202501123/1/A3.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 januari 2025 in zaak nr. 24/1798 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Procesverloop
Bij besluit van 28 oktober 2022 heeft het college beslist op een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo).
Bij besluit van 9 februari 2024 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 14 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting aan de orde gesteld op 24 juni 2026.
Overwegingen
1. Bij e-mail van 29 mei 2022, aangevuld op 1 juni 2022, heeft [appellant] het college verzocht om openbaarmaking van informatie die verband houdt met het beleid ten aanzien van onafhankelijke taxatiedeskundigen bij het vaststellen van een canonherziening einde tijdvak. Het college heeft 65 documenten aangetroffen die binnen de reikwijdte van het verzoek vallen en deze grotendeels openbaar gemaakt.
2. [appellant] betoogt dat de rechtbank de mededeling van het college dat er niet meer documenten zijn die onder het verzoek vallen ten onrechte niet ongeloofwaardig heeft geacht en ten onrechte niet door hem aannemelijk gemaakt heeft geacht dat er toch meer documenten onder het college berusten. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat het college in het door hem genoemde systeem had moeten zoeken, de gebruikte zoektermen had moeten vermelden en niet had mogen volstaan met de toelichting over het zoeken door medewerkers. Verder heeft de rechtbank volgens hem miskend dat het college op de termen btw, depreciatie en canonpercentage had moeten zoeken, dat een besluit inzake de canonherziening einde tijdvak niet kan zijn gebaseerd op slechts één besluit, dat het op de zitting van de rechtbank ter sprake gekomen overleg met documenten moet zijn opgevolgd en dat er meer documenten moeten zijn die verband houden met de in het verzoek vermelde werkinstructies. Daarnaast heeft de rechtbank volgens hem miskend dat het college had moeten zoeken in de back-ups van de e-mailboxen van een voormalig wethouder, een voormalig afdelingshoofd en een voormalig grondprijsadviseur.
2.1. Het betoog is zo goed als een herhaling van wat [appellant] in beroep over de zoekslag heeft aangevoerd. De rechtbank is daarop gemotiveerd ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder r.o. 4 tot en met 6.2 opgenomen overwegingen van de rechtbank waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet op grond van artikel 4.2, tweede lid, van de Woo verplicht was informatie over communicatie met de Makelaarsvereniging Amsterdam (MVA) van de MVA te vorderen. Volgens hem is artikel 2.4, eerste lid, van de Woo een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, op grond waarvan documenten met die informatie bij het college hadden behoren te berusten.
3.1. Artikel 2.4, eerste lid, van de Woo luidt: "Een bestuursorgaan draagt er zorg voor dat de documenten die het ontvangt, vervaardigt of anderszins onder zich heeft, zich in goede, geordende en toegankelijke staat bevinden."
Artikel 4.2, tweede lid luidt: "Indien het verzoek betrekking heeft op informatie die op grond van enig wettelijk voorschrift bij het bestuursorgaan had behoren te berusten, vordert het bestuursorgaan de gevraagde informatie van degene die over de informatie beschikt. Degene die over de gevraagde informatie beschikt, verstrekt deze per omgaande aan het bestuursorgaan."
3.2. Nog daargelaten of de door [appellant] bedoelde informatie bestaat en, zo ja, de MVA erover beschikt, is de Afdeling met de rechtbank en het college van oordeel dat het college niet op grond van artikel 4.2, tweede lid, van de Woo gehouden was die informatie te vorderen. Het door [appellant] in dit kader ingeroepen artikel 2.4, eerste lid, van de Woo is geen wettelijk voorschrift dat bepaalt dat informatie bij een bestuursorgaan, zoals in dit geval het college, behoort te berusten, maar bevat een algemene plicht voor een bestuursorgaan om ervoor te zorgen dat documenten die het onder zich heeft zich in een goede, geordende en toegankelijke staat bevinden.
Het betoog slaagt niet.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Hartsuiker
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
620