ECLI:NL:RVS:2026:6066

ECLI:NL:RVS:2026:6066

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 14-10-2026
Zaaknummer 202502552/1/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig

Samenvatting

Bij besluit van 27 maart 2023 heeft de burgemeester van Breda besloten het winkelpand aan [locatie 1] in Breda te sluiten voor de duur van twaalf maanden. [wederpartij] is eigenaar van het bedrijfspand aan [locatie 1] in Breda. Hij heeft het pand verhuurd aan het bedrijf ENRW Trading B.V., dat in het pand een winkel in bloemen, planten, zaden en tuinbenodigdheden exploiteerde. Bij een eerder besluit, van 31 maart 2021, heeft de burgemeester besloten het bedrijfspand op grond van artikel 11a van de Opiumwet te sluiten. Het pand is feitelijk gesloten geweest voor zes maanden, namelijk van 7 mei 2021 tot 7 november 2021. Op 2 december 2022 heeft de politie samen met de afdeling Toezicht en Handhaving van de gemeente bij ENRW Trading een bestuurlijke nacontrole uitgevoerd. Daarbij zijn opnieuw verschillende middelen aangetroffen die geschikt zijn om een hennepplantage op te zetten, waaronder bestrijdingsmiddelen, strijkzakken, elektrische verwarmingen, ventilatoren. afzuigbuizen, (omvormers voor) assimilatielampen en stroomkabels. De bevindingen zijn opgenomen in de bestuurlijke rapportage van 6 december 2022. Daarnaast heeft een hoofdagent die expertise geniet op het gebied van hennepzaken over de situatie een proces-verbaal van bevindingen opgesteld.

Uitspraak

202502552/1/A3.

Datum uitspraak: 14 oktober 2026

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de burgemeester van Breda,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-­West-­Brabant van 24 maart 2025 in zaak nr. 23/9822 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2023 heeft de burgemeester besloten het winkelpand aan [locatie 1] in Breda te sluiten voor de duur van twaalf maanden.

Bij besluit van 15 augustus 2023 heeft de burgemeester het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 maart 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 15 augustus 2023 vernietigd, en de burgemeester opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 1 mei 2025 heeft de burgemeester opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] besloten.

[wederpartij] heeft over dat besluit gronden ingediend.

De burgemeester heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2026, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M. Voesenek en S.C.M. Wulms, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. T.D. Rijs, advocaat in Velp, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Het relevante wettelijke kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2. [wederpartij] is eigenaar van het bedrijfspand aan [locatie 1] in Breda. Hij heeft het pand verhuurd aan het bedrijf ENRW Trading B.V., dat in het pand een winkel in bloemen, planten, zaden en tuinbenodigdheden exploiteerde. Bij een eerder besluit, van 31 maart 2021, heeft de burgemeester besloten het bedrijfspand op grond van artikel 11a van de Opiumwet te sluiten. Het pand is feitelijk gesloten geweest voor zes maanden, namelijk van 7 mei 2021 tot 7 november 2021. Op 2 december 2022 heeft de politie samen met de afdeling Toezicht en Handhaving van de gemeente bij ENRW Trading een bestuurlijke nacontrole uitgevoerd. Daarbij zijn opnieuw verschillende middelen aangetroffen die geschikt zijn om een hennepplantage op te zetten, waaronder bestrijdingsmiddelen, strijkzakken, elektrische verwarmingen, ventilatoren. afzuigbuizen, (omvormers voor) assimilatielampen en stroomkabels. De bevindingen zijn opgenomen in de bestuurlijke rapportage van 6 december 2022. Daarnaast heeft een hoofdagent die expertise geniet op het gebied van hennepzaken over de situatie een proces-verbaal van bevindingen opgesteld.

Besluitvorming

3. Vanwege de constateringen op 2 december 2022 heeft de burgemeester besloten het pand op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 11a van de Opiumwet te sluiten, met ingang van 4 april 2023 voor de duur van twaalf maanden. Het pand is toen ook feitelijk gesloten. In heroverweging heeft de burgemeester dat besluit in stand gelaten.

Aangevallen uitspraak

4. De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard. Tussen partijen is niet in geschil dat in het pand verschillende goederen zijn aangetroffen waarbij het vermoeden bestaat dat deze bestemd zijn voor hennepteelt, zodat de burgemeester bevoegd was het pand te sluiten. De burgemeester mocht het pand echter niet sluiten voor de duur van twaalf maanden.

Volgens de rechtbank heeft de burgemeester niet aannemelijk gemaakt dat de sluiting noodzakelijk was. Er zat inmiddels een nieuwe huurder - een winkel in frisdrank en wasmiddelen - in het pand, waardoor ‘loop’ niet aannemelijk was. De toelichting op de zitting dat er in 2022 in de wijk [locatie 2] acht overtredingen van artikel 13b van de Opiumwet zijn geconstateerd, heeft de rechtbank onvoldoende geacht omdat niet onderbouwd is op welke afstand die overtredingen hebben plaatsgevonden. De stelling dat het onveiligheidsgevoel in de betrokken buurt relatief hoog ligt en het feit dat in de nabije omgeving een basisschool staat, heeft de rechtbank in het kader van de noodzaak van onvoldoende gewicht geacht.

Volgens de rechtbank heeft de burgemeester ook onvoldoende gemotiveerd dat de sluiting evenwichtig was. Hij is afgeweken van de Beleidsregel bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet gemeente Breda, omdat daarin staat dat voor lokalen wordt uitgegaan van een sluitingsperiode van zes maanden. Uit de beleidsregel volgt niet dat bij aanwezigheid van de daarin genoemde indicatoren een langere sluitingsduur kan worden opgelegd. De burgemeester mocht niet ten nadele van [wederpartij] van het beleid afwijken. Daarbij komt dat geen sprake was van een herhaalde constatering/overtreding als bedoeld in artikel 5.6 van de beleidsregel. Verder is volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat [wederpartij] verwijtbaar heeft gehandeld. De enkele motivering dat hij als eigenaar verantwoordelijk is voor de gang van zaken in zijn pand is niet genoeg, omdat de illegale activiteiten door de huurder zijn verricht. Tot slot heeft de burgemeester ten onrechte niet de belangen van de nieuwe huurder meegewogen bij het besluit tot sluiting.

Hoger beroep

Noodzaak

5. De burgemeester betoogt dat de rechtbank zich voor de beoordeling van de noodzaak van de sluiting ten onrechte mede heeft gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:110. Die zaak betrof een sluiting op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Voor de toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet is geen overlast of openbare orde-verstoring vereist. De strijdigheid met de Opiumwet, gezien de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs en/of voorbereidingshandelingen, is voldoende. In dit geval gaat het om een ernstige overtreding gelet op de grote hoeveelheid goederen die is aangetroffen, waardoor aannemelijk is dat die bedoeld waren voor verkoop in het drugscircuit. Niet relevant is wie het pand feitelijk huurt of wat de uitstraling ervan is. Ook vereist de rechtbank teveel bewijzen om het standpunt te onderbouwen dat het pand in een kwetsbare wijk ligt. De andere panden waar overtredingen plaatsvonden, liggen in dezelfde buurt. Ook stelt de burgemeester dat hij mocht meewegen dat er in de nabijheid van het pand een basisschool staat en ook een ontmoetingscentrum voor mensen die in een kwetsbare positie verkeren.

5.1. Voor zover de rechtbank heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, is van belang dat - zoals ook in 4.7 van die uitspraak is overwogen - voor sluitingen op grond van de Opiumwet een ander kader geldt dan voor sluitingen van een pand waar door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn, op grond van de APV. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij uitgaat bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep. Hoewel die uitspraak gaat over sluiting van woningen, gelden dezelfde uitgangspunten, waar van toepassing, ook voor lokalen zoals bedrijfsruimten (zie de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:336, onder 7.1).

5.2. Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de noodzaak van de sluiting niet aannemelijk is gemaakt. De maatregel van sluiting is een herstelsanctie die niet alleen strekt tot beëindiging van de overtreding van de Opiumwet, maar ook tot het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding. De overtreding is in principe geëindigd doordat de aangetroffen voorwerpen, die geschikt zijn om een hennepplantage op te zetten, in beslag zijn genomen. Maar de burgemeester heeft mogen concluderen dat het pand een rol vervulde in de keten van drugshandel. Het ging om een herhaling van de overtreding, omdat het pand in 2021 ook al gesloten is geweest op grond van artikel 11a van de Opiumwet, toen voor zes maanden. Ook toen waren er goederen aangetroffen die waren bestemd voor de bedrijfsmatige hennepteelt. Bij de nacontrole zijn vervolgens opnieuw grote aantallen kweekmateriaal en goederen bestemd voor hennepteelt in het pand aangetroffen. Er waren negen van de elf professionaliteitsindicatoren die zijn opgesomd in de Aanwijzing Opiumwet aanwezig. De goederen waren deels verstopt in twee verborgen ruimtes in het pand en ook in dozen die als kerstpakketten oogden. De heimelijkheid die hiervan uitgaat heeft de burgemeester bij de ernst van de overtreding mogen betrekken. Tijdens de nacontrole was een bezoeker in de winkel aanwezig met antecedenten op het gebied van de Opiumwet. De burgemeester heeft de overtreding gelet op deze factoren als ernstig mogen beschouwen. Dat na de controle een nieuwe huurder in het pand is gekomen, is in dit geval onvoldoende om sluiting niet meer noodzakelijk te achten. De burgemeester heeft in dit geval mee mogen wegen dat niet uitgesloten is dat er snel een zogenoemde katvanger in het pand kwam. Verder is van belang dat [wederpartij] als verhuurder ook niet heeft weten te voorkomen dat er voor een tweede keer een overtreding van de Opiumwet plaatsvond. De burgemeester heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat in de nabije omgeving van het pand in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. De nadere toelichting op de zitting van de rechtbank dat er in de wijk [locatie 2] in 2022 acht overtredingen van artikel 13b van de Opiumwet plaatsvonden, heeft de rechtbank ten onrechte onvoldoende geacht. Ook heeft de burgemeester mogen meewegen dat in de nabijheid van het pand een basisschool staat en dat hij wil voorkomen dat personen die in een kwetsbare positie verkeren, worden blootgesteld aan drugscriminaliteit.

Gelet op al het voorgaande hoefde de burgemeester niet met een minder ingrijpend middel dan sluiting te volstaan. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend. Het betoog slaagt.

Evenwichtigheid

6. De burgemeester betoogt dat de woorden ‘in beginsel’ in de beleidsregel voldoende ruimte geven om voor een andere sluitingsperiode dan zes maanden te kiezen. Een sluitingsperiode van zes maanden is in dit geval onvoldoende om de keten van drugshandel te doorbreken en herhaling van de overtreding te voorkomen. Ondanks de eerdere sluiting is het pand nog steeds bekend in het criminele circuit. Ook de overwegingen van de rechtbank over de verwijtbaarheid volgt de burgemeester niet. [wederpartij] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij adequate controles heeft uitgevoerd. De goederen werden niet alleen in afgesloten ruimten aangetroffen, maar ook in ruimten die ook voor publiek toegankelijk waren en daarnaast in een kantoorruimte. De goederen hadden de eigenaar kunnen en moeten opvallen, zeker omdat hij geïnformeerd was over de eerdere Opiumwetovertreding. Verder is het volgens de burgemeester niet relevant hoe lang de verkoop van voorwerpen en stoffen al plaatsvond, hoe lang de verborgen ruimtes in het pand waren afgesloten voor bezoekers en hoe het pand werd geëxploiteerd.

6.1. In paragraaf 4 van de Beleidsregel staat over de sluitingsduur: "Bij het toepassen van de bevoegdheid op grond van artikel 13b Opiumwet wordt in beginsel overgegaan tot het sluiten van de woning, maar daarvoor zal eerst nadrukkelijk worden overwogen of kan worden volstaan met een waarschuwing waarbij rekening wordt gehouden met alle omstandigheden van het geval. […] Voor lokalen (al dan niet voor publiek toegankelijk) wordt bij een sluiting in beginsel uitgegaan van een sluitingsperiode van zes maanden". De woorden ‘in beginsel’ geven naar het oordeel van de Afdeling ruimte om voor een andere sluitingsduur dan zes maanden te kiezen. Zij betrekt daarbij dat in paragraaf 5.2 van de Beleidsregel staat: "Op basis van de inherente afwijkingsbevoegdheid, zoals neergelegd in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, kan van deze beleidsregel worden afgeweken. Alleen op basis van feiten en omstandigheden kan de burgemeester in bijzondere gevallen gemotiveerd afwijken van de maatregelen zoals in deze beleidsregel zijn vastgesteld. " De Afdeling begrijpt de Beleidsregel, mede gelet op de toelichting van de burgemeester op de zitting, zo dat uit paragraaf 5.2 van de beleidsregel volgt dat de burgemeester in bijzondere gevallen een langere sluitingsduur dan zes maanden kan hanteren, mits hij dat goed motiveert. Deze mogelijkheid is neergelegd in de Beleidsregel zelf. De burgemeester heeft aangegeven sluiting van twaalf maanden noodzakelijk te vinden om de bekendheid van het pand in het drugscircuit weg te nemen. Gelet op wat in 5.2 over de ernst van de overtreding is overwogen, waaronder de omstandigheid dat het hier om een herhaalde overtreding gaat, heeft de burgemeester de beleidsregel juist toegepast. Toepassing geven aan artikel 4:84 van de Awb was in dit geval niet aan de orde. De rechtbank is ten onrechte op dit punt tot vernietiging van het besluit van 15 augustus 2023 overgegaan.

Het betoog slaagt.

6.2. Over de verwijtbaarheid van [wederpartij] als pandeigenaar, overweegt de Afdeling dat het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden kan betekenen dat de burgemeester redelijkerwijs niet van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van middelen in zijn pand die geschikt zijn om een hennepplantage mee op te zetten. Van degene die een pand verhuurt, wordt verwacht dat hij zich tot op zekere hoogte informeert over het gebruik dat van het pand wordt gemaakt. De rechtspraak daarover brengt mee dat verhuurders concreet toezicht moeten houden op het gebruik van een pand dat zij verhuren (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2443).

De Afdeling volgt de burgemeester in zijn standpunt dat [wederpartij] een verwijt van de overtreding valt te maken. [wederpartij] kon redelijkerwijs op de hoogte zijn van de aanwezigheid van de middelen in zijn pand die geschikt zijn om een hennepplantage mee op te zetten. Al in 2018 is er een bewustmakingsbrief verstuurd over het faciliteren van illegale hennepteelt, omdat er onder meer in het door ENRW Trading gehuurde pand benodigdheden waren aangetroffen die daarvoor gebruikt worden. Vervolgens zijn bij ENRW Trading in 2020 opnieuw voorwerpen aangetroffen die geschikt zijn voor het opzetten van een grootschalige of bedrijfsmatige hennepkwekerij en het pand is daarvoor zes maanden gesloten geweest. Uit de daaraan ten grondslag liggende bestuurlijke rapportage van 11 juli 2020 blijkt voorts dat de eigenaar Opiumwet-antecenten had. [wederpartij] was gezien deze voorgeschiedenis een gewaarschuwd mens. Hij heeft ervoor gekozen het pand te blijven verhuren aan ENRW Trading. [wederpartij] stelt dat hij heeft geprobeerd om voldoende toezicht te houden op het pand en dat hij daaraan meerdere bezoeken heeft gebracht, maar dat heeft hij niet concreet onderbouwd. Ook zijn stelling dat de spullen pas heel kort voor de nacontrole in het pand moeten zijn gebracht, mist een onderbouwing. [wederpartij] had eventueel een externe partij met kennis van zaken kunnen inhuren voor de controle of de politie kunnen inschakelen. Dat had temeer op zijn weg gelegen omdat het pand op bijvoorbeeld de website weedfinder.nl als growshop vermeld stond, zoals ook al het geval was in 2020. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend.

Dit betoog slaagt.

6.3. Het voorgaande kan echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. De rechtbank heeft in 11.6 van haar uitspraak namelijk aan haar oordeel over de evenwichtigheid ook ten grondslag gelegd dat de burgemeester de belangen van de nieuwe huurder niet uitdrukkelijk heeft meegewogen. De burgemeester heeft dit oordeel in hoger beroep niet bestreden. Nu hij dat niet heeft gedaan, is het oordeel in rechte komen vast te staan. De rechtbank heeft dan ook terecht het besluit van 15 augustus 2023 vernietigd.

Conclusie hoger beroep

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop zij rust.

Besluit van 1 mei 2025

8. Bij besluit van 1 mei 2025 heeft de burgemeester, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op de bezwaren van [wederpartij] beslist. Dit besluit is, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege onderwerp van dit geding.

De burgemeester heeft het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. [wederpartij] kan zich niet met dit besluit verenigen en heeft daartegen gronden aangevoerd.

9. [wederpartij] voert gronden aan over de geschiktheid van de sluiting. De Afdeling stelt vast dat de burgemeester in het nieuwe besluit op bezwaar, net als in zijn oorspronkelijke besluit, heeft overwogen dat de sluiting geschikt is om de door hem beoogde doelen te bereiken. De rechtbank had al geoordeeld dat de sluiting in algemene zin geschikt is en dit oordeel is in rechte vast komen te staan. Het had op de weg van [wederpartij] gelegen om in hoger beroep te komen als hij het niet met dit oordeel eens is. Nu moet van de juistheid van het oordeel van de rechtbank worden uitgegaan.

Het betoog slaagt niet.

10. [wederpartij] betoogt dat voor de noodzaak van de sluiting in het nieuwe besluit op bezwaar geen nieuwe onderbouwing is gegeven over het voorkomen van herhaling en het wegnemen van de bekendheid van het pand. Hetzelfde geldt voor de overwegingen van de burgemeester over de overtredingen die in de wijk zijn geconstateerd en de ligging van de basisschool. [wederpartij] stelt verder dat de burgemeester in het nieuwe besluit op bezwaar zijn standpunt herhaalt dat hij niet van de Beleidsregel is afgeweken.

De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar wat zij hiervoor in 5.2 heeft overwogen, dat de burgemeester de noodzaak van de sluiting voldoende heeft gemotiveerd. Daarnaast volgt uit 6.1 dat de burgemeester de beleidsregel juist heeft toegepast.

Dit betoog slaagt niet.

11. [wederpartij] voert aan dat het sluitingsbesluit een criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het EVRM inhoudt. Dat zit hem in de zwaarte van het besluit in combinatie met de concrete omstandigheden van het geval, waarin de overtreding al was beëindigd door ontruiming van het pand en het verhuren daarvan aan een andere partij.

In haar uitspraak van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1831, r.o. 10, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij de vraag of zich in dit geval een criminal charge voordoet. Gelet op het betoog van [wederpartij] gaat het hoofdzakelijk om het derde criterium. De sluiting voor de duur van twaalf maanden is niet zodanig zwaar dat deze daardoor als een criminal charge moet worden beschouwd. Ook als het tweede en derde criterium in samenhang worden bezien, bestaat onvoldoende aanleiding om tot de conclusie te komen dat de last tot sluiting een criminal charge is. Gelet op het feit dat het hier al ging om een herhaalde overtreding en wat verder in 5.2 is overwogen, heeft de burgemeester een sluiting van twaalf maanden in ieder geval terecht noodzakelijk geacht ter voorkoming van een nieuwe overtreding.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie beroep van rechtswege

12. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

13. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 1 mei 2025 ongegrond;

III. bepaalt dat van de burgemeester van Breda een griffierecht van € 579 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Borman

voorzitter

w.g. Konings

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026

612

BIJLAGE

Wettelijk kader

Opiumwet

Artikel 3

Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

D. te vervaardigen.

Artikel 11

1 […]

2 Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder B, C of D, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.

3 Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.

4 Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in artikel 3 onder A, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie.

5 Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.

[…]

Artikel 11a

Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.

Artikel 13b, eerste lid

De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:

a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;

b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand