202501532/1/A2.
Datum uitspraak: 14 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2025 in zaak nr. 24/888 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Financiën.
Procesverloop
Bij besluit van 17 augustus 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd twee private schulden van [appellant] over te nemen.
Bij besluit van 18 januari 2024 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 januari 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 januari 2024 vernietigd voor zover het gaat over de overname van de schuld bij Intrum, het bezwaar van [appellant] op dit punt ongegrond verklaard en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 december 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Laghmouchi, advocaat in Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. A. Divis-Stein en mr. M. Bouhoud, zijn verschenen.
De Afdeling heeft het onderzoek op de zitting niet gesloten om [appellant] in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend en de minister heeft daarop gereageerd.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 september 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Laghmouchi, advocaat in Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. S. Ishak en mr. A.R. Kandhai, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. [appellant] is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft de minister gevraagd om een schuld van € 6.134,20 bij de ING Bank en een schuld van € 518,97 bij Intrum over te nemen.
2. In hoofdstuk 4 van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht) is vastgelegd onder welke voorwaarden een gedupeerde van de toeslagenaffaire in aanmerking kan komen voor het overnemen en betalen van private schulden.
Op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Wht neemt de minister de in die bepaling bedoelde geldschulden over.
In het tweede lid staat: "De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan."
In artikel 4.1, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wht staat: "Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn: […]
b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden; […]."
3. De minister heeft geweigerd om de schuld van € 6.134,20 bij de ING Bank over te nemen, omdat het een schuld betreft bij een financiële instelling en er geen betalingsachterstanden zijn ontstaan tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021, waardoor de schuld opeisbaar zou zijn geworden. Ook de schuld van € 518,97 bij Intrum heeft de minister geweigerd over te nemen, omdat het een schuld betreft, ontstaan uit een krediet, die opeisbaar is geworden ná 31 mei 2021.
Uitspraak van de rechtbank
4. De rechtbank heeft geoordeeld dat de schuld bij de ING Bank niet in aanmerking komt voor overname, omdat niet is gebleken dat de schuld nog niet was voldaan toen [appellant] op 6 juni 2023 de aanvraag voor overname indiende. Op basis van de beschikbare informatie is niet komen vast te staan dat de schuld voor 1 juni 2021 opeisbaar was. De rechtbank heeft vastgesteld dat het besluit van 18 januari 2024 inderdaad tegenstrijdig is. Toch slaagt het beroep op het vertrouwensbeginsel niet, omdat [appellant] juist door die tegenstrijdigheden een fout in het besluit had kunnen vermoeden en er redelijkerwijs niet vanuit mocht gaan dat de schuld bij Intrum wel overgenomen zou worden. Door de innerlijke tegenstrijdigheid is het besluit wel onvoldoende gemotiveerd en dus gebrekkig tot stand gekomen. Dit betekent echter niet dat de minister de schuld bij Intrum had moeten overnemen. De schuld voldoet namelijk niet aan de eisen van de Wht om overgenomen te worden, omdat de hoofdsom van de lening pas na 1 juni 2021 is opgeëist en de betalingsachterstanden op het moment van de aanvraag om overname waren voldaan. Omdat het besluit van 18 januari 2024 gebrekkig tot stand is gekomen heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, voor zover het gaat over de schuld bij Intrum. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en beslist dat het bezwaar van [appellant] tegen het niet overnemen van de schuld bij Intrum ongegrond is, de minister veroordeeld tot het betalen van de proceskosten aan [appellant] en bepaald dat hij het griffierecht moet vergoeden.
Hoger beroep
5. De gronden die [appellant] aanvoert, over de opeisbaarheid van de schuld bij de ING Bank en over de tegenstrijdigheid in het besluit van 18 januari 2024, zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 12, 21, en 24 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd (zie ook de uitspraak van de Afdeling van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5101, onder 7). Uit de door [appellant] in hoger beroep overgelegde stukken van schuldeisers blijkt ook niet dat de schulden voor 1 juni 2021 opeisbaar waren, te minder omdat die stukken dateren uit 2024.
6. [appellant] betoogt dat door de strikte toepassing van de regels het doel van de schuldenregeling wordt ondermijnd en het herstelproces van de gedupeerden van de toeslagenaffaire wordt gefrustreerd.
6.1. Deze grond gaat over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraak van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045, onder 15). Wat [appellant] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen.
Hardheidsclausule
7. In artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wht is een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1, voor zover de toepassing daarvan, gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
8. [appellant] heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule en heeft stukken ingediend om inzicht te geven in de feiten en omstandigheden die ertoe moeten leiden dat de hardheidsclausule in zijn geval toegepast wordt.
8.1. Degene die een beroep op de hardheidsclausule doet, moet in ieder geval inzichtelijk maken waaruit de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie bestaat, en moet dit zo concreet mogelijk onderbouwen (zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456).
8.2. Naar aanleiding van wat partijen op de zitting van 10 december 2025 naar voren hebben gebracht, heeft de Afdeling [appellant] de gelegenheid gegeven om zijn beroep op de hardheidsclausule verder te onderbouwen en de minister de gelegenheid gegeven daarop te reageren.
8.3. De Afdeling is van oordeel dat de minister, gelet op de in hoger beroep door [appellant] alsnog overgelegde stukken, niet met toepassing van de hardheidsclausule een uitzondering hoefde te maken ten aanzien van de schulden van [appellant]. [appellant] heeft toegelicht dat zijn situatie onhoudbaar is, omdat hij, mede door aflossing van andere schulden, maandelijks niets overhoudt. Voor die aflossing moet hij dan bijvoorbeeld de betaling van zijn zorgverzekering terugdraaien. Ter staving van zijn schuldendruk heeft hij een overzicht overgelegd waarin hij zijn vaste lasten en zijn inkomsten heeft opgesomd. Hieruit komt naar voren, zoals de minister op de zitting ook heeft erkend, dat de financiële situatie van [appellant] weliswaar zorgelijk is, maar dat geen sprake is van schrijnende omstandigheden, bestaande uit serieuze en structurele financiële nood. De minister heeft er terecht op gewezen dat de kinderbijslag bijvoorbeeld ontbreekt in het overzicht van inkomsten en dat [appellant] ook geen inzicht heeft gegeven in zijn vermogen of in het ontbreken daarvan. Ook als het door [appellant] zelf opgegeven netto-inkomen van € 4.090,36 bij nader inzien lager zou zijn dan dat bedrag, zoals hij betoogt, en aangenomen moet worden dat hij maandelijks geld tekortkomt, biedt zijn financiële situatie onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de situatie zodanig schrijnend is dat aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule. Op de tweede zitting bij de Afdeling is in dit kader ook besproken dat [appellant] de mogelijkheid van schuldhulpverlening zou kunnen benutten.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
10. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2026
488-1112