202405264/1/R3.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant] en anderen, allen wonend in Afferden (Gld), gemeente Druten,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Druten,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 27 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Groenemorgen Afferden" gewijzigd vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 11 september 2026, waar [appellant] en anderen, bij monde van [appellant] en [persoon], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.W. Meelkop, vergezeld door B. Tolkamp, zijn verschenen. Ook is op de zitting Van de Klok B.V., vertegenwoordigd door mr. R.J.H. Minkhorst en mr. R.A. Cuesta Valentin, beiden advocaat in Nijmegen, vergezeld door mr. S. Roelofs, mr. A. Willems en M. Bosman, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 23 november 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan maakt de bouw van 60 grondgebonden woningen mogelijk op het terrein aan de [locatie 1] in Afferden. Het gaat om aaneengebouwde woningen, twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen, voor zowel starters als doorstromers binnen bestaand stedelijk gebied.
3. [appellant] en anderen zijn omwonenden. Zij kunnen zich om meerdere redenen niet met het plan verenigen.
Toetsingskader
4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beroepsgronden
Participatie
5. [appellant] en anderen betogen dat de wijze waarop de raad invulling heeft gegeven aan participatie, in het licht van de belangen van omwonenden, gebrekkig en onvoldoende is.
5.1. De Afdeling stelt vast dat de in de wet geregelde procedure is gevolgd. Deze procedure begon met de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. Daarover konden zienswijzen naar voren worden gebracht. Van die mogelijkheid hebben [appellant] en anderen ook gebruik gemaakt. Hun zienswijzen zijn vervolgens betrokken bij de besluitvorming, zo volgt uit de nota van zienswijzen. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Niet is gebleken van een gemeentelijke inspraakverordening of participatiebeleid op grond waarvan die inspraak of participatie in dit geval toch verplicht was. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
Bouwverkeer
6. [appellant] en anderen hebben bezwaren tegen de gekozen locatie waar (zwaar) bouwverkeer het plangebied zal betreden vanwege de mogelijke overlast daarvan. Zij willen dat (zwaar) bouwverkeer via een andere route naar het plangebied zal rijden.
6.1. De Afdeling overweegt dat de keuze voor de route van bouwverkeer en eventuele overlast tijdens de bouwwerkzaamheden geen betrekking heeft op het bestemmingsplan zelf, maar gaat over de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. De Afdeling bespreekt deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk.
Verkeer
7. [appellant] en anderen schrijven in hun beroepschrift dat zij de Afdeling informeren over de zorgen van de bewoners van de [locatie 1] wat betreft de toename aan verkeer als gevolg van het plan.
Op de zitting hebben [appellant] en anderen nog toegelicht dat het hun ook gaat om de toename aan verkeer op de [locatie 2] voor hun woningen.
7.1. Voor zover [appellant] en anderen in hun beroepschrift wijzen op de verkeersgevolgen van het plan op de [locatie 1], neemt de Afdeling dit, gelet op de wijze waarop dit in het beroepschrift staat aangegeven, voor kennisgeving aan. De Afdeling gaat daar verder niet inhoudelijk op in.
7.2. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat het plan een onaanvaardbare verkeerstoename op de [locatie 2] als gevolg heeft, overweegt de Afdeling het volgende.
In hoofdstuk 4 van het "Onderzoek verkeersgeneratie en -afwikkeling" (het verkeersonderzoek), bijlage 2 bij de plantoelichting, staat dat de bestaande verkeersintensiteit van nog geen 2.000 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etmaal) op de [locatie 2] geen belemmering zal zijn voor de afwikkeling van het nieuwe verkeer van het plan. De conclusie in hoofdstuk 5 is dat de totale verkeersintensiteit van minder dan 3.000 mvt/etmaal op de [locatie 2] daar eenvoudig kan worden verwerkt.
[appellant] en anderen hebben deze conclusie niet onderbouwd weerlegd. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot een onaanvaardbare toename aan verkeer op de [locatie 2].
Het betoog slaagt niet.
Waterberging en klimaatadaptatie
8. [appellant] en anderen betogen dat de waterberging niet goed in het plan is geregeld. Zij vrezen voor wateroverlast. Zij voeren aan dat op voorhand niet vaststaat hoe groot de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding zullen zijn en op welke wijze deze gevolgen voorkomen zullen worden.
[appellant] en anderen voeren verder aan dat de voorwaardelijke verplichting over waterberging in artikel 6.2.4 van de planregels onvoldoende zekerheid biedt dat er voldoende waterberging gerealiseerd zal worden.
8.1. Artikel 6.2.4. van de planregels luidt:
"Het gebruik van gronden en bouwwerken voor de activiteiten als bedoeld in deze bestemming is uitsluitend toegestaan indien voldaan wordt aan de volgende regels:
a. voor het plan/perceel/bouwperceel wordt voldoende waterberging in het plangebied gerealiseerd ter plaatse van de aanduiding 'waterberging', met dien verstande dat de compensatie voor het verhard oppervlak overeenkomstig het beleid van de waterbeheerder/waterschap wordt gerealiseerd (zoals aangeven in subparagraaf 4.3.1 van het waterhuishoudkundig plan in bijlage 7 bij de toelichting);
b. de waterberging als bedoeld onder a dient duurzaam in stand te worden gehouden."
Artikel 3.4 de "Keur van het Waterschap Rivierenland 2014" luidt:
"Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen."
Artikel 5.16 van de "Beleidsregels behorende bij de Keur Waterschap Rivierenland 2014" geeft de toetsingscriteria voor de aanvraag om een watervergunning zoals bedoeld in artikel 3.4 van de Keur. Daarin staat beschreven in welke gevallen een compensatieverplichting bestaat en hoeveel waterberging er gerealiseerd moet worden.
8.2. In paragraaf 4.8 van de plantoelichting zijn de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding beschreven. Daarin wordt verwezen naar het Waterhuishoudkundig plan dat als bijlage 7 bij de plantoelichting is gevoegd. In paragraaf 4.8.6 van de plantoelichting en paragraaf 4.3 van het Waterhuishoudkundig plan, gaat het over de compensatie waterberging. Daar staat beschreven dat, aan de hand van het schetsontwerp opgenomen in paragraaf 2.2 van de plantoelichting, de toename aan verhard oppervlak wordt geschat op 14.228 m2. Aan de hand van de regels voor compensatie van het Waterschap Rivierenland, is berekend dat er een waterberging van 620 m3 nodig is voor de situatie T=10+10% (geen water op straat) en 945 m3 nodig is voor de situatie T=100+10% (geen water in gebouwen/geen inundatie). Ook is beschreven hoe binnen het plan kan worden voorzien in voldoende waterberging. Daarvoor wordt verwezen naar paragraaf 4.3.2 van het Waterhuishoudkundig plan. De conclusie is dat er voldoende waterberging binnen het plangebied mogelijk is.
8.3. Gelet op de bovenstaande beschrijving van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding, ziet de Afdeling in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat deze gevolgen en de mogelijke oplossingen onvoldoende zorgvuldig zijn onderzocht.
In zoverre slaagt het betoog niet.
8.4. De Afdeling overweegt verder dat de rechtszekerheid vereist dat bij een maatregel die uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk wordt geacht voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, in de planregels moet worden voorzien in een publiekrechtelijke borging van de realisatie en instandhouding van die maatregel. Dat hoeft niet als de realisatie en instandhouding van die maatregel op een andere manier publiekrechtelijk is verzekerd. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 9 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3076), onder 27.4.
8.5. De Afdeling overweegt dat de regeling in artikel 3.4 van de Keur, in samenhang met artikel 5.16 van de Beleidsregels behorende bij de Keur, ervoor zorgt dat bij de uitvoering van het plan de realisatie en instandhouding van de vereiste watercompensatie door het waterschap kan worden afgedwongen. Daarmee is de waterberging langs deze weg voldoende publiekrechtelijk gewaarborgd. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 25 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:282), onder 7, en 29 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4406), onder 14.2.
De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om het plan te vernietigen omdat de voorwaardelijke verplichting over waterberging in artikel 6.2.4 van de planregels onvoldoende zorgvuldig zou zijn.
De Afdeling wijst er overigens op dat ook op grond van de nu geldende "Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland" in samenhang met de "Beleidsregels bij waterschapsverordening Waterschap Rivierenland" de realisatie en instandhouding van de vereiste watercompensatie door het waterschap kan worden afgedwongen.
Het betoog slaagt niet.
Tweelaagse woningen met kap
9. [appellant] en anderen betogen dat de twee rijen met eengezinswoningen die het plan mogelijk maakt achter de [locatie 2], in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. De woningen worden volgens hen namelijk te hoog. Dit heeft als gevolg dat hun uitzicht en privacy sterk afnemen. Daarnaast voeren [appellant] en anderen aan dat de hoge woningen ook gevolgen hebben voor bezonning, maar dat dit ten onrechte niet is onderzocht. Verder voeren [appellant] en anderen aan dat de hoge bebouwing stedenbouwkundig niet aansluit bij bestaande bebouwing. Zij wijzen erop dat hun eigen woningen maar één verdieping met kap hebben.
9.1. De Afdeling stelt vast dat de afstand vanaf de woningen van [appellant] en anderen aan de [locatie 2] tot de met het plan mogelijk gemaakte woningen ten minste 22,5 m is.
De maximale goot- en bouwhoogte van de in het plan voorziene woningen, is respectievelijk 7 m en 11 m. Op grond van het bestemmingsplan "Stedelijk Gebied (4e periodieke herziening)", varieert de maximale goothoogte van de woningen rond het plangebied tussen 5 en 7 m en de maximale bouwhoogte tussen 8 en 10 m.
9.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad de belangen van [appellant] en anderen bij het behoud van hun uitzicht en privacy voldoende meegewogen bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad een groter gewicht mogen toekennen aan het belang van woningbouw op deze locatie. De Afdeling overweegt dat hoewel het uitzicht en de privacy van [appellant] en anderen als gevolg van het plan in enige mate zal worden aangetast, de raad dit, gelet op de afstanden tot de nieuwe woningen, aanvaardbaar en in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft mogen achten. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat er geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat.
De Afdeling ziet gelet op de afstanden tot de nieuwe woningen en de bouwhoogtes daarvan verder ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van het plan voor bezonning van de woningen van [appellant] en anderen.
Tot slot overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de woningen in het plan qua bouwhoogte voldoende aansluiten bij de omgeving. In de omgeving van het plangebied staan ook al tweelaagse woningen met kap en met planologisch vergelijkbare goot- en bouwhoogtes.
Het betoog slaagt niet.
Historische doorzicht Oude Toren
10. [appellant] en anderen betogen dat het plan leidt tot verlies van cultuurhistorisch uitzicht vanaf de Oude Weisestraat naar de Oude Toren van Afferden. Zij voeren aan dat er eerder een omgevingsvergunning voor de bouw van een mantelzorgwoning aan de Oude Weisestraat 2A is gewijzigd en daarbij was bepaald dat de woning 40 cm lager moest worden om het historisch uitzicht te behouden. [appellant] en anderen begrijpen daarom niet dat er nu een hele woonwijk met hogere bebouwing wordt toegestaan.
10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan de historische waarde van de Oude Toren en de ruimtelijke samenhang tussen de Oude Weisestraat en de toren niet aantast. De raad heeft daarvoor nog een aanvullend advies over het historisch uitzicht overgelegd.
10.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het plan geen onaanvaardbare aantasting van het cultuurhistorisch uitzicht vanaf de Oude Weisestraat op de Oude Toren als gevolg heeft. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het zicht op de Oude Toren vanaf de Oude Weisestraat al door bestaande bebouwing wordt beperkt, maar door de nieuwe bebouwing van het plan niet verder zal worden beperkt. De nieuwe bebouwing komt niet op plekken waar nog zichtlijnen bestaan vanaf de Oude Weisestraat naar de Oude Toren. Dit blijkt ook uit het aanvullend advies over het historisch uitzicht. Daarin staat dat het plan rekening houdt met de historische structuur van Afferden en de Oude Toren als oriëntatiepunt, en dat de toren vanuit het landschap en vanuit verschillende delen van het dorp zichtbaar blijft. Daarmee is de situatie ook niet vergelijkbaar met de bouw van de mantelzorgwoning, omdat met de bouw daarvan mogelijk wel zicht vanaf de Oude Weisestraat naar de Oude Toren werd verminderd.
Het betoog slaagt niet.
Toetsingscriteria beoordeling bouwplannen Afferden
11. [appellant] en anderen betogen dat de beoordeling van het plan aan het gemeentelijk "Toetsingskader woningbouwinitiatieven" onvoldoende is. Dit Toetsingskader bevat geen criteria voor bijvoorbeeld waterhuishouding en verkeersontsluiting. Dit plan had daar slecht op gescoord en alternatieve plannen zijn meer geschikt.
11.1. De Afdeling begrijpt het betoog zo dat [appellant] en anderen het Toetsingskader onvoldoende achten om op grond daarvan aan te kunnen nemen dat een plan aanvaardbaar is.
De Afdeling overweegt dat in deze procedure het bestemmingsplan ter beoordeling voorligt en niet het Toetsingskader. De Afdeling overweegt dat de raad het bestemmingsplan heeft getoetst aan alle relevante wet- en regelgeving. Daarom ziet de Afdeling geen aanleiding om deze beroepsgrond inhoudelijk te bespreken.
Herhaald inlassen zienswijze
12. [appellant] en anderen verzoeken om de inhoud van de zienswijze van [appellant] als herhaald en ingelast te beschouwen.
12.1. [appellant] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de nota zienswijzen bij het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben in het beroepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
13. Het beroep is ongegrond.
14. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.R. Schadd, griffier.
w.g. Besselink
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schadd
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
1076