202505045/1/A2.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1], wonend in Susteren, gemeente Echt-Susteren,
2. het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 juli 2025 in zaak nr. 23/2114 in het geding tussen:
[appellant sub 1]
en
het college.
Procesverloop
Bij besluit van 17 februari 2023 heeft het college een aanvraag van [appellant sub 1] om vergoeding van de over de jaren 2016 tot en met 2023 aan de Vereniging voor Plaatselijke Politieke Groeperingen (VPPG) betaalde contributie afgewezen.
Bij besluit van 31 juli 2023 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 29 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 31 juli 2023 vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de contributiejaren 2017 en 2018, bepaald dat het college de door [appellant sub 1] verschuldigde contributie over deze jaren moet vergoeden, bepaald dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en het college hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 7 juli 2026, waar [appellant sub 1], bijgestaan door ing. A.J.G. Zinken, en het college vertegenwoordigd door mr. R.M.M. Engelen, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant sub 1] is raadslid in de gemeente Echt-Susteren. Hij is lid van de VPPG en is daarvoor jaarlijks contributie verschuldigd. [appellant sub 1] heeft het college bij e-mailbericht van 28 december 2022 verzocht om vergoeding van de contributie over de jaren 2016 tot en met 2023. Het college heeft dit geweigerd.
Standpunt van het college
2. Volgens het college is voor het jaar 2016 al eerder om een vergoeding van de contributie verzocht en is de afwijzing van die aanvraag in rechte onaantastbaar. Voor zover [appellant sub 1] opnieuw om vergoeding van de contributie over dat jaar heeft verzocht, heeft het college de aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen onder verwijzing naar het eerdere besluit van 11 mei 2016.
3. Voor de jaren 2017 tot en met 2023 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de vereisten voor vergoeding van contributie, zoals neergelegd in artikel 3.3.4 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (het nieuwe Rechtspositiebesluit), dat op 1 januari 2019 in werking is getreden. Uit deze bepaling volgt dat de contributie alleen wordt vergoed bij een beroepsvereniging die toegankelijk is voor ieder raadslid. De VPPG is dat niet, omdat op grond van haar statuten alleen raadsleden lid kunnen worden die zelfstandig en onafhankelijk functioneren van regionale, provinciale of landelijke politieke organisaties of groeperingen. Het college heeft daarom geweigerd om [appellant sub 1] een vergoeding toe te kennen voor de aan de VPPG betaalde contributie over de jaren 2017 tot en met 2023.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft onder meer de volgende overwegingen aan haar uitspraak ten grondslag gelegd.
Contributiejaar 2016
4.1. Bij besluit van 11 mei 2016 heeft de gemeenteraad van Echt-Susteren een aanvraag van (onder meer) [appellant sub 1] om vergoeding van de contributie van de VPPG voor het jaar 2016 afgewezen. [appellant sub 1] heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 8 november 2016, waarbij zijn bezwaar tegen dat besluit ongegrond is verklaard. Het besluit van 11 mei 2016 is dan ook onherroepelijk en de rechtmatigheid van dat besluit en het besluit van 8 november 2016 staat dus in rechte vast. Voor zover [appellant sub 1] een herhaalde aanvraag heeft willen doen, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat geen sprake is van relevante nieuwe feiten en omstandigheden ten opzichte van het besluit van 11 mei 2016 en het besluit van 8 november 2016. [appellant sub 1] heeft als nieuw feit aangevoerd dat deze besluiten niet door een bevoegd bestuursorgaan zijn genomen. Naar het oordeel van de rechtbank had hij dit al vóór deze besluiten kunnen weten en redelijkerwijs naar voren kunnen brengen als hij beroep had ingesteld. Verder komt aan de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 oktober 2024 niet de door [appellant sub 1] gewenste betekenis toe. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is een rechterlijke uitspraak geen nieuw gebleken feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het college heeft de herhaalde aanvraag van [appellant sub 1] dan ook terecht met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb afgewezen. Verder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat dit evident onredelijk is.
Contributiejaren 2017 en 2018
4.2. In het tot 1 januari 2019 geldende Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden (het oude Rechtspositiebesluit) is niet gedefinieerd wat onder een beroepsvereniging wordt verstaan. Voor de uitleg van dat begrip wordt aansluiting gezocht bij de betekenis hiervan in het normale taalgebruik en bij een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 juli 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:2578, waarin de VPPG als beroepsvereniging is aangemerkt. Uit artikel 13, derde lid, van het oude Rechtspositiebesluit volgt niet dat voor vergoeding van de contributie is vereist dat alle raadsleden lid moeten kunnen worden van de desbetreffende beroepsvereniging. Daarom had het college de contributie over de jaren 2017 en 2018 moeten vergoeden.
Contributiejaren 2019 tot en met 2023
4.3. Het college heeft terecht geweigerd om [appellant sub 1] een vergoeding voor de contributie in de jaren 2019 tot en met 2023 toe te kennen. In artikel 3.3.4 van het nieuwe Rechtspositiebesluit is bepaald dat een beroepsvereniging een voor iedere ambtsdrager van die beroepsgroep toegankelijke, landelijk georganiseerde beroepsvereniging moet zijn. De VPPG voldoet niet aan deze omschrijving, omdat raadsleden van landelijke politieke partijen die geen deel uitmaken van een lokale politieke groepering, volgens de statuten geen lid kunnen worden. De VPPG is dus niet toegankelijk voor ieder raadslid. Dat [appellant sub 1] een beroep heeft gedaan op de vrijheid van vereniging, leidt niet tot een ander oordeel. Die vrijheid wordt niet aangetast, omdat [appellant sub 1] lid kan blijven van de VPPG. Het recht op vereniging brengt niet met zich dat de overheid de contributie in alle gevallen moet vergoeden, aldus de rechtbank.
Beoordeling van de hoger beroepen
5. [appellant sub 1] en het college zijn het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling zal de hogerberoepsgronden van beide partijen hierna aan de hand van de contributiejaren beoordelen.
Contributiejaar 2016
6. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op de contributie over het jaar 2016, het college onder verwijzing naar het raadsbesluit van 11 mei 2016 toepassing heeft kunnen geven aan artikel 4:6 van de Awb. Hij voert aan dat op 11 mei 2016 geen raadsvergadering heeft plaatsgevonden, dat het op die dag genomen besluit niet rechtsgeldig is genomen en dat tegen een onbevoegd genomen besluit geen rechtsmiddelen openstaan. De rechtbank heeft daarom ten onrechte aangenomen dat het besluit onherroepelijk is. Overigens zijn er, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel degelijk nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. [appellant sub 1] verwijst hiervoor naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 oktober 2024. Verder is de afwijzing evident onredelijk. Het gaat daarbij niet om de hoogte van het bedrag, maar om het recht op vergoeding van contributie voor het lidmaatschap van een beroepsvereniging, aldus [appellant sub 1].
6.1. Indien, zoals [appellant sub 1] aanvoert, het besluit van 11 mei 2016 een bevoegdheidsgebrek bevat, neemt dat niet weg dat dit besluit, voor zover daarbij is geweigerd aan [appellant sub 1] een vergoeding voor de contributie over 2016 toe te kennen, in werking is getreden en in rechte onaantastbaar is, omdat [appellant sub 1] geen beroep tegen het besluit van 8 november 2016 heeft ingesteld. Dat besluit is een besluit als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Ook voor het overige volgt de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat [appellant sub 1] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan de aanvraag van 28 december 2022 ten grondslag heeft gelegd en dat de weigering om op het besluit van 11 mei 2016 terug te komen niet evident onredelijk is. Zij verwijst naar de overwegingen 8.4 tot en met 8.6 van de aangevallen uitspraak. [appellant sub 1] heeft in hoger beroep geen gronden aangevoerd waarom dat oordeel onjuist of onvolledig zou zijn.
6.2. Het betoog slaagt niet.
Contributiejaren 2017 en 2018
7. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, gelet op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 12 juli 2017, het de over de jaren 2017 en 2018 betaalde contributie aan [appellant sub 1] moet vergoeden. Hierbij stelt het college zich primair op het standpunt dat, zoals het op de zitting van de Afdeling heeft toegelicht, het nieuwe Rechtspositiebesluit ook van toepassing is op de vergoeding van de contributie over 2017 en 2018, omdat de aanvraag op 28 december 2022 is ingediend. Op dat moment was het oude Rechtspositiebesluit ingetrokken en was het nieuwe Rechtspositiebesluit in werking getreden. Voor het geval de Afdeling tot het oordeel zou komen dat het oude Rechtspositiebesluit van toepassing is, stelt het college zich subsidiair op het standpunt dat een beroepsvereniging als bedoeld in artikel 13, derde lid, van het oude Rechtspositiebesluit dezelfde betekenis heeft als in artikel 3.3.4 van het nieuwe Rechtspositiebesluit. Daarbij bevestigt de circulaire van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (de minister) van 15 mei 2025 dat een beroepsvereniging algemeen toegankelijk moet zijn en dat dit ook onder het oude Rechtspositiebesluit al was vereist. De verduidelijking per 1 januari 2019 is daarom slechts een bevestiging van de uitleg van dit begrip onder het oude Rechtspositiebesluit. De VPPG voldoet hier niet aan. Zij behartigt uitsluitend de belangen van leden en ambtsdragers van plaatselijke politieke partijen en groeperingen en is daarmee niet toegankelijk voor ieder raadslid. Verder heeft de VPPG geen landelijke spreiding en vertegenwoordigt zij slechts een gedeelte van de raadsleden van plaatselijke politieke partijen. Omdat de VPPG zowel onder het oude als onder het nieuwe Rechtspositiebesluit niet voldoet aan de vereisten om als beroepsvereniging te kwalificeren, had de rechtbank niet mogen bepalen dat de contributie over 2017 en 2018 moet worden vergoed, aldus het college.
7.1. Het oude Rechtspositiebesluit is met ingang van 1 januari 2019 ingetrokken. [appellant sub 1] heeft zijn aanvraag op 28 december 2022 ingediend. Het nieuwe Rechtspositiebesluit bevat geen overgangsrecht op grond waarvan het oude Rechtspositiebesluit van toepassing blijft op een na 1 januari 2019 ingediende aanvraag die betrekking heeft op de aan die datum voorafgaande contributiejaren. Het college heeft de aanvraag van [appellant sub 1], ook voor zover deze betrekking heeft op de jaren 2017 en 2018, dus terecht beoordeeld aan de hand van het nieuwe Rechtspositiebesluit. De rechtbank is er daarom ten onrechte vanuit gegaan dat het oude Rechtspositiebesluit daarop van toepassing is.
7.2. Voor de aanspraak op vergoeding is daarom van belang of de VPPG een beroepsvereniging is als bedoeld in artikel 3.3.4 van het nieuwe Rechtspositiebesluit. Uit de tekst van die bepaling volgt dat een beroepsvereniging toegankelijk moet zijn voor alle raadsleden. De VPPG voldoet niet aan die voorwaarde, omdat zij uitsluitend toegankelijk is voor leden en ambtsdragers van plaatselijke politieke partijen en groeperingen. Gelet op wat hierna onder 8.1 en verder wordt overwogen, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de VPPG geen beroepsvereniging is als bedoeld in artikel 3.3.4 van het nieuwe Rechtspositiebesluit en dat de door [appellant sub 1] betaalde contributie over 2017 en 2018 niet voor vergoeding in aanmerking komt.
7.3. Het betoog slaagt.
Contributiejaren 2019 tot en met 2023
8. [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de contributie over de jaren 2019 tot en met 2023 niet hoefde te vergoeden. Op de zitting bij de Afdeling heeft hij gesteld dat het nieuwe Rechtspositiebesluit, in het bijzonder artikel 3.3.4 daarvan, door de rechtbank Noord-Holland is vernietigd bij uitspraak van 17 oktober 2024. Hij leidt uit die uitspraak af dat het Rechtspositiebesluit niet meer bestaat en niet meer kan worden toegepast. Verder voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte de circulaire van de minister van 15 mei 2025 bij haar oordeel heeft betrokken. Het college heeft deze circulaire pas op 11 juni 2025, één dag voor de zitting, overgelegd en daarmee de termijn van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb niet in acht genomen. Hij heeft daardoor onvoldoende tijd gehad om de circulaire voorafgaand aan de zitting zorgvuldig te bestuderen en daarop inhoudelijk te reageren. De rechtbank heeft in strijd met het verdedigingsbeginsel en met het recht op een eerlijk proces gehandeld door de circulaire niettemin bij haar oordeel te betrekken. Daarnaast heeft zij miskend dat raadsleden van lokale politieke partijen ongelijk worden behandeld ten opzichte van raadsleden van landelijke politieke partijen. Volgens [appellant sub 1] moet ieder raadslid zonder last kunnen functioneren en zelf kunnen bepalen welke beroepsvereniging voor zijn persoonlijke ondersteuning van belang is.
8.1. Uit de door [appellant sub 1] aangehaalde uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 oktober 2024 volgt, anders dan hij stelt, niet dat artikel 3.3.4 van het nieuwe Rechtspositiebesluit is vernietigd of onverbindend is verklaard. De rechtbank heeft die bepaling in die uitspraak buiten toepassing gelaten en het besluit van de minister vernietigd. Artikel 3.3.4 van het nieuwe Rechtspositiebesluit is naar aanleiding van die uitspraak niet komen te vervallen en evenmin gewijzigd. Uit deze aangehaalde uitspraak volgt alleen dat de minister gehouden was te onderzoeken of die bepaling onverminderd kon worden gehandhaafd. Dat onderzoek heeft geresulteerd in de circulaire.
8.2. Ook het betoog over de verwijzing door de rechtbank naar de circulaire van 15 mei 2025 kan niet tot het door [appellant sub 1] beoogde doel leiden. Deze verwijzing is niet dragend voor het oordeel van de rechtbank dat de VPPG niet aan de voorwaarden van artikel 3.3.4 van het Rechtspositiebesluit voldoet. Overigens heeft [appellant sub 1] in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad om een standpunt over de betekenis van deze circulaire in te nemen. Dat de rechtbank de circulaire bij haar oordeel heeft betrokken, is dan ook, anders dan [appellant sub 1] aanvoert, geen reden om het hoger beroep gegrond te verklaren.
8.3. De in artikel 3.3.4 van het nieuwe Rechtspositiebesluit gestelde voorwaarde dat een beroepsvereniging voor ieder raadslid toegankelijk moet zijn, geldt ongeacht de politieke partij of groepering waarbij een raadslid is aangesloten. Het onderscheid is dan ook niet gemaakt tussen raadsleden van lokale partijen en raadsleden van landelijke politieke partijen, maar tussen verenigingen die voor de gehele beroepsgroep toegankelijk zijn en verenigingen die dat niet zijn. Met deze voorwaarde wordt gewaarborgd dat uit publieke middelen alleen contributie wordt vergoed voor verenigingen die toegankelijk zijn voor de gehele beroepsgroep. Voor het gemaakte onderscheid bestaat aldus een objectieve en redelijke rechtvaardiging. Van een verboden ongelijke behandeling is geen sprake.
8.4. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het hoger beroep van het college is gegrond. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. De Afdeling zal de uitspraak van de rechtbank vernietigen, voor zover de rechtbank het beroep van [appellant sub 1] gegrond heeft verklaard, het besluit van 31 juli 2023 heeft vernietigd voor zover dit op de contributiejaren 2017 en 2018 betrekking heeft en heeft bepaald dat het college de door [appellant sub 1] verschuldigde contributie over deze jaren moet vergoeden en de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 1] ook in zoverre ongegrond verklaren. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren gegrond;
II. verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 29 juli 2025 in zaak nr. 23/2114, voor zover daarbij het beroep gegrond is verklaard, het besluit van 31 juli 2023 is vernietigd voor zover dit betrekking heeft op de contributiejaren 2017 en 2018 en is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren de door [appellant sub 1] verschuldigde contributie voor de VPPG over die jaren moet vergoeden en de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;
IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep, voor zover dit betrekking heeft op de contributiejaren 2017 en 2018, ongegrond;
V. bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. C.H. Bangma, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.
w.g. Daalder
voorzitter
w.g. Hazen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
452-1189