkomen. Dit terwijl in zijn geval HOTHOR is toegepast in aanloop naar de definitieve vaststellingen. Ook heeft de Dienst Toeslagen niet aangetoond dat het de gegevens van de kinderopvangorganisatie heeft geraadpleegd. Dit zijn allemaal aanwijzingen voor vooringenomen handelen in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht, aldus [appellant].

7.1. HOTHOR is een toezichtproces dat door de Dienst Toeslagen vanaf 2006 werd ingezet bij de behandeling en controle van aanvragen om kinderopvangtoeslag. Het doel was het controleren van de juistheid van de grondslagen op basis waarvan het recht werd berekend, zoals het toetsingsinkomen van de aanvrager en eventuele partner, het aantal uren kinderopvang en het uurtarief. Als een aanvraag of een verzoek om wijziging van de toeslag leidde tot een voorschot dat hoger was dan een bepaald bedrag per maand of per jaar, werd deze in de in geschil zijnde toeslagjaren 2007, 2008 en 2009 door de toepassing van HOTHOR automatisch geselecteerd voor een handmatige behandeling en controle in plaats van een geautomatiseerde inhoudelijke behandeling. Het doel van deze controle was om nog voor het toekennen of wijzigen van de toeslag onjuistheden te onderkennen en zo hoge terugvorderingen te voorkomen. In de eerdergenoemde toeslagjaren werd HOTHOR ook toegepast bij definitieve vaststellingen van kinderopvangtoeslag, als het bedrag van de berekening van de definitieve vaststelling meer dan € 2.000,00 afweek van het bedrag van het laatste voorschot.

7.2. Het College heeft in het onderzoek dat aan het rapport ten grondslag ligt aan de hand van een statistische analyse geconcludeerd dat personen met een buitenlandse afkomst bij de toepassing van HOTHOR relatief gezien aanzienlijk vaker voor toezicht werden geselecteerd. Op basis hiervan concludeert het College dat er een vermoeden is van indirect onderscheid op grond van ras. Een verschil in behandeling bij gelijke gevallen is alleen toegestaan als voor de ongelijke behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging is. De Afdeling zal daarom hierna beoordelen of, zo ervan moet worden uitgegaan dat in het geval van [appellant] sprake was van indirect onderscheid bij de selectie voor toezicht door de toepassing van HOTHOR, die toepassing een legitiem doel dient en of het geschikt en proportioneel is.

7.3. Het bedrag van het voorschot kinderopvangtoeslag of de wijziging daarvan, dat in de relevante toeslagjaren het criterium was om voor een handmatige controle geselecteerd te worden, is een neutraal en objectief criterium, dat niet samenhangt met afkomst. Het doel dat de Dienst Toeslagen beoogde te bereiken, het controleren van de juistheid van de grondslagen voor het recht op toeslag en aldus het voorkomen van hoge terugvorderingen, is een legitiem doel. Het selecteren voor een handmatige controle van (wijzigingen van) voorschotten kinderopvangtoeslag met hoge bedragen is ook een geschikt en proportioneel middel om dit doel te bereiken. Hoe hoger het bedrag van het voorschot is, hoe groter de kans dat als gevolg van de definitieve vaststelling hoge bedragen aan voorschot door de toeslagaanvrager moeten worden terugbetaald. Een handmatige controle had op zichzelf ook geen disproportionele gevolgen. Of van dergelijke gevolgen sprake was hing af van de resultaten van die controle en de (wijze van) daaropvolgende handelingen door Dienst Toeslagen in concrete gevallen. Dat met de toepassing van HOTHOR bij definitieve vaststellingen van kinderopvangtoeslag geen hoge terugvorderingen worden voorkomen, zoals [appellant] terecht aanvoert, leidt niet tot een ander oordeel. Bij de extra controle op de juistheid van de gegevens die als gevolg van de inzet van HOTHOR in aanloop naar de definitieve vaststelling werd uitgevoerd, werd het belang van controle op een juiste besteding van overheidsgelden gediend. Het selectiecriterium voor dit toezicht, namelijk het verschil tussen de definitieve vaststelling met het bedrag van het laatste voorschot, is een geschikt en proportioneel middel om dit doel te bereiken.

7.4. [appellant] heeft daarnaast aangevoerd dat HOTHOR een ongerechtvaardigd onderscheid maakt tussen mensen met een hoog en mensen met een laag inkomen. Daargelaten of de toepassing van HOTHOR tot een dergelijk onderscheid leidt en of het maken van onderscheid op grond van inkomen een verboden onderscheid is, bestaat ook daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Daarvoor geldt hetzelfde als hiervoor onder 7.3.

7.5. Met het gebruik van HOTHOR als toezichtmiddel heeft de Dienst Toeslagen dus op zichzelf jegens [appellant] geen ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt. Vervolgens staat ter beoordeling van de Afdeling of bij de handmatige controle die in dit geval op de uitworp van de aanvragen van [appellant] door middel van toepassing van HOTHOR is gevolgd, door de Dienst Toeslagen onderscheid op grond van ras is gemaakt vanwege de achternaam van de echtgenote van [appellant].

7.6. De aanvragen van kinderopvangtoeslag van [appellant] voor de jaren 2007, 2008 en 2009 zijn voorafgaand aan de besluitvorming over de definitieve vaststelling onderworpen geweest aan HOTHOR-toezicht. De kinderopvangtoeslag van [appellant] is over deze jaren vastgesteld op basis van de gegevens die hij zelf heeft aangeleverd. De terugvorderingen die hierop zijn gevolgd waren het gevolg van reguliere correcties, zoals ook de rechtbank terecht heeft vastgesteld. Met de handmatige controle en de daarop gevolgde handelingen en besluiten heeft de Dienst Toeslagen dus geen onderscheid gemaakt op basis van de persoon van [appellant] of zijn partner die voor hem tot nadeel heeft geleid.

7.7. De Dienst Toeslagen heeft bij de toepassing van HOTHOR in dit geval dus geen ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt. Ook in hetgeen [appellant] voor het overige naar voren heeft gebracht is geen grond gelegen voor het oordeel dat [appellant] in de jaren 2007, 2008 en 2009 door de toepassing van HOTHOR vooringenomen is behandeld als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wht. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

7.8. Het bij de handmatige controle al dan niet raadplegen van gegevens van de kinderopvangorganisatie kan in dit geval niet tot het oordeel leiden dat sprake is van vooringenomenheid. Uit de door de Dienst Toeslagen verschafte inlichtingen volgt dat pas rond 2019 bij HOTHOR-controles van deze gegevens gebruik werd gemaakt. Het was evenwel altijd al de verantwoordelijkheid van de aanvrager van kinderopvangtoeslag om de juiste gegevens over de opvang op te geven en wijzigingen daarin tijdig door te geven.

Dat de Dienst Toeslagen op het verzoek om inlichtingen van de Afdeling geen werkinstructies over de jaren 2006 tot en met medio 2008 heeft overgelegd, geeft de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat de kaders die bij de controles werden gebruikt pas in 2008 zijn vastgelegd in de werkinstructie van 18 augustus 2008. Dat eerdere controles niet op basis van een op HOTHOR toegesneden werkinstructie werden uitgevoerd, maakt de handelwijze van de Dienst Toeslagen nog niet vooringenomen en is daarvoor ook geen aanwijzing.

Voor zover [appellant] heeft verwezen naar de indicatoren, waaronder nationaliteit, die bij het Risicoclassificatiemodel voor de kinderopvangtoeslag werden gebruikt, overweegt de Afdeling dat uit de door de Dienst Toeslagen verschafte inlichtingen volgt dat het Risicoclassificatiemodel in de in geschil zijnde toeslagjaren niet bij de selectie voor controle gebruikt werd. De Afdeling heeft geen aanwijzingen dat dit onjuist is. Daarvan uitgaande kan het Risicoclassificatiemodel niet gebruikt zijn voor de selectie voor toezicht van de aanvragen van kinderopvangtoeslag van [appellant] voor deze jaren.

7.9. Het betoog faalt.

Stopzetting kinderopvangtoeslag 2010

8. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Dienst Toeslagen niet vooringenomen heeft gehandeld door gevolg te gegeven aan zijn verzoek om de kinderopvangtoeslag over 2010 stop te zetten. Dat hij het verzoek tot stopzetting heeft gedaan vanwege lichamelijke en financiële problemen door de handelwijze van de Dienst Toeslagen in de voorafgaande jaren maakt niet dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld door aan het door hemzelf ingediende verzoek te voldoen.

Fraude Signalering Voorziening

9. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan de omstandigheid dat hij in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) was opgenomen niet de conclusie kan worden verbonden dat de Dienst Toeslagen in de periode van 2007 tot en met 2010 vooringenomen heeft gehandeld, omdat de FSV pas in 2012 in gebruik is genomen. Voordat de FSV in gebruik werd genomen circuleerden er bij de Dienst Toeslagen al verschillende andere fraudesignaleringslijsten. Een aanwijzing dat hij op een van deze lijsten stond is dat telefonisch aan hem is medegedeeld dat hij geen betalingsregeling had en dat als hij een dergelijke regeling zou willen, hij die niet zou krijgen. Het is aan de Dienst Toeslagen om aan te tonen dat hij niet op een van die lijsten stond, aldus [appellant].

9.1. Het feit dat [appellant] in de FSV is geregistreerd, is onvoldoende voor het oordeel dat vooringenomen is gehandeld. De registratie in de FSV voor het jaar 2011 met het bedrag van het voorschot kinderopvangtoeslag voor het jaar 2010 roept vragen op, omdat [appellant] over het jaar 2011 geen voorschotten kinderopvangtoeslag ontving. Dat neemt niet weg dat de registratie in de FSV pas op 12 februari 2014 is gedaan, zodat bij de besluiten over de vaststelling van de kinderopvangtoeslag over de in geschil zijnde toeslagjaren, die onderscheidenlijk in 2009, 2010 en 2012 zijn genomen, de FSV niet kan zijn geraadpleegd. Verder zijn er geen aanknopingspunten om aan te nemen dat [appellant] eerder al op een andere fraudesignaleringslijst is opgenomen. Het betoog van [appellant] dat hem telefonisch zou zijn medegedeeld dat hij geen betalingsregeling zou krijgen, maakt niet dat moet worden aangenomen dat dit wel het geval is geweest.

Het betoog faalt.

O/GS-tegemoetkoming

10. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij uit de handelwijze van de Dienst Toeslagen met betrekking tot de betalingsregeling geen vooringenomen handelen of hardheid als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wht kan opmaken. Het is onrechtmatig om te gaan executeren als er een betalingsregeling loopt. Hoewel dit formeel wellicht niet kan worden aangemerkt als een opzet- of grove schuld-kwalificatie, moet dit materieel wel zo worden uitgelegd, omdat het hetzelfde effect heeft gehad. Volgens [appellant] heeft de Dienst Toeslagen in dit verband ook niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

10.1. Op grond van artikel 2.6, eerste lid, van de Wht kent de Dienst Toeslagen een compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend vanwege de onterechte kwalificatie opzet of grove schuld bij het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag. Niet in geschil is dat [appellant] een persoonlijke betalingsregeling heeft gekregen, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden om voor een compensatie op grond van dat artikel in aanmerking te komen. De omstandigheden dat aan [appellant] dwangbevelen zijn opgelegd en door de Belastingdienst ten onrechte beslag op zijn loon zou zijn gelegd, zijn geen omstandigheden die over de band van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht toch tot compensatie zouden moeten leiden. De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat hij aan [appellant] dwangbevelen heeft opgelegd omdat hij de betalingsregeling niet nakwam. Dit duidt niet op vooringenomen handelen van de Dienst Toeslagen. De herstelregelingen zijn niet bedoeld om compensatie te bieden voor mogelijke fouten van de Belastingdienst bij het leggen van loonbeslag. Stukken die hierover gaan behoren niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken, zodat de Dienst Toeslagen er geen verwijt van kan worden gemaakt dat hij deze stukken niet aan de Afdeling overgelegd heeft.

Het betoog faalt.

Conclusie

11. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

12. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. M.M. Kaajan en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.

w.g. Willems

voorzitter

w.g. Komduur

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

BIJLAGE

Wet hersteloperatie toeslagen

Artikel 2.1

1. De Belastingdienst/Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem:

a. voor 23 oktober 2019 bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Belastingdienst/Toeslagen; of

b. de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de Wet kinderopvang of de op die wetten berustende bepalingen bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die voor 23 oktober 2019 werd gegeven aan het wettelijke systeem.

[…]

Artikel 2.6

1. De Belastingdienst/Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de toepassing van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, de daarop berustende bepalingen of de Wet kinderopvang bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.

[…]

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.M. Willems

Griffier

  • mr. H.A. Komduur

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand